- Arrest van 25 april 2013

25/04/2013 - C.12.0114.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De brandverzekering die een mede-eigenaar van een onverdeeld goed in eigen naam heeft gesloten, dekt slechts zijn aandeel in de eigendom en strekt niet ten voordele van de overige mede-eigenaars, tenzij uit de verzekering blijkt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft gehandeld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0114.F

FEDERALE VERZEKERING, COÖPERATIEVE VENNOOTSCHAP VOOR VERZEKERING TEGEN ONGEVALLEN, BRAND, BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID EN DIVERSE RISICO'S cvba,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. F.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 22 november 2011.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, B, a), 1°, C, 1°, G, 1°, I, 22, eerste lid, en 39 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- de artikelen 577-2, § 5 en 6, 1121, 1165, 1319, 1320, 1322 en 1984 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van 120.500 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 3 september 2009 tot op de dag waarop het gewezen is en met moratoire interest tot de algehele betaling, en zegt dat zij alle schade moet dekken die het gebouw aan de rue de Bomerée 23/A in Mont-sur-Marchienne heeft geleden ten gevolge van de brand die er ontstaan is op 21 november 2004; het grondt die beslissing op alle redenen ervan die geacht worden integraal te zijn weergegeven en, inzonderheid, op de onderstaande redenen:

"8. Berekening van de schade ten gevolge van de brand

8.1. De verzekeraar houdt staande dat de verzekerde krachtens artikel 39 van de wet van 25 juni 1992 slechts recht heeft op de helft van de contractuele prestatie, zijnde tot beloop van zijn eigen recht in het geteisterde pand;

In deze zaak wordt niet betwist dat [de verweerder] in onverdeeldheid is gebleven met zijn ex-echtgenote en dat de vereffenings- en verdelingsverrichtingen thans nog niet zijn beëindigd;

De betrokkenen vallen dus, na de overschrijving van hun echtscheiding, onder toepassing van het gewone stelsel van mede-eigendom;

Luidens artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek echter, dat de verhoudingen tussen onverdeelde mede-eigenaars regelt, geeft - bij ontstentenis van overeenkomsten en van bijzondere bepalingen - wat hier het geval is, de eigendom van een zaak die onverdeeld aan verscheidene personen toebehoort, elke mede-eigenaar recht op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zover zulks met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is, maar niet om erover te beschikken, terwijl elkeen wel daden van voorlopig beheer en daden tot behoud van het goed kan verrichten;

De omstandigheid dat [de verweerder] de verzekeringsovereenkomst ‘Brand Multirisk 2003 Woning' heeft gesloten, is voor hem een daad van voorlopig beheer van een onverdeeld goed, en een rechtshandeling die in feite snel oordeelkundig bleek te zijn;

Wanneer [de verweerder] thans de gehele verzekeringsprestatie vordert, hoewel de stukken van het dossier van de verzekeraar aantonen dat aan laatstgenoemde werd meegedeeld dat de andere onverdeelde mede-eigenaar ook belang had in de zaak (zie brief van meester Ducarme van 17 januari 2005), handelt hij nog steeds onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek;

In zoverre bestaat er geen grond om de bedragen die hierna zullen worden toegekend, tot de helft te reduceren."

Grieven

Krachtens artikel 1 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereen-komst, wordt in de zin van die wet, begrepen onder:

"B. Verzekerde: a) bij schadeverzekering: degene die door de verzekering is gedekt tegen vermogensschade; [...] C. Begunstigde: degene in wiens voordeel ver-zekeringsprestaties bedongen zijn [...] G. Schadeverzekering: verzekering waarbij de verzekeringsprestatie afhankelijk is van een onzeker voorval dat schade ver-oorzaakt aan iemands vermogen; [...] I. Verzekering tot vergoeding van schade: verzekering waarbij de verzekeraar zich ertoe verbindt de prestatie te leveren die nodig is om de schade die de verzekerde geleden heeft of waarvoor hij aansprake-lijk is, geheel of gedeeltelijk te vergoeden".

Artikel 39, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 luidt als volgt: "De prestatie die de verzekeraar verschuldigd is, mag de door de verzekerde geleden schade niet te boven gaan".

Tot slot brengen, krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, "overeen-komsten (...) alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121".

Uit die artikelen, volgt dat, bij ontstentenis van andersluidende bepalingen in een brandverzekeringsovereenkomst, zoals die welke werd gesloten tussen de eiseres en de verweerder, enkel de verzekerde door de verzekering gedekt wordt voor zijn vermogensverliezen en enkel de personen ten voordele van wie de verzekerings-prestaties bedongen zijn, erop aanspraak kunnen maken.

Tevens volgt daaruit dat de verzekeringsprestaties beperkt zijn tot het herstel van een schade die de verzekerde zelf heeft geleden.

Aldus is de verzekering die wordt gesloten door de verzekerde die mede-eigenaar is van het verzekerde goed, met toepassing van die beginselen slechts geldig voor zijn aandeel in de mede-eigendom.

Dat geldt niet indien uit de verzekeringsovereenkomst blijkt dat de verzekering-nemer gehandeld heeft "voor rekening" van de overige mede-eigenaars.

Het arrest stelt echter niet vast dat de verweerder gehandeld heeft "voor rekening" van zijn ex-echtgenote, onverdeelde mede-eigenares van het geteisterde gebouw. Het stelt evenmin het bestaan vast van een lastgeving waardoor de verweerder gerechtigd zou zijn overeenkomsten te sluiten in naam van zijn ex-echtgenote, noch het bestaan van enige oorzaak van beding ten behoeve van derden.

Artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft het contract van lastgeving als "een handeling, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Het contract komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber".

In deze zaak toont het arrest geenszins het bestaan van een lastgeving aan en, bij-gevolg, stelt het geenszins vast dat de verweerder een opdracht van lasthebber zou hebben aanvaard.

Artikel 1121 van het Burgerlijk Wetboek bevat het algemeen rechtsbeginsel be-treffende de geldigheid van het beding ten behoeve van derden. Artikel 22, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 is daarvan een toepassing en luidt als volgt: "partijen kunnen te allen tijde overeenkomen dat een derde, onder de voorwaarden welke zij bepalen, aanspraak kan hebben op de door de verzekering geboden voordelen".

Het arrest stelt evenmin vast dat de verzekeringsovereenkomst tussen de eiseres en de verweerder een beding ten behoeve van derden bevat. Uit de vaststellingen blijkt evenmin dat een bijzondere wetsbepaling een rechtstreeks recht ten behoeve van een derde heeft doen ontstaan.

Het staat bovendien vast dat een beding ten behoeve van derden niet wordt ver-moed en slechts voor strikte uitlegging vatbaar is.

Daaruit volgt dat enkel de schade die de verweerder daadwerkelijk door de brand heeft geleden, gedekt moet worden door de verzekeringsprestaties. De verweerder is immers mede-eigenaar van het geteisterde gebouw, zodat de eiseres slechts zijn aandeel in het belang dient te dekken, zijnde de helft van de schade ten gevolge van de brand in zijn eigendomsaandeel.

Het arrest dat beslist dat de eiseres de verweerder dient te vergoeden voor de ge-hele brandschade, veroordeelt dus in werkelijkheid de eiseres om ook de schade van verweerders ex-echtgenote te dekken en breidt bijgevolg het voordeel van de dekking van de eiseres uit naar een derde en schendt aldus artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest dat beslist dat de eiseres de volledige brandschade dient te vergoeden, terwijl het vaststelt dat de verweerder een onverdeelde mede-eigenaar was, en geen gewag maakt van het bestaan van een lastgeving of van enige oorzaak van beding ten behoeve van derden, schendt tevens de artikelen 1, B, a), 1, C, 1, G, 1, I, 22, eerste lid, en 39 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, alsook de artikelen 1121 en 1984 van het Burgerlijk Wetboek.

Evenzo miskent het arrest de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst doordat het verweerders ex-echtgenote impliciet de status van mede-verzekerde, mede-begunstigde, ja zelfs lastgever, verleent. De verzekeringsovereenkomst geeft echter een beperkende omschrijving van wie de hoedanigheid van verzekerde en be-gunstigde heeft, namelijk de verweerder en hij alleen.

Zodoende doet het arrest de verzekeringsovereenkomst liegen, krachtens welke de prestaties beperkt zijn tot de schade aan het eigen vermogen van de verweerder. Het geeft er dus een uitlegging aan die onverenigbaar is met de bewoordingen er-van.

Het arrest miskent dus de bewijskracht van de tussen de partijen gesloten verzeke-ringsovereenkomst en schendt de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest dat zijn beslissing om de krachtens de verzekeringsovereenkomst toe-gekende bedragen niet tot op de helft terug te brengen, grondt op de paragrafen 5 en 6 van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, verantwoordt voorts die be-slissing niet naar recht.

Die paragrafen luiden als volgt:

"§ 5. De mede-eigenaar heeft recht op het gebruik en het genot van de gemeen-schappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zover zulks met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is.

Daden tot behoud van het goed en daden van voorlopig beheer kan hij wettig ver-richten.

§ 6. Andere daden van beheer alsmede daden van beschikking moeten, om geldig te zijn, met medewerking van alle mede-eigenaars geschieden. Evenwel kan een der mede-eigenaars de overige noodzaken deel te nemen aan daden van beheer waarvan de rechter de noodzakelijkheid erkent."

Hoewel het sluiten van een verzekeringsovereenkomst voor de verweerder een daad van voorlopig beheer van het onverdeelde goed is en, de verweerder daartoe niet de instemming van de onverdeelde mede-eigenaar behoefde, volgt daaruit echter niet dat de verzekeringsovereenkomst ten voordele van alle onverdeelde mede-eigenaars werd gesloten.

De toestand van onverdeeldheid staat de verweerder slechts toe om zonder toe-stemming van zijn onverdeelde mede-eigenaar daden tot behoud van het goed te verrichten, maar die daden worden geenszins verricht "voor rekening" van laatstgenoemde. Het feit dat de verweerder handelt overeenkomstig de regeling van artikel 577-2, § 5 en 6, van het Burgerlijk Wetboek impliceert daarom niet dat hij elk van zijn onverdeelde mede-eigenaars verzekert.

De toepassing van die bepaling staat dus niet eraan in de weg dat de verweerder slechts tot beloop van zijn eigen schade vergoed mag worden.

Het arrest geeft artikel 577-2, § 5 en 6, van het Burgerlijk Wetboek een betekenis en een draagwijdte die het niet heeft en schendt het bijgevolg.

Ten slotte weigert het arrest de dekking van de eiseres in twee helften te verdelen op grond dat "[de verweerder], wanneer [hij] thans de gehele verzekeringsprestatie vordert, hoewel de stukken van het dossier van de verzekeraar aantonen dat aan laatstgenoemde werd meegedeeld dat de andere onverdeelde mede-eigenaar ook belang had in de zaak (zie brief van meester Ducarme van 17 januari 2005), [...] nog steeds onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek [handelt]".

Die redenen volstaan echter niet om te begrijpen waarom de eiseres veroordeeld werd om de verweerder voor de gehele brandschade te vergoeden.

Uit die redenen blijkt immers niet duidelijk dat het hof van beroep geoordeeld heeft dat de verweerder gehandeld heeft "voor rekening" van zijn ex-echtgenote, de onverdeelde mede-eigenaar, aangezien het slechts wijst op een "belang" dat zij in de zaak heeft.

Hieruit volgt dat de motivering van het arrest vaag is en het Hof niet in staat stelt de wettigheid ervan te toetsen. Het arrest schendt bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Enerzijds bepaalt artikel 39, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst dat de prestatie die de verzekeraar verschuldigd is krachtens een verzekering tot vergoe-ding van schade, de door de verzekerde geleden schade niet te boven mag gaan.

Anderzijds wordt, krachtens artikel 1, B, a), van dezelfde wet, onder verzekerde bij schadeverzekering verstaan de persoon die door de verzekering is gedekt tegen vermogensschade.

Luidens artikel 1165 Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; ze brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121.

Uit die bepalingen volgt dat de brandverzekering die een mede-eigenaar van een onverdeeld goed in eigen naam heeft gesloten, in de regel slechts zijn aandeel in de eigendom dekt en niet strekt ten voordele van de overige mede-eigenaars, ten-zij uit de verzekering blijkt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft ge-handeld.

Het arrest stelt vast dat niet wordt betwist dat "[de verweerder] (hierna ‘de verze-kerde') [slechts tot] beloop van de onverdeelde helft eigenaar was van het geteis-terde gebouw [...], alsook van de inboedel, waarbij de andere helft behoorde aan zijn uit de echt gescheiden echtgenote, die niet in de zaak betrokken is" en dat "niet [wordt] betwist dat [de verweerder] in onverdeeldheid is gebleven met zijn ex-echtgenote en dat de vereffenings- en verdelingsverrichtingen thans nog niet zijn beëindigd".

Het vermeldt dat de verzekeringsovereenkomst uitsluitend door verweerder werd gesloten op 21 oktober 2004, dus, volgens de vaststellingen van het beroepen vonnis die het arrest overneemt, na de overschrijving van de echtscheiding van de betrokkenen en dat de verzekeringsvragenlijst "geen melding maakt [...] van de onverdeeldheid van het pand tussen de verzekerde en zijn ex-echtgenote".

Het overweegt dat "de betrokkenen [...] dus, na de overschrijving van hun echt-scheiding, onder toepassing van het gewone stelsel van mede-eigendom [vallen]" dat krachtens artikel 577-2 Burgerlijk Wetboek, elke mede-eigenaar "daden van voorlopig beheer en daden tot behoud van het goed alleen kan verrichten" en dat "de omstandigheid dat [de verweerder] de verzekeringsovereenkomst ‘Brand Multirisk 2003 Woning' heeft gesloten, [...] voor hem een daad van voorlopig be-heer van een onverdeeld goed [is]".

Uit die vermeldingen volgt niet dat de verweerder gehandeld heeft voor rekening van zijn ex-echtgenote.

Het arrest dat de eiseres veroordeelt om aan de verweerder een vergoeding te betalen tot herstel van de gehele brandschade, breidt het voordeel van verzekeringsovereenkomst uit naar een derde bij die overeenkomst, kent een vergoeding toe die hoger is dan de schade van de verweerder, en schendt bijgevolg de artikelen 1165 Burgerlijk Wetboek, 1, B, a), en 39 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dat het bedrag van 125.000 euro in hoofdsom, op welk bedrag het de schade vaststelt, niet terugbrengt tot beloop van verweerders eigen recht op de verzekerde zaak, en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terecht-zitting van 25 april 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onverdeeld goed

  • Brandverzekering

  • In eigen naam gesloten door een mede-eigenaar

  • Voorwerp van de dekking