- Arrest van 22 april 2013

22/04/2013 - S.12.0117.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, is enkel toepasselijk op de zaken die op 1 januari 2008 hangende zijn; met hangende zaken worden de zaken bedoeld waarover, bij de inwerkingtreding van die nieuwe wet, in eerste aanleg of in hoger beroep nog uitspraak moet worden gedaan (1). (1) Zie concl. O.M., in Pas., nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0117.F

L. A.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

CLINIQUE SAINT-PIERRE vzw.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 14 februari 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 4 april 2013 een conclusie neer-gelegd ter griffie.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard af-schrift aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 14 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt de Koning de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet die ui-terlijk op 1 januari 2008 gebeurt.

Volgens artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 treden de artikelen 1 tot en met 13 van die wet in werking op 1 januari 2008.

Artikel 13 van de voornoemde wet bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden.

Uit die bepalingen volgt dat artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de voornoemde wet, slechts van toepassing is op de zaken die op 1 januari 2008 hangende zijn.

Worden verstaan onder zaken die hangende zijn, de zaken waarover nog uitspraak moet worden gedaan in eerste aanleg of in hoger beroep, bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Het bestreden arrest stelt vast dat:

- de eiseres en de verweerder een geschil hebben over een arbeidsovereenkomst voor de arbeidsrechtbank te Nijvel en vervolgens, in hoger beroep, voor het ar-beidshof te Brussel;

- dat geschil heeft geleid tot een arrest van het arbeidshof te Brussel van 10 ja-nuari 2007 dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft uitgesproken, de verweerster heeft veroordeeld tot schadevergoeding "wegens materiële schade door baanverlies" "morele schade" en "voor kosten en honoraria van deskundige" en veroordeelt de verweerster in de "kosten van beide instanties, berekend op de dag van het arrest, voor de eiseres op 140,14 euro dagvaar-dingskosten, 209,72 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep";

- "de eiseres met de huidige procedure de vergoeding wil verkrijgen van de ere-lonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat die zij gemaakt heeft in het kader van voorgaand geschil waarop zopas werd gewezen".

Het bestreden arrest dat de vordering tot vergoeding van de honoraria en kosten voor de bijstand van een advocaat die de eiseres heeft gemaakt in het kader van het geschil dat geleid heeft tot het arrest van 10 januari 2007, ongegrond verklaart op grond dat "de zaak hangende was op 1 januari 2008", schendt de voornoemde artikelen 13 en 14 van de wet van 21 april 2007 en artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit van 26 oktober 2007.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige onderdelen die niet tot een ruimere cassatie kunnen leiden, hoeven niet te worden onderzocht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het dat hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beoordeling daarvan aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 22 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Erelonen en kosten van advocaten

  • Verhaalbaarheid

  • Wet van 21 april 2007

  • Toepassing

  • Criterium

  • Hangende zaken