- Arrest van 30 april 2013

30/04/2013 - P.12.1133.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een persoon kan zich slechts beroepen op het recht op bijstand van een advocaat, wanneer hij verhoord wordt over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd; hieruit volgt dat dit recht op bijstand, net als de cautieplicht, het zwijgrecht en de regel dat niemand verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen, waarmee het recht op bijstand verbonden is, enkel geldt in personam zodat een verdachte zich bijgevolg niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen afgelegd lastens hem door een persoon die voor hem slechts een getuige is, tenzij deze persoon bij zijn verhoor van diezelfde rechten diende te genieten en op grond van de miskenning ervan de afgelegde belastende verklaringen intrekt (1). (1) Zie: Cass. 29 nov. 2011, AR P.11.0113.N, AC 2011, nr. 651 met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 5 sept. 2012, AR P.12.0418.F, AC 2012, nr. 447; Cass. 6 nov. 2012, AR P.12.0846.N, AC 2012, nr. 597; Cass. 26 maart 2013, AR P.12.0145.N, AC 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1133.N

I.

1. D R R G,

beklaagde,

2. TOMIDI CONSULTING nv, met zetel te 8450 Bredene, Driftweg 139,

beklaagde,

3. TAVA nv in ontbinding, met zetel te 8400 Oostende, Hendrik Baelskaai 39, met als vereffenaar Dirk Gunst, wonende te 8450 Bredene, Driftweg 139,

beklaagde,

eisers,

met als raadslieden mr. Luc Arnou en mr. Patrick Content, advocaten bij de balie te Brugge,

tegen

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING nv, met zetel te 1000 BA Am-sterdam (Nederland), Postbus 1000, Spaklerweg 4,

burgerlijke partij,

verweerster.

II.

1. F G A V,

beklaagde,

2. V F bvba,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 mei 2012.

De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. De eisers I en II zijn geheel of ten dele vrijgesproken voor verscheidene te-lastleggingen.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn hun cassatieberoepen niet ontvanke-lijk.

Middel van de eisers I

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c) EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verklaringen die de eiser I.1 in zijn verhoren door de politie heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat en zonder te zijn gewezen op zijn zwijgrecht en zijn recht op bijstand van een advocaat, zijn recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces niet onherstelbaar miskennen; het arrest gebruikt deze verklaringen als steunbewijs voor de veroordeling van de eiser I.1; zulke verklaringen mogen in het geheel niet tegen de beklaagde worden gebruikt; bovendien is de schending van eisers vermelde rechten onherroepelijk en kan zij niet rechtgezet worden in een later stadium van de procedure; anders dan het arrest stelt, moet de verdachte op ondubbelzinnige wijze kennis krijgen van zijn zwijgrecht en wordt dat recht niet verzekerd door de rechten waarover de ver-dachte beschikt krachtens artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing ten tijde van de verhoren; de omstandigheden dat de eiser in zijn eerste verhoren geen bekentenissen heeft afgelegd of dat hij tijdens zijn verhoren niet was aangehouden of gearresteerd, doet geen afbreuk aan de miskenning van zijn vermelde rechten; het arrest besluit ten onrechte niet tot de nietigheid van eisers verhoren na zijn eerste verhoren van 22 mei 2003 omdat hij intussen een advocaat kon raadplegen, terwijl de latere verhoren andere feiten betroffen dan de eerste verhoren, zodat hij niet op zinvolle wijze een advocaat kon raadplegen om zijn verhoor voor te bereiden; het arrest gebruikt eveneens ten onrechte de belastende verklaringen die de eiser II.1 als medebeklaagde aan de politie heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman en zonder naleving van de cautieplicht, als grondslag voor de veroordeling van de eisers.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verhoren van de eiser I.1 na 22 mei 2003 andere feiten betroffen dan zijn verhoren van die datum.

In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

4. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

5. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, wat onder meer het geval is wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat een verdachte bij zijn verhoor steeds bijstand moet hebben van een raadsman, faalt het naar recht.

6. Het arrest stelt vast en oordeelt onder meer dat:

- de eiser I.1 voorafgaand aan zijn eerste verhoor door de onderzoekers in kennis werd gesteld van de bepalingen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en hem een kopie van zijn verklaringen werd overhandigd;

- de eiser I.1 de mogelijkheid heeft gekregen om aanvullingen of rectificaties aan te brengen aan eerdere verhoren;

- de eiser I.1 in zijn eerste drie verhoren door de onderzoekers op 22 mei 2003 geen verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de bewezen verklaarde te-lastleggingen, die voor hem bezwarend zijn en die niet blijken uit de voorlig-gende stukken, dan wel uit de verklaringen van de andere personen die in het dossier werden gehoord;

- het eerstvolgende verhoor dat door de onderzoekers van de eiser I.1 werd afge-nomen, dateert van 17 juni 2003, zodat hij intussen ruimschoots de mogelijk-heid heeft gehad een raadsman te consulteren om met deze te overleggen;

- de eiser I.1 vóór of tijdens zijn verhoor door de onderzoekers op geen enkel ogenblik te kennen heeft gegeven de bijstand van een raadsman te verlangen of pas verklaringen te willen afleggen na consultatie van een raadsman;

- de eiser I.1 nooit is opgepakt of aangehouden geweest, doch werd uitgenodigd op de burelen van de onderzoekers om ondervraagd te worden naar aanleiding van anonieme informatie in verband met mogelijke corruptie door hemzelf;

- de verklaringen door de eiser I.1 afgelegd vanaf 17 juni 2003 geen zodanige impact kunnen gehad hebben op het verloop van het strafproces dat dit geen eerlijk karakter meer zou vertonen.

7. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eiser I.1 zich ter gelegen-heid van zijn verhoren niet in een bijzonder kwetsbare positie bevond en oordeelt het dat zijn verhoren zonder bijstand van een advocaat en zonder het vervullen van de cautieplicht, zijn recht op een eerlijk proces niet ernstig in het gedrang hebben gebracht en zijn recht van verdediging niet hebben belemmerd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

8. Een persoon kan zich slechts beroepen op het recht op bijstand van een ad-vocaat, wanneer hij verhoord wordt over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd. Daaruit volgt dat dit recht op bijstand, net als de cautieplicht, het zwijgrecht en de regel dat niemand verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen, waarmee het recht op bijstand verbonden is, enkel geldt in personam.

Een verdachte kan zich bijgevolg niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een persoon die voor hem slechts een getuige is, tenzij deze persoon bij zijn verhoor van diezelfde rechten diende te genieten en op grond van de miskenning ervan de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Uit het antwoord op het eerste middel van de eisers II blijkt dat de veroordeling van de eiser II.1 kan gegrond worden op de verklaringen die hijzelf aan de politie heeft afgelegd. Bijgevolg kan ook de veroordeling van de eisers op die verklaringen gegrond worden.

In zoverre kan het onderdeel evenmin niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c) EVRM en arti-kel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de bewijskracht van de beroepscon-clusie van de eiser I.1 en van de brief waarbij hij aan de procureur des Konings zijn beklag maakte over de houding van de verbalisanten V en M: het arrest oord-eelt dat de eiser I.1 slechts in algemene termen en zonder concreet toe te lichten of, hoe, in welk opzicht of in welke mate zijn rechten van verdediging zouden zijn aangetast, aanvoert dat artikel 6 EVRM is miskend door een gebrek aan bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoren door de politie en dat de zonder bijstand afgelegde verklaringen van hemzelf of de eiser II.1 niet als bewijs voor een ver-oordeling kunnen gebruikt worden; de eiser I.1 heeft echter in zijn conclusie en met de bovenvermelde brief wel degelijk de miskenning concreet aangetoond met verwijzing naar de houding van de verbalisanten; door niet te antwoorden op dat verweer schendt het arrest tevens de motiveringsplicht; door de concrete schen-dingsgronden te negeren schendt het arrest ook artikel 6.1 en 6.3.c) EVRM.

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I.1 zich voor de appelrechters heeft beklaagd over de houding van de verbalisan-ten tegenover de eiser II.1.

In zoverre is het onderdeel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

12. Met de enkele verwijzing naar de brief aan de procureur des Konings, zon-der de inhoud van die brief zelf over te nemen en toe te lichten, bevat eisers con-clusie geen concreet verweer waaruit hij een rechtsgevolg afleidt. Het arrest dient bijgevolg de inhoud van die brief niet te beantwoorden.

In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.

13. Verder geeft het arrest geen uitlegging van eisers brief aan de procureur des Koning. Het kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

14. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, heeft de eiser I.1 uit het in zijn beroepsconclusie aangevoerde verweer dat zijn recht van verdediging des te meer was miskend door de agressieve houding van verbalisant V, geen rechtsgevolg af-geleid met betrekking tot het gebrek aan bijstand van een advocaat ter gelegen-heid van zijn verhoren door de politie.

Met het in het onderdeel weergegeven oordeel geeft het arrest bijgevolg aan de bewoordingen van eisers beroepsconclusie een uitlegging die met de bewoordin-gen ervan niet onverenigbaar is. Evenmin schendt het met dat oordeel artikel 6.1 en 6.3.c) EVRM.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eisers II

15. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest miskent ei-sers' recht op een eerlijk proces doordat het de verklaringen die de eiser II.1 en de eiser I.1 als medebeklaagde aan de politie hebben afgelegd zonder bijstand van een advocaat, als steunbewijs voor eisers' veroordeling gebruikt, terwijl de ver-oordeling in geen enkele mate mag gesteund zijn op zulke verklaringen; daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de redengeving van het arrest (ro 1.5 en 1.6).

16. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het middel van de eisers I, moet een verdachte bij zijn verhoor enkel bijstand hebben van een advo-caat in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

17. Het arrest stelt vast en oordeelt onder meer dat:

- de eiser II.1 voorafgaand aan elk verhoor door de onderzoekers in kennis werd gesteld van de bepalingen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en hem een kopie van zijn verklaringen werd overhandigd;

- de eiser II.1 de mogelijkheid werd gegeven om aanvullingen of rectificaties aan te brengen aan eerdere verhoren, waarop hij nooit is ingegaan;

- de eiser II.1 nooit werd aangehouden zodat hij ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad hangende het opsporingsonderzoek een raadsman te consulteren;

- de eiser II.1 voorafgaand of tijdens zijn verhoor door de onderzoekers op geen enkel ogenblik te kennen heeft gegeven de bijstand van een raadsman te ver-langen of pas verklaringen te willen afleggen na consultatie van een raadsman;

- de eiser II.1 op 13 mei 2004 voor het eerst werd verhoord een jaar na de eerste verhoren van de eiser I.1, met wie hij bevriend was, die hij regelmatig zag en die hij volgens zijn eigen verklaring een week voor zijn eerste verhoor nog had gesproken;

- het ondenkbaar is dat de eiser I.1 de eiser II.1 niet zou hebben ingelicht van het hangende onderzoek, zodat de eiser II.1 toen hij werd uitgenodigd voor ver-hoor door de verbalisanten, kon vermoeden waarover dit handelde en vooraf-gaandelijk een raadsman kon consulteren;

- de eiser II.1 voor zijn later afgenomen verhoren de mogelijkheid had zijn raadsman te contacteren en met deze te overleggen.

18. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eiser I.1 zich ter gelegen-heid van zijn verhoren niet in een bijzonder kwetsbare positie bevond en oordeelt het dat zijn verhoren zonder bijstand van een advocaat zijn recht op een eerlijk proces niet ernstig in het gedrang hebben gebracht en zijn recht van verdediging niet hebben belemmerd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

19. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel van de ei-sers I blijkt dat een verdachte zich niet kan beroepen op de miskenning van het recht op bijstand, de cautieplicht, het zwijgrecht en de regel dat niemand verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen met betrekking tot de belastende verklarin-gen, afgelegd lastens hem door een persoon die voor hem slechts een getuige is, tenzij deze persoon bij zijn verhoor van diezelfde rechten diende te genieten en op grond van de miskenning ervan de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

20. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel van de ei-sers I blijkt dat de veroordeling van de eiser I.1 kan gegrond worden op de verkla-ringen die hijzelf aan de politie heeft afgelegd. Bijgevolg kan ook de veroordeling van de eisers op die verklaringen gegrond worden.

In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers II

21. Het middel voert schending aan van artikel 14.3.g IVBPR en artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat het zwijgrecht afdoende gevrijwaard wordt doordat de verdachte op grond van artikel 47bis Wetboek van Strafvorde-ring, zoals van toepassing ten tijde van de verhoren, voorafgaandelijk aan zijn po-litieverhoor verplichtend wordt gewezen op het feit dat zijn verklaringen als be-wijs in rechte kunnen worden gebruikt.

22. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het eerste middel van de eisers I en kan om dezelfde reden niet worden aangenomen.

Derde middel van de eisers II

23. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 246, § 2, Strafwetboek van toepassing is in zijn interpretatie volgens artikel 3 van de interpretatieve wet van 11 mei 2007, in werking getreden op 8 juni 2007, op grond waarvan onder het woord "voorstellen aan een persoon die een open-baar ambt uitoefent van een aanbod, belofte of voordeel" ook wordt verstaan het "toekennen" aan zulke persoon van zulk aanbod, belofte of voordeel; ten tijde van de feiten, die voorafgaan aan de interpretatieve wet, was degene die enkel inging op een verzoek van een ambtenaar om een voordeel te krijgen teneinde een in ar-tikel 247 Strafwetboek bedoelde gedraging aan te nemen, niet strafbaar; de inter-pretatieve wet breidt de strafbaarstelling van artikel 246, § 2, Strafwetboek retro-actief uit en is in strijd met de toegankelijkheid en de voorzienbaarheid van de strafwet.

De eisers vragen het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grond-wettelijk Hof:

"Schendt het artikel 246, § 2, van het Strafwetboek, zoals dit dient toegepast te worden ingevolge artikel 3 van de Wet van 11 mei 2007, het legaliteitsbeginsel en het non-retraoactiviteitsbeginsel in strafzaken, zoals weergegeven in de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, doordat diegene die vóór 8 juni 2007 (da-tum van de inwerkingtreding van artikel 3 van de Wet van 11 mei 2007) enkel in-ging op de vraag of de eis van een persoon die een openbaar ambt uitoefent, om hem een in artikel 246, § 2, van het Strafwetboek bedoeld aanbod, belofte of voordeel te geven, én dit zonder dat hij voorafgaandelijk daaraan enig voorstel daartoe geformuleerd had, toch strafbaar zou zijn overeenkomstig artikel 246, § 2, van het Strafwetboek, terwijl deze wetsbepaling zelf nochtans het voorstellen van het bedoelde aanbod, belofte of voordeel, vermeldt als een vereiste voorwaarde voor strafbaarheid?"

24. Het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastleggingen A.1 tot A.4 (actieve omkoping) en C.1 tot C.4 (valsheid in geschriften) en veroordeelt hen wegens eenheid van opzet tot één straf. Het middel betreft enkel de schuldigver-klaring van de eisers aan de telastleggingen A.1 tot A.4.

25. Het arrest oordeelt dat de facturen die het voorwerp zijn van de telastleggin-gen C.1 tot C.4 vals zijn daar ze betrekking hebben op fictieve prestaties die enkel kunnen aangezien worden als steekpenningen van de eiseres II.2 ten gunste van de leidend ambtenaar van de eiseres I.2 en van de eiser I.1. Het arrest oordeelt bijge-volg dat die telastleggingen autonoom bewezen zijn, ongeacht de schuld van de eisers aan de telastleggingen A.1 tot A.4.

Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het arrest bijgevolg niet dat die telastleggingen onlosmakelijk verbonden zijn met de telastleggingen A1 tot A4 en dat ze het ene misdrijf hebben aangezien als een middel om het andere misdrijf te realiseren.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

26. Evenmin blijkt dat de appelrechters de straftoemeting specifiek hebben ge-steund op de schuldigverklaring van de eisers voor de telastleggingen A.1 tot A.4.

In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.

27. Wanneer wegens verscheidene misdrijven één straf is uitgesproken, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk, de vordering tot vernietiging van de beslis-sing op de strafvordering die gegrond is op een middel dat enkel betrekking heeft op één van die misdrijven, terwijl de uitgesproken straf naar recht verantwoord blijft door een ander misdrijf, in dit geval de misdrijven vermeld onder de telast-leggingen C.1 tot C.4. Hieraan doet geen afbreuk de omstandigheid dat de gevol-gen van de schuldigverklaring van het ene misdrijf de eisers zwaarder treffen dan de gevolgen van de schuldigverklaring voor het andere misdrijf.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

28. Vermits het middel niet ontvankelijk is om redenen die niet ontleend zijn aan normen die het onderwerp uitmaken van de voorgestelde prejudiciële vraag, wordt deze niet gesteld.

Vierde middel van de eisers II

29. Het middel voert schending aan van artikel 246, § 2, Strafwetboek: het ar-rest neemt ten onrechte aan dat de eiseres I.2 een persoon was die een openbaar ambt uitoefende in de zin van dat artikel; een persoon oefent enkel een openbaar ambt uit wanneer hij door zijn werk of taak ertoe bijdraagt in een collectieve be-hoefte te voorzien; de persoon die in opdracht van een gemeente de uitvoering van een werk voor deze gemeente controleert, oefent geen openbaar ambt uit.

30. Om de redenen die blijken uit het antwoord op het derde middel, blijft de opgelegde straf verantwoord door de schuldigverklaring van de eisers aan de te-lastleggingen C.1 tot C.4.

Bijgevolg is het middel dat enkel de telastleggingen A.1 tot A.4 betreft, niet ont-vankelijk.

Vijfde middel van de eisers II

31. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet:

- het arrest beantwoordt niet eisers' aanbod tot deskundigenonderzoek ter stav-ing van de waarachtigheid van de werkzaamheden van de eiser I.1 met betrek-king tot het verbeteren van de veiligheidsuitrusting van de werkplaatsen van de eiseres II.2, noch op hun verweer dat de eiser I.1 minstens eenmaal ter plaatse was op de werf te Sint-Katelijne-Waver (eerste onderdeel);

- bij het beoordelen van het fictieve karakter van de facturen, beantwoordt het arrest niet eisers' verweer dat het louter toeval is dat het uittreksel van de fi-nanciële rekening van de eiseres II.2 waaruit de eerste storting van de gemeente Assenede bleek, dateert van dezelfde dag als de eerste twee facturen van de eiseres II.3 (tweede onderdeel);

- door te oordelen dat het fictieve karakter van de factuur wordt bewezen door het ontbreken van enige schets of schriftelijk advies van de eiser I.1 en door het factureren door de eiseres III.3 op dezelfde dag als de kennisname van de eerste storting van de gemeente Assenede, beantwoordt het arrest niet eisers' verweer dat uit het ontbreken van enige schets of schriftelijk advies niet kan afgeleid worden dat het zou gaan om een fictieve factuur en dat het versturen van de factuur op de dag van de kennisname van de geldstorting door de ge-meente Assenede op toeval berust (derde onderdeel);

- door zich te baseren op de tegenstrijdigheid in de verklaringen tussen de eiser II.1 en de eiser I.1 over het al dan niet bestaan van schetsen om de stukken voor de beveiliging van de machines te kunnen maken, beantwoordt het arrest niet het verweer van de eisers dat die schetsen slechts niet-bewaarde werktekeningen en geen schriftelijke verslagen of plannen waren (vierde onderdeel);

- het arrest beantwoordt niet eisers' verweer dat de aannemer die de eiser I.1 op de werf V W heeft gezien en binnengelaten niet werd ondervraagd, noch op hun aanbod tot het horen van die aannemer (vijfde onderdeel);

- door te oordelen dat het fictieve karakter van bepaalde facturen wordt bewezen door de omstandigheid dat zij betrekking hebben op prestaties die dateren van vóór het arbeidsongeval bij de eiseres II.2, beantwoordt het arrest niet eisers' verweer dat het niet abnormaal is dat de eiser II.1 zich na geruime tijd van tijdsperiode heeft vergist, wat trouwens ook het geval was bij andere getuigen, en dat er ook vóór het arbeidsongeval reeds sprake was van een behoorlijke tijdsnood van de eisers (zesde onderdeel);

- het arrest antwoordt niet op eisers' verweer dat, zelfs al zou de eiser I.1 bepaalde of alle gefactureerde prestaties niet hebben geleverd, dit evenzeer kan betekenen dat hij de eisers om de tuin heeft geleid en zij dus onverschuldigde betalingen hebben verricht, maar dat er niet uit kan besloten worden dat er sprake was van omkoping (zevende onderdeel);

- door de schuld van de eisers af te leiden uit de omstandigheid dat de eiser II.1 verklaarde dat hij de eiser I.1 de opdracht gaf aanwezig te zijn bij de opening van de offertes terwijl gebleken is dat de eiser II.1 daar zelf aanwezig was, be-antwoordt het arrest niet eisers' verweer dat de omstandigheid dat de eiser II.1 bij de opening van de offertes aanwezig was, niet betekent dat de eiser I.1 niet de voorbereiding van het dossier zou gedaan hebben (achtste onderdeel);

- door de schuld van de eisers af te leiden uit de omstandigheid dat de eiser I.1 verkeerde informatie gaf over de plaatselijke gesteldheid van de molen, beant-woordt het arrest niet het door de eisers aangehaalde verweer van de eiser I.1 en hun verweer dat, wanneer de eiser I.1 in werkelijkheid misschien minder werk heeft verricht dan hij aan de eisers meedeelde en aanrekende, dit niet be-tekent dat de eisers de eiser I.1 zouden hebben omgekocht (negende onder-deel);

- door de schuld van de eisers af te leiden uit de omstandigheid dat de eiser I.1 niet wist dat er een restaurant bij de molen was, beantwoordt het arrest niet het door de eisers aangehaalde verweer van de eiser I.1 en hun verweer dat, wan-neer de eiser I.1 aan de eisers zaken zou hebben aangerekend die hij niet heeft gepresteerd, dit geenszins bewijst dat er sprake is van omkoping (tiende onder-deel);

- het arrest antwoordt niet op eisers' verweer dat het totaalbedrag van de vier facturen geen effen bedrag was, er op de facturen BTW diende betaald te worden, de inkomsten werden aangegeven aan de fiscus en er geen reden was om de bedragen in vier verschillende facturen te gaan opdelen, wat erop wijst dat er hier geen sprake is van omkoping (elfde onderdeel);

32. Met de redenen die het bevat, vermeldt het arrest (p. 46 tot 53) de grondslag voor de schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen A.1 tot A.4 en C.1 tot C.4 en beantwoordt het hun verweer.

De redenen voor die schuldigverklaring houden geen verband met het voorwerp van het door de eisers in het eerste en vijfde onderdeel geformuleerde bewijsaan-bod. Bijgevolg was dat bewijsaanbod niet dienend en dienden de appelrechters er niet meer op te antwoorden.

In zoverre kunnen het eerste en het vijfde onderdeel niet worden aangenomen.

33. Met het overige in de onderdelen vermelde verweer hebben de eisers geen zelfstandig verweer beoogd, maar slechts argumenten aangevoerd tot staving van hun verweer dat de onder de telastleggingen C.1 tot C.4 vermelde facturen niet fictief en dus niet vals waren en geen middel waren om de in de telastleggingen A.1 tot A.4 vermelde omkoping te realiseren. De appelrechters dienden die argu-menten niet afzonderlijk te beantwoorden.

In zoverre kunnen de onderdelen voor het overige evenmin worden aangenomen.

Zesde middel van de eisers II

34. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, Probatiewet: het arrest stelt een "buitensporige" overschrijding van de redelijke termijn vast en oordeelt dat dit een gevolg moet hebben wat de sanctie betreft; niettemin verhoogt het arrest op ernstige wijze en zonder bijzondere motivering de aan de eisers opgelegde effec-tieve geldboeten, onder meer door het niet langer toekennen van het door de eerste rechter verleende uitstel van tenuitvoerlegging; het arrest compenseert de als "buitensporig" aangemerkte overschrijding van de redelijke termijn dus niet en motiveert onvoldoende de aan de eisers opgelegde bestraffing en het niet verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging.

35. Het arrest oordeelt dat de eisers terecht inroepen dat de behandeling van de zaak een buitensporige vertraging heeft opgelopen, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Hierdoor stelt het geen "buitensporige" overschrijding van de re-delijke termijn vast.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

36. Het arrest verlaagt de aan de eiser II.1 opgelegde hoofdgevangenisstraf en de aan de eiseres II.2 opgelegde geldboete.

In zoverre het middel aanvoert dat het arrest de eisers een zwaardere bestraffing oplegt dan het beroepen vonnis, mist het evenzeer feitelijke grondslag.

37. Wanneer de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, kan hij een passend rechtsherstel verlenen onder meer door een straf uit te spreken die bij wet is bepaald, maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld. Geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling verplicht hem echter de aldus opgelegde straf te motiveren door ze te vergelijken met de in eer-ste aanleg opgelegde straf waardoor hij niet gebonden is, of verbiedt hem een zwaardere straf uit te spreken dan deze die de eerste rechter heeft uitgesproken .

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

38. Voor het overige oordeelt de rechter onaantastbaar in feite welk gevolg moet verbonden worden aan het overschrijden van de redelijke termijn.

In zoverre het middel opkomt tegen dat oordeel, is het niet ontvankelijk.

39. Het arrest bepaalt de strafmaat met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het te kennen geeft dat, zonder die overschrijding, het een zwaardere straf zou uitspreken. Aldus bepaalt het arrest op reële en meet-bare wijze een lagere straf.

40. Met de redenen die het bevat, bepaalt het arrest (p. 76-78) overeenkomstig de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, de keuze en de maat van de aan de eisers opgelegde straffen, zonder dat het de redenen dient op te geven waarom het de geldboete voor de eiser II.1 verzwaart en geen uitstel van tenuitvoerlegging verleent voor de aan de eisers opgelegde straffen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

41. De eisers hebben de appelrechters niet verzocht uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen voor de uit te spreken straffen. Bijgevolg dient het arrest niet nader te motiveren waarom het geen uitstel verleent.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

42. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 357,40 euro waarvan de eisers I en II elk 178,40 euro verschuldigd zijn.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch G. Jocqué P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 30 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Recht van verdediging

  • Recht op bijstand van advocaat

  • Cautieplicht

  • Zwijgrecht

  • Draagwijdte

  • Persoon die belastende verklaringen aflegt over een derde

  • Toepasselijkheid

  • Uitzondering