- Arrest van 29 april 2013

29/04/2013 - S.10.0116.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op vergoeding wegens willekeurige afdanking ontstaat en wordt bepaald op het ogenblik van de kennisgeving van de wil van de werkgever om de overeenkomst te beëindigen en kan buiten het geval dat het ontslag met instemming van de werknemer ongedaan wordt gemaakt niet worden beïnvloed door een latere gebeurtenis; voor het bestaan van willekeurig ontslag is aldus niet vereist dat de werknemer zich bij het ontslag niet heeft neergelegd noch dat hij de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft nagestreefd en zich voor een voortzetting van de arbeidsrelatie heeft aangeboden (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0116.N

S.T.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

1. P.B., als vereffenaar van DRY EYCKEN bvba,

verweerder,

2. PROMAT bvba, met zetel te 2230 Herselt, Drie Eikenstraat 20,

verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 18 maart 2008.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 5 april 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Tweede subonderdeel

1. Krachtens artikel 63, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet wordt, voor de toepassing van dit artikel, onder willekeurige afdanking verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen ver-band houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

2. Het recht op vergoeding wegens willekeurige afdanking ontstaat en wordt bepaald op het ogenblik van de kennisgeving van de wil van de werkgever om de overeenkomst te beëindigen en kan, buiten het geval dat het ontslag met de in-stemming van de werknemer ongedaan wordt gemaakt, niet worden beïnvloed door een latere gebeurtenis.

Of een afdanking al dan niet willekeurig is, moet zodoende worden beoordeeld op het tijdstip waarop het ontslag is gegeven, dit is op het ogenblik van de kennisge-ving van de wil van de werkgever om de overeenkomst te beëindigen.

Voor het bestaan van willekeurig ontslag is aldus niet vereist dat de werknemer zich bij het ontslag niet heeft neergelegd, noch dat hij de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft nagestreefd en zich voor een voortzetting van de arbeidsrelatie heeft aangeboden.

3. Het arrest stelt vast en oordeelt dat:

- de eiseres op 26 maart 1999 als arbeidster in dienst is getreden van Dry Eycken bvba met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

- Dry Eycken bvba bij overeenkomst van 25 april 2005 haar handelsfonds met ingang van 1 oktober 2005 heeft overgedragen aan de zaakvoerders van de verweerster;

- Dry Eycken bvba de arbeidsovereenkomst van de eiseres met aangetekende brief van 31 augustus 2005 heeft beëindigd met inachtneming van een opzeg-termijn van 42 dagen, maar niet is betwist dat de tussen deze partijen bestaande arbeidsovereenkomst op 18 september 2005 is beëindigd;

- erover geen twijfel kan bestaan dat tussen Dry Eycken bvba en de verweerster een overgang van onderneming ingevolge overeenkomst heeft plaatsgehad in de zin van artikel 1, 1°, CAO nr. 32bis;

- het ontslag van de eiseres duidelijk en ondubbelzinnig omwille van de over-dracht van onderneming werd gegeven en aldus in strijd is met het in artikel 9 CAO nr. 32bis opgenomen ontslagverbod;

- de eiseres zich hierdoor kan beroepen op de onwettigheid van het ontslag.

Het arrest oordeelt vervolgens dat er geen sprake kan zijn van willekeurig ontslag, zodat de eiseres geen recht heeft op de in artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde vergoeding, op grond dat:

- niet blijkt en door de eiseres evenmin wordt ingeroepen dat zij zich bij de ver-weerster heeft aangeboden voor de verdere uitvoering van haar ar-beidsovereenkomst en de verweerster hieraan geen gevolg zou hebben gegeven;

- geen enkel element in het dossier bijgevolg toelaat te besluiten dat de eiseres heeft geopteerd voor een voortzetting van de arbeidsrelatie bij de verweerster;

- uit het geheel van de voorgebrachte elementen aldus blijkt dat de eiseres de verdere uitvoering van haar arbeidsovereenkomst niet heeft benaarstigd, maar integendeel het door Dry Eycken bvba gegeven ontslag heeft aanvaard.

4. De appelrechters laten hun oordeel dat het ontslag niet willekeurig is aldus steunen op de omstandigheid dat de eiseres zich bij haar ontslag heeft neergelegd en de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet heeft nagestreefd. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het subonderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

5. Artikel 9 CAO nr. 32bis bepaalt: "De wijziging van de werkgever vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag.

De werknemers, die veranderen van werkgever, kunnen nochtans ontslagen wor-den om een dringende reden of om economische, technische of organisatorische redenen, die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen."

Deze bepaling is de omzetting van artikel 4.1 Richtlijn 2001/23/EG dat bepaalt dat de overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging voor de vervreemder of de verkrijger op zichzelf geen reden tot ontslag vormt, maar dat deze bepaling geen beletsel vormt voor ontslagen om eco-nomische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werk-gelegenheid met zich brengen.

6. Het ontslag dat gegeven wordt in strijd met het in artikel 4.1 Richtlijn 2001/23/EG en artikel 9 CAO nr. 32bis bepaalde ontslagverbod, berust niet op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst in de zin van artikel 63, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet.

Het arrest dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Alain Smetryns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 29 april 2013 uitgesproken door raadsheer Alain Smetryns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman A. Lievens

G. Jocqué K. Mestdagh A. Smetryns

Vrije woorden

  • Werklieden

  • Willekeurige afdanking

  • Beoordeling

  • Tijdstip