- Arrest van 25 april 2013

25/04/2013 - C.10.0747.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens een algemeen beginsel van administratief recht hebben de arresten van de Raad van State die een administratieve handeling nietig verklaren, volstrekt gezag van gewijsde (1). (1) Zie andersl. concl. O.M. in Pas., 2012, nr. ***.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0747.F

A. D.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FRANSE GEMEENSCHAP VAN BELGIË,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 4 maart 2010.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 14 maart 2013 een schriftelijke con-clusie neergelegd.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de arresten van nietigverklaring van de Raad van State gezag van gewijsde erga omnes hebben, dat met name is vastgelegd in de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, zowel voor als na de wijziging ervan bij de wet van 15 mei 2007;

- artikel 7, inzonderheid § 1, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën;

- artikel 106, inzonderheid § 1, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991;

- artikel 71, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten;

- artikel 16, § 1, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof;

- de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;

- de artikelen 144, 145, 149 en 159 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist als volgt:

"Het arrest van nietigverklaring dat de Raad van State in deze zaak heeft uitgesproken, heeft geen enkele uitwerking, aangezien de Raad van State uitspraak heeft gedaan in een aangelegenheid die uitsluitend tot de rechtsmacht van de rechtbanken behoort (zie o.m. Cass. 12 maart 1942, Pas., 1942, I, 62, concl. Hayoit de Termicourt; Cass., 21 december 1956, Pas., 1957, I , 439, concl. W.J. Ganshof van der Meersch);

De eerste rechter heeft dus ten onrechte voor recht gezegd dat de brief van 28 februari 1995 waarbij [de verweerster] de teruggave vorderde van het litigieuze onverschuldigd betaalde bedrag, een onbestaande handeling is daar zij berust op beslissingen die de Raad van State nietig heeft verklaard;

Die beslissingen blijven bestaan in weerwil van het arrest van de Raad van State."

Het bestreden arrest leidt daaruit af dat verweersters schuldvordering niet uitge-doofd is, aangezien de verjaringstermijn rechtsgeldig werd gestuit door de inge-brekestelling van 28 februari 1995."

Grieven

De eiseres had in haar syntheseconclusie betoogd dat de verweerster het gezag van gewijsde miskende van het arrest van nietigverklaring van 27 september 1999 van de Raad van State en zich niet kon beroepen op het bericht van 28 februari 1995 betreffende een onverschuldigd betaald bedrag, aangezien die administratieve handeling niet langer gemotiveerd was wegens de uitgesproken nietigverklaringen.

Eerste onderdeel

Het gezag van gewijsde van de door de administratieve rechtscolleges uitgesproken beslissingen van nietigverklaring is een algemeen beginsel van administratief recht.

De arresten van de Raad van State die een administratieve handeling nietig verklaren hebben gezag van gewijsde erga omnes, met terugwerkende kracht (in het middel vermelde algemeen rechtsbeginsel, artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, in het middel vermelde artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State).

Die regel wordt niet aangetast door het feit dat de Raad van State buiten zijn bevoegdheid uitspraak zou hebben gedaan. Zijn arrest van nietigverklaring heeft immers kracht van gewijsde verkregen.

Dat was het geval met het arrest van nietigverklaring van 27 september 1999 waarop de eiseres zich beriep, aangezien het cassatieberoep dat de verweerster tegen dat arrest had ingesteld, door het arrest van het Hof van 31 mei 2001 wegens laattijdigheid werd verworpen (AC, 2001, nr. 325).

Daaruit volgt dat:

1° het bestreden arrest, dat het gezag van gewijsde miskent van het arrest van nietigverklaring van 27 september 2009 om de onwettige reden dat de Raad van State niet bevoegd was om het te wijzen, miskent het algemeen rechtsbeginsel, schendt de artikelen 23 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek, 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alle zoals in het middel vermeld;

2° het bestreden arrest dat beslist dat "het arrest van nietigverklaring dat de Raad van State in deze zaak heeft uitgesproken, [...] geen enkele uitwerking [heeft], aangezien de Raad van State uitspraak heeft gedaan in een aangelegenheid die uitsluitend tot de rechtsmacht van de rechtbanken behoort" , artikel 159 van de Grondwet en, voor zoveel als nodig, de artikelen 144 en 145 van de Grondwet schendt, aangezien de in artikel 159 van de Grondwet vastgelegde wet-tigheidstoetsing volledig is uitgeoefend door de kracht van het gewijsde van de beslissing zelf van de Raad van State .

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Krachtens een algemeen beginsel van administratief recht hebben de arresten van de Raad van State die een administratieve handeling nietig verklaren, volstrekt gezag van gewijsde.

Uit de artikelen 33, eerste lid, en 34 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State blijkt dat het Hof van Cassatie uitspraak dient te doen over de beroepen tegen de arresten waarbij de afdeling bestuursrechtspraak beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen op grond dat die kennisneming binnen de bevoegdheid van de rechterlijke overheid valt, of waarbij zij afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid gesteund op de grond dat de eis tot de bevoegdheid van die overheid behoort, alsook over bevoegdheidsregelingen die zijn gerezen omdat de afdeling bestuursrechtspraak en een hof of een recht-bank van de rechterlijke orde zich beiden hetzij bevoegd, hetzij onbevoegd hebben verklaard om van dezelfde eis kennis te nemen.

Buiten die gevallen staat het niet aan de hoven en rechtbanken uitspraak te doen over de bevoegdheid van de Raad van State die een administratieve handeling nietig verklaart.

Daaruit volgt dat de rechter van de rechterlijke orde niet mag weigeren acht te slaan op een arrest van nietigverklaring van de Raad van State op grond dat deze niet bevoegd zou zijn geweest om die nietigverklaring uit te spreken.

Het bestreden arrest beslist dat het arrest van nietigverklaring van 27 september 1999 "geen enkele uitwerking [heeft], aangezien de Raad van State uitspraak heeft gedaan in een aangelegenheid die uitsluitend tot de rechtsmacht van de rechtbanken behoort" en miskent bijgevolg het voornoemde algemeen rechtsbe-ginsel.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

De overige onderdelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Ze kunnen im-mers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de hogere beroepen ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 25 april 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Arrest van nietigverklaring van een administratieve handeling

  • Absoluut gezag van gewijsde

  • Grondslag