- Arrest van 29 april 2013

29/04/2013 - S.11.0094.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Arbeidsongevallenwet blijkt dat die bepaling ertoe strekt het basisloon van personen die een rust- of overlevingspensioen of een gelijksoortige uitkering genieten te beperken tot de in de pensioenreglementering bepaalde inkomensgrenzen voor toegelaten arbeid maar dit niet belet dat binnen die grenzen het basisloon voor een volledig jaar moet worden vastgesteld; deze bepaling beperkt aldus de toepassing van de regels die in de artikelen 34, 35 en 36 voor de berekening van het basisloon zijn bepaald maar sluit de toepassing van die bepalingen in het erin genoemde geval niet uit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0094.N

KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Prof. Roger Van Overstraetenplein 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

A.Q.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 17 januari 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 34, eerste lid, Arbeidsongevallenwet wordt onder basis-loon verstaan het loon waarop de werknemer, in de functie waarin hij is tewerkge-steld in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, recht heeft voor de peri-ode van het jaar dat het ongeval voorafgaat.

Volgens de hier toepasselijke versie van het tweede lid van dit artikel is de refer-teperiode maar volledig wanneer de werknemer gedurende het ganse jaar arbeid heeft verricht overeenkomstig de arbeidstijdregeling die krachtens wet of gebruik in de onderneming geldt als voltijdse arbeidstijdregeling.

De hier toepasselijke versie van artikel 36, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat wanneer de referteperiode zoals bepaald bij artikel 34, tweede lid, on-volledig is of wanneer het loon van de werknemer wegens toevallige omstandig-heden lager is dan het loon dat hij normaal verdient, het loon waarop de werkne-mer recht heeft wordt aangevuld met een hypothetisch loon voor de dagen, buiten de rusttijden, waarop de werknemer geen loon ontving.

Krachtens de hier toepasselijke versie van artikel 36, § 2, Arbeidsongevallenwet wordt, wanneer de werknemer op het ogenblik van het ongeval sedert minder dan één jaar arbeidt in de onderneming of in de functie waarin hij is tewerkgesteld, voor de periode die voorafgaat het hypothetisch loon berekend op het gemiddeld dagelijks loon van de werknemers met dezelfde beroepskwalificatie.

2. Artikel 37, eerste lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt: "Wanneer de getroffene krachtens een sociaal zekerheids- of sociaal voorzorgsstelsel uitkeringen geniet die slechts toegekend worden op voorwaarde dat de wettelijk vastgestelde perken van toegelaten arbeid voor gepensioneerden niet worden overschreden, wordt het basisloon vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is ingevolge het verrichten van toegelaten arbeid."

3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat die bepaling ertoe strekt het basisloon van personen die een rust- of overlevingspensioen of een gelijksoortige uitkering ge-nieten te beperken tot de in de pensioenreglementering bepaalde inkomensgrenzen voor toegelaten arbeid, maar dit niet belet dat binnen die grenzen het basisloon voor een volledig jaar moet worden vastgesteld.

Artikel 37, eerste lid, Arbeidsongevallenwet beperkt aldus de toepassing van de regels die in de artikelen 34, 35 en 36 voor de berekening van het basisloon zijn bepaald, maar sluit de toepassing van die bepalingen in het erin genoemde geval niet uit.

4. Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de toepassing van artikel 37 Ar-beidsongevallenwet de toepassing van de in de artikelen 34, tweede lid, en 36, § 2, bepaalde regelen voor het berekenen van het basisloon volledig uitsluit, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het arrest stelt vast dat de verweerder die een rustpensioen geniet en toege-laten arbeid verrichtte als seizoenarbeider in de fruitpluk, op 4 september 2000 in dienst trad en heeft gewerkt op 4 en 5 september 2000, dag waarop het arbeidson-geval plaatsvond.

6. Op grond van de vaststelling dat het arbeidsongeval zich voordeed op de tweede arbeidsdag, oordeelt het naar recht dat de referteperiode onvolledig is en het basisloon overeenkomstig artikel 36, § 2, Arbeidsongevallenwet moet worden aangevuld met een voor de periode die voorafgaat berekend hypothetisch loon, desgevallend te beperken tot het grensbedrag voor de toegelaten arbeid voor ge-pensioneerden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 299,64 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Alain Smetryns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 29 april 2013 uitgesproken door raadsheer Alain Smetryns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman A. Lievens

G. Jocqué K. Mestdagh A. Smetryns

Vrije woorden

  • Uitkeringsgerechtigde

  • Berekening