- Arrest van 25 april 2013

25/04/2013 - C.11.0745.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De gelijkstelling van het Belgisch Bureau met een verzekeraar kan slechts worden aangevoerd door wie op het Belgisch grondgebied door een ongeval getroffen is dat veroorzaakt is door het verkeer van een voertuig dat gewoonlijk in het buitenland is gestald en is niet van toepassing op het verhaal van dat bureau tot teruggave van de betalingen die het heeft gedaan ten voordele van wie in een andere Staat door een ongeval is getroffen dat veroorzaakt is door een voertuig dat gewoonlijk op het Belgische grondgebied is gestald.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0745.F

BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. H. S. en

2. F. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen van 31 januari 2011.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 774, tweede lid, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 2, § 2, en 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake mo-torrijtuigen;

- de artikelen 1, 24 en 25 van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

- algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der partijen in het burgerlijk proces (beschikkingsbeginsel) en algemeen beginsel betreffende het recht van verde-diging.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart [eisers] hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter in alle beschikkingen in zoverre hij de vordering ontvankelijk maar niet-gegrond heeft verklaard, voor zover zij tegen de tweede verweerder is gericht, en ze ontvankelijk en ten dele gegrond heeft verklaard voor zover zij tegen de eerste verweerder is gericht, en de eerste verweerder veroordeeld heeft om [de eiser] 11.262,98 euro te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de dag van betaling, en hem in de kosten heeft veroordeeld, om de onderstaande redenen:

"[De tweede verweerder] heeft met de auto van zijn vader, [de eerste verweerder], op 16 juli 2007 een ongeval veroorzaakt in Aken. De auto was in België ingeschreven.

Het wordt niet betwist dat [de tweede verweerder] als enige aansprakelijk is voor het ongeval.

[De eiser] heeft de schade vereffend voor een bedrag van 22.525,97 euro en vordert van de twee [verweerders] de terugbetaling van dat bedrag.

Het vonnis van de eerste rechter heeft die vordering slechts ten dele toegewezen, in zoverre het, overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van het koninklijk besluit van 14 december 1992, de vordering tegen [de tweede verweerder] heeft verworpen op grond dat hij niet de verzekeringnemer is, en de vordering tegen [de eerste verweerder] voor de helft heeft toegewezen op grond van artikel 24 van voornoemd koninklijk besluit.

[De eiser] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld in zoverre hij overweegt dat hij tegen de [verweerders] geen regresvordering instelt, maar rechtstreeks in de rechten van de benadeelde partij is getreden.

De rechtbank kan die redenering niet volgen.

Blijkens de overgelegde stukken werd voor de auto een verzekeringspolis gesloten bij de vennootschap Winterthur maar werden de verzekeringspremies niet betaald.

De dekking [van de eiser] berust op het feit dat het ongeval in Duitsland is gebeurd maar dat de auto in België is ingeschreven.

Bijgevolg treedt [de eiser] in dat geval, overeenkomstig artikel 2, § 2, van de wet van 21 november 1989, op als een verzekeringsonderneming met alle rechten en plichten die een dergelijke onderneming heeft bij de afwikkeling van een schadegeval.

In die omstandigheden treedt [de eiser] niet in de rechten van de benadeelde partij, maar oefent hij ten aanzien van de [verweerders] een regresvordering uit waarvan de omvang wordt omschreven in de wettelijke bepalingen.

De eerste rechter heeft bijgevolg de oorspronkelijke vordering tegen [de tweede verweerder] terecht niet-gegrond verklaard, in zoverre de regresvordering slechts tegen de verzekeringnemer kan worden ingesteld en [de tweede verweerder] niet geacht kan worden die hoedanigheid te hebben.

Aangezien artikel 24 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 toepasselijk is, heeft de eerste rechter, eveneens terecht, beslist dat de vordering tegen [de eerste verweerder] slechts tot beloop van de helft van het gevorderde bedrag gegrond is."

Grieven

Eerste onderdeel.

Krachtens artikel 2, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de ver-plichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen worden motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, ook tot het verkeer in België toegelaten, mits een Bureau, daartoe erkend of opgericht op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen zelf tegenover de benadeelden de verplichtingen op zich neemt de schade, door de motorrijtuigen in België toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van die wet te vergoeden. Voor de toepassing van die wet wordt dat Bureau met een verzekeraar ge-lijkgesteld.

Artikel 19bis-1 van die wet bepaalt dat de Koning, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, een nationaal verzekeringsbureau, hierna het Belgisch Bureau genoemd, machtigt met als opdracht overeenkomstig de wetgeving betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de schade te vergoeden, in België veroorzaakt door motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland gestald zijn.

Die bepalingen strekken ertoe te garanderen dat de getroffen persoon vergoed zal worden voor de schade die in België veroorzaakt is door motorrijtuigen die ge-woonlijk in het buitenland gestald zijn.

De gelijkstelling van het Belgisch Bureau met een verzekeraar impliceert dat de benadeelde gerechtigd is de bepalingen van de wet aan te voeren tegen het Bel-gisch Bureau, net alsof het Belgische Bureau een verzekeraar was in de zin van die wet. Zo ook kan het Belgisch Bureau de bepalingen van die wet aanvoeren tegen de benadeelde, net alsof het een verzekeraar was in de zin van die wet.

Enerzijds stelt artikel 2, § 2, van de wet van 21 november 1989 het Belgisch Bu-reau slechts gelijk met een verzekeraar in het geval waar een vreemd voertuig een ongeval in België heeft veroorzaakt en wanneer het Bureau dus, ten aanzien van de benadeelden, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 21 november 1989, schade dient te vergoeden die in België veroorzaakt is door motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland gestald zijn.

Anderzijds geldt de gelijkstelling met een verzekeraar slechts voor de benadeelden en impliceert zij niet dat het Belgisch Bureau ten aanzien van de aansprakelijke personen beschouwd moet worden als de verzekeraar van het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt.

Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moeten de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprake-lijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen beantwoorden aan de bepalingen van de bij dat besluit gevoegde modelovereenkomst. Krachtens artikel 1 van de mo-delovereenkomst, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen dekt de maatschappij, met die overeenkomst, overeenkomstig de wet van 21 november 1989 en onder de hiernavolgende voorwaarden, de burger-rechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden als gevolg van een door het om-schreven rijtuig in België veroorzaakt schadegeval. Uit die bepalingen volgt dat de modelovereenkomst, met inbegrip van de artikelen 24 en 25, die betrekking hebben op het verhaal van de verzekeringsmaatschappijen waarmee de overeenkomst gesloten is, niet geldt wanneer er geen verzekering is.

In deze zaak blijkt uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat een ongeval werd veroorzaakt in Duitsland door een voertuig dat gewoonlijk in België is ge-stald.

Bovendien werd niet door de partijen betwist dat het voertuig niet verzekerd was en dat, meer bepaald, geen enkele verzekeringsovereenkomst was gesloten tussen [de eiser] en de verweerders, zodat de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen niet geldt in de verhouding tussen [de eiser] en de verweerders.

Het bestreden vonnis, dat beslist dat [de eiser], die de schade heeft vergoed, be-schouwd moet worden als de verzekeraar van het Belgische voertuig dat de schade in het buitenland heeft veroorzaakt en dat [hij] slechts binnen de perken van de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst verhaal tegen de aansprakelijke personen kan instellen, schendt de artikelen 2, § 2, en 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betref-fende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering in-zake motorrijtuigen en de artikelen 1, 24 en 25 van de bij dat koninklijk besluit gevoegde modelovereenkomst.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Volgens artikel 2, § 2, tweede lid, WAM 1989 wordt, voor de toepassing van die wet, het Bureau dat erkend of opgericht is om de schade te vergoeden die in Bel-gië is toegebracht door motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn ge-stald, gelijkgesteld met een verzekeraar.

Die bepaling vormt de omzetting van artikel 2, tweede lid van de richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aan-sprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanlei-ding kan geven en op de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, krachtens hetwelk elk communautair motorrijtuig dat zich op het grondgebied van de Gemeenschap in het verkeer bevindt, ondersteld wordt verzekerd te zijn en voor elk motorrijtuig waarvoor de richtlijn van toepassing is, het nationaal bureau van de Lidstaat waar het ongeval zich heeft voorgedaan, de afwikkeling waarborgt van de ongevallen die gedekt moeten worden door de verplichte verzekering van dat land, binnen de perken en onder de voorwaarden van zijn eigen nationale wetgeving, ongeacht of de bestuurder al dan niet door een verzekering gedekt is.

Daaruit volgt dat de gelijkstelling van het Belgisch Bureau met een verzekeraar slechts kan worden aangevoerd door wie op het Belgisch grondgebied door een ongeval getroffen is dat veroorzaakt is door het verkeer van een voertuig dat ge-woonlijk in het buitenland is gestald en niet van toepassing is op het verhaal van dat bureau tot teruggave van de betalingen die het heeft gedaan ten voordele van wie in een andere Staat door een ongeval is getroffen dat veroorzaakt is door een voertuig dat gewoonlijk op het Belgische grondgebied is gestald.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser de terugbetaling vordert van de bedra-gen die hij heeft moeten betalen aan de slachtoffers van een verkeersongeval op het Duitse grondgebied dat veroorzaakt is door het voertuig van de eerste ver-weerder, dat gewoonlijk op het Belgische grondgebied was gestald en op het ogenblik van het ongeval werd bestuurd door de tweede verweerder.

Het bestreden vonnis dat oordeelt dat de eiser, voor de uitoefening van een derge-lijk verhaal "in dat geval gelijkgesteld wordt met een verzekeringsonderneming met alle rechten en plichten die een dergelijke onderneming heeft bij de afwikkeling van een schadegeval", dat die rechtsvordering niet gegrond is voor zover zij gericht is tegen de tweede verweerder op grond dat zij "slechts tegen de verzekeringnemer kan worden ingesteld", welke hoedanigheid die verweerder niet heeft, en dat krachtens artikel 24 van het koninklijk besluit betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen "slechts tot beloop van de helft van het gevorderde bedrag gegrond is", schendt artikel 2, § 2, tweede lid, van de wet van 21 november 1989.

Het onderdeel is gegrond.

Het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden hoeft niet onder-zocht te worden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dat het het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de eerste verweerder veroordeelt tot het bedrag van 11.262,98 euro.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de anders samengestelde rechtbank van eerste aanleg te Eupen, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terecht-zitting van 25 april 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars

  • Gelijkstelling met een verzekeraar