- Arrest van 22 april 2013

22/04/2013 - C.12.0285.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel de nietigheid van een overeenkomst ex tunc geldt, doet het vonnis dat deze uitspreekt nieuwe verplichtingen ontstaan aangezien de partijen moeten teruggeven wat zij gekregen hebben; zonder vernietiging van de leningsovereenkomst leidt de nietigheid van de verplichting tot terugbetaling niet tot enige verplichting tot teruggave voor de ontlener.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0285.F

M. L.

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. H.

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 13 december 2011.

De zaak is bij beschikking van 18 februari 2013 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert twee middelen aan waarvan het eerste luidt als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1108, 1131, 1174, 1304 en 1892 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst het volgende vast: "luidens de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 15 april 2008, vroeg de verweerder 'in uitvoering van een overeenkomst van 23 september 1997, die evenwel nietig is aangezien ze een schuldbekentenis betreft van een lening voorzien van een louter potestatieve voorwaarde' om de eiseres te veroordelen tot de terugbetaling van de hoofdsom van 39.662,96 euro te vermeerderen met gerechtelijke interest en kosten"; "er wordt niet betwist dat de verweerder het bedrag van 1.600.000 frank aan de eiseres heeft betaald en het voorwerp van de vordering is de teruggave daarvan; de op 23 september 1997 tussen de partijen gesloten overeenkomst bepaalt dat het bedrag uiterlijk 'terug te betalen is op de dag van de verkoop van de 5.000 aandelen van de naamloze vennootschap Cofigraph die de eiseres in haar bezit heeft; de naamloze vennootschap Cofigraph werd op 22 maart 2000 failliet verklaard en in een brief van 5 februari 2008 heeft de raadsman van de verweerder voor het eerst de terugbetaling gevorderd".

Het arrest beslist vervolgens dat de vordering van de verweerder niet verjaard is en veroordeelt de eiseres, met gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, tot de betaling van het bedrag van 39.662,96 euro vermeerderd met de interest tegen de rentevoet van 3,5 pct. vanaf 5 februari 2008, veroordeelt de eiseres in de kosten van eerste aanleg, compenseert de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en laat de eigen kosten aan de eiseres.

Het arrest steunt zijn beslissing inzake de verjaring op de volgende redenen:

"De vordering kan niet onderworpen worden aan de verjaringstermijn van tien jaren bedoeld bij artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het geen vordering is tot nietigverklaring of tot vernietiging van de leningsovereenkomst maar een eis tot teruggave van het geleend bedrag, vermits de voorwaarde voor die verbintenis louter potestatief en bijgevolg nietig is". "In het stadium van de ontvankelijkheid van de vordering, mag de eiseres de niet-uitvoering van een opschortende voorwaarde voor haar verbintenissen niet aanvoeren, aangezien die voorwaarde louter potestatief is wat haar betreft".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

Krachtens artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek, is "een geoorloofde oorzaak van verbintenis" een essentiële voorwaarde voor de geldigheid van een overeenkomst.

Krachtens artikel 1131 van hetzelfde wetboek "kan een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg hebben".

De nietigheid van een overeenkomst wegens het gebrek aan oorzaak is een nietigheid bedoeld bij artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens het eerste lid van die bepaling "duurt in alle gevallen waarin de rechtsvordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst niet door een bijzondere wet tot een kortere tijd is beperkt, deze rechtsvordering tien jaren".

De verjaring van de vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst en de eis tot teruggave van de bedragen die naar aanleiding van de nietige overeenkomst werden betaald, begint te lopen op de dag van het sluiten van die overeenkomst (behalve opschorting om oorzaken bedoeld in het tweede en derde lid van het voornoemde artikel 1304).

Krachtens artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek "is iedere verbintenis nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt", namelijk een louter potestatieve voorwaarde waarvan de uitvoering enkel afhangt van de wil van diegene die zich ertoe verbindt.

Het lenen van een geldsom is een verbruiklening bepaald bij artikel 1892 van het Burgerlijk Wetboek, die de lener verplicht om het geleend bedrag terug te betalen.

Als, bij het lenen van een geldsom, de verbintenis van de lener om de geldsom terug te betalen voorzien is van een opschortende, louter potestatieve voorwaarde, dan is de verplichting tot terugbetaling nietig krachtens artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek. De nietigheid van de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag heeft tot gevolg dat er geen oorzaak meer is tot terugbetaling van het geleende bedrag vermits dat niet zou kunnen worden terugbetaald als dat de wil van lener is. Die nietigheid leidt dus tot de nietigheid van de verbruiklening zelf krachtens de artikelen 1108 en 1131 van het Burgerlijk Wetboek.

Te dezen, overweegt het arrest dat de verplichting tot terugbetaling waarmee de eiseres heeft ingestemd "uiterlijk op de dag van de verkoop van de 5.000 aandelen van de naamloze vennootschap Cofigraph, die de eiseres in haar bezit heeft" voorzien was van een "louter potestatieve voorwaarde wat haar betreft".

Aangezien een dergelijke verbintenis nietig is krachtens artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek doordat het bedrag van 1.600.000 frank [...] tegen die louter potestatieve voorwaarde door de eiseres terug te betalen was, blijkt uit de vaststellingen van het arrest dat de verbintenis van de eiseres om de lening terug te betalen geen oorzaak had en de lening, die aan de eiseres was toegekend, nietig was.

De verweerder zou enkel door de nietigheid van de leningsovereenkomst recht kunnen hebben op de terugbetaling van het aan de eiseres betaalde bedrag en niet door de loutere nietigheid van de verbintenis van de eiseres om de geleende som terug te betalen, want als enkel die verplichting nietig is omdat ze voorzien is van louter potestatieve voorwaarde vanwege de eiseres, zou daaruit gebleken zijn dat zij niet verplicht was terug te betalen. Het arrest stelt trouwens vast dat, "luidens de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 15 april 2008, de verweerder 'in uitvoering van een overeenkomst van 23 september 1997, die evenwel nietig is aangezien ze een schuldbekentenis betreft van een lening voorzien van een louter potestatieve voorwaarde' vroeg om de eiseres te veroordelen tot de terugbetaling van de hoofdsom van 39.662,96 euro". Het arrest had derhalve moeten vaststellen dat de gedinginleidende dagvaarding aan de eiseres meer dan tien jaar na het sluiten van de overeenkomst van 23 september 1997 betekend werd, hetzij op een tijdstip waarop de vordering tot nietigverklaring van de lening verjaard was krachtens artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest beslist daarentegen dat de vordering van de verweerder tegen de eiseres niet onderworpen was aan de tienjarige verjaringstermijn bedoeld bij artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de vordering "geen vordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van de leningsovereenkomst was, maar een vordering tot terugbetaling van het geleende bedrag, vermits de voorwaarde tot die verplichting nietig was want louter potestatief" en zodoende schendt het alle bepalingen van het Burgerlijk Wetboek bedoeld in de aanhef van het middel.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Grond van niet-ontvankelijkheid van de verweerder: het middel is zonder be-lang:

De verweerder betoogt dat aangezien de leningsovereenkomst, waarvan het arrest het bestaan vaststelt, niet nietig kan worden verklaard wegens de verjaring van de vordering tot nietigverklaring, zij uitwerking moet hebben en de verweerder bij-gevolg kan vragen dat de eiseres haar verplichting om het geleende bedrag terug te betalen uitvoert zodat de veroordeling van de eiseres, door het arrest, tot terug-betaling van dat bedrag naar recht verantwoord blijft door andere redenen in de plaats te stellen.

Het arrest beslist evenwel op grond van een reden die het middel niet aanvecht en waarvoor het Hof derhalve geen andere in de plaats kan stellen zonder zijn be-voegdheden te buiten te gaan, dat "de [opschortende] voorwaarde betreffende die verplichting [om het geleende bedrag terug te betalen] nietig is want louter potes-tatief", waardoor zij de geldigheid van de aan die voorwaarde onderworpen ver-bintenis kan aantasten.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Luidens artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek is iedere verbintenis nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van de-gene die zich verbindt.

Krachtens artikel 1108 van hetzelfde wetboek, is een geoorloofde oorzaak van verbintenis een essentiële voorwaarde voor de geldigheid van een overeenkomst.

Volgens artikel 1131 van dat wetboek, kan een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak, geen gevolg hebben.

Luidens artikel 1892 van dat wetboek is verbruiklening een contract waarbij de ene partij een zekere hoeveelheid zaken die door het gebruik teniet gaan, aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze aan de eerstgenoemde evenzo-veel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven.

Daaruit volgt dat de verplichting van de lener om het geleende bedrag terug te ge-ven met een louter potestatieve, opschortende voorwaarde, nietig is. Die nietig-heid, die de oorzaak wegneemt voor de terugbetaling van het geleende bedrag, heeft de nietigheid van de leningsovereenkomst zelf tot gevolg.

Artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in alle gevallen waarin de rechtsvordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst niet door een bijzondere wet tot een kortere tijd is beperkt, deze rechtsvordering tien jaren duurt.

Hoewel de nietigheid van een overeenkomst ex tunc geldt, doet het vonnis dat de-ze uitspreekt nieuwe verplichtingen ontstaan aangezien de partijen moeten terug-geven wat zij gekregen hebben. Zonder vernietiging van de leningsovereenkomst leidt de nietigheid van de verplichting tot terugbetaling niet tot enige verplichting tot teruggave voor de ontlener.

Het arrest stelt vast dat, "luidens de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 15 april 2008, de verweerder 'in uitvoering van een overeenkomst van 23 september 1997, die evenwel nietig is aangezien ze een schuldbekentenis betreft van een lening voorzien van een louter potestatieve voorwaarde' vroeg om de eiseres te veroordelen tot de terugbetaling van de hoofdsom van 39.662,96 euro te vermeer-deren met de gerechtelijke interest en de kosten" en stelt dat de door de eiseres aangegane verbintenis tot terugbetaling voorzien was van een louter potestatieve voorwaarde vanwege de eiseres.

Het arrest dat beslist dat die vordering van de verweerder tegen de eiseres niet verjaard was hoewel zij tien jaar na het sluiten van de litigieuze lening aanhangig werd gemaakt op grond dat die eis in werkelijkheid "geen vordering is tot nietig-verklaring of tot vernietiging van de leningsovereenkomst maar een eis tot terug-gave van het geleende bedrag, aangezien de voorwaarde voor die verbintenis lou-ter potestatief en bijgevolg nietig is", verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om de eiseres te veroordelen tot de terugbetaling van dat bedrag.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige onderdelen van het eerste middel en het tweede middel, die tot geen ruimere cassatie kunnen leiden, hoeven niet te worden onderzocht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het het beroep ontvankelijk ver-klaart.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 22 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Leningsovereenkomst

  • Vordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van de leningsovereenkomst

  • Nietigheid van de verplichting tot terugbetaling