- Arrest van 30 april 2013

30/04/2013 - P.12.1290.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 6.1 EVRM sluit niet uit dat bij de beoordeling van de redelijke termijn de houding van medebeklaagden in aanmerking wordt genomen in zoverre deze de rechterlijke overheid ertoe noopt de verdere behandeling van de zaak te vertragen of uit te stellen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1290.N

I

W G C V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge,

II

W M A C V D B,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Eline Tritsmans, beiden advocaten bij de balie te Gent,

tegen

1. A V G,

burgerlijke partij,

2. W V G,

burgerlijke partij,

verweerders,

III

V V nv,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer van 24 mei 2012.

In memories die aan dit arrest worden gevoegd, voert de eiser I twee middelen, de eiser II drie middelen en de eiseres III een middel aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest ontslaat de eisers van rechtsvervolging:

- de eiser I voor de telastleggingen B en F,

- de eiser II voor de telastleggingen D en E,

- de eiseres III voor de telastleggingen B en F.

Het verklaart de vordering van de verweerders II.1 en II.2 ontvankelijk doch on-gegrond en zegt dat zij zelf de kosten van hun stelling zullen dragen.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middelen van de eiser I

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt eisers verweer niet dat zijn recht op een eerlijk proces werd miskend door de niet-naleving van de cautieplicht.

3. Met de redenen die het bevat (r.o. 5.9), stelt het arrest vast dat de eiser geen zelf-beschuldigende verklaringen heeft afgelegd tijdens zijn vrijheidsberoving en dat hij toen hij in vrijheid werd gesteld, beschikte over daadwerkelijke bijstand van een advocaat. Op grond daarvan oordeelt het dat het eerlijke karakter van het proces is gevrijwaard gedurende het hele onderzoek en de procesgang. Aldus geeft het arrest te kennen dat het feit dat de eiser niet gewezen werd op zijn zwijgplicht, hem niet heeft geschaad en beantwoordt het het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest laat na de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken; nochtans is het volledi-ge strafproces aangetast wanneer de persoon die wordt vervolgd, verhoord wordt zonder bijstand van een advocaat en zonder dat hij gewezen wordt op zijn zwijg-recht.

5. De enkele omstandigheid dat een verdachte voorafgaand aan zijn verhoor niet werd geïnformeerd over zijn recht op bijstand van een advocaat en over zijn zwijgrecht en bij dat verhoor niet werd bijgestaan door een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uit-sluiting of niet-toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 14.1 en 14.3 IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat er geen reden is tot het uitsluiten van de verklaringen van de eisers I en II die voor hen niet zelf-belastend zijn en steunt bij de beoordeling van de schuld gedeeltelijk op die verklaringen, hoewel zij werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat en zonder naleving van de cautieplicht; verklaringen afgelegd zonder de bijstand van een advocaat leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of moeten minstens worden uitgesloten; wanneer de persoon die wordt vervolgd, wordt verhoord zonder bijstand van een advocaat en zonder dat voldaan is aan de cautieplicht, is het volledige strafproces aangetast.

7. In zoverre het onderdeel afgeleid is uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

8. Het arrest oordeelt dat:

- de eiser van zijn vrijheid werd beroofd op 4 juni 2003 om 9.50 uur;

- hij in vrijheid werd gesteld op 15 juli 2003;

- hij door de politie werd verhoord toen hij van zijn vrijheid was beroofd en zon-der dat hij de bijstand genoot van een advocaat;

- het geheel van wettelijke waarborgen die in het arrest (p. 17) worden opge-somd, in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn op de afwezig-heid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor;

- de eiser zowel voor de politie als voor de onderzoeksrechter steeds heeft be-twist dat hij betrokken was bij de ten laste gelegde feiten en hij ook in conclu-sie steeds heeft gesteld geen bekentenissen te hebben afgelegd;

- er geen sprake is van zelf-beschuldigende of impliciete zelf-belastende verkla-ringen in de verhoren afgenomen tijdens de vrijheidsberoving;

- hij na zijn invrijheidstelling over een advocaat beschikte maar zijn verklaring niet heeft gewijzigd en ook niet aanvoert dat zij waren afgelegd vanuit een on-juiste inschatting ten gevolge van een gebrek aan juridische kennis;

- de verklaringen die de eiser aflegde, voor hem niet belastend waren;

- uit niets kennelijk blijkt dat ten aanzien van de eiser misbruik of dwang is ge-bruikt en hij dat ook niet aanvoert, laat staan aannemelijk maakt;

- in zoverre de schuldigverklaring niet steunt op de verklaringen van de eiser, het middel geput uit de afwezigheid van bijstand van een advocaat, doelloos is.

9. Met die redenen beoordeelt het arrest welke de impact geweest is van de aangeklaagde gebreken bij eisers verhoren op zijn recht van verdediging en recht op een eerlijk proces en is de beslissing dat deze gedurende het hele onderzoek en de procesgang gevrijwaard zijn en dat er hier geen reden is tot het uitsluiten van eisers verklaringen als bewijsmiddel, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

10. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een beklaagde kan zich in beginsel niet beroe-pen op de miskenning van die rechten betreffende belastende verklaringen afge-legd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan in-roept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Uit het antwoord op het derde onderdeel van het tweede middel van de eiser II blijkt dat zijn veroordeling kan gegrond worden op de verklaringen die hijzelf aan de politie heeft afgelegd. Bijgevolg kan ook de veroordeling van de eiser I op die verklaringen gegrond worden.

In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden en houdt daarbij ook rekening met de procedurestappen die door de medebeklaagden wer-den gezet, terwijl alleen rekening mag worden gehouden met de concrete omstan-digheden eigen aan iedere beklaagde afzonderlijk.

13. Artikel 6.1 EVRM sluit niet uit dat bij de beoordeling van de redelijke ter-mijn de houding van medebeklaagden in aanmerking wordt genomen in zoverre deze de rechterlijke overheid ertoe noopt de verdere behandeling van de zaak te vertragen of uit te stellen.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden, hoewel het vaststelt dat de procedure verliep van 18 september 2009 tot 16 maart 2012, waarvan 18 maanden verstreken tussen het beroepen vonnis en het in beraad ne-men van de zaak door de appelrechters en zonder dat de zaak werd vertraagd door enige procedurestap uitgaande van de eiser.

15. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe de verstreken termijn eisers belangen heeft aangetast.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

16. In zoverre het onderdeel afgeleid is uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is evenmin ontvankelijk.

17. Met de redenen die het vermeldt (p.19 tot 22), oordeelt het arrest wettig dat de strafvervolging binnen een redelijke termijn is behandeld.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Middelen van de eiser II

Eerste middel

18. Het middel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: het arrest veroordeelt de eiser II voor de telastlegging C, dat niet aanhangig was gemaakt voor de appelrechters en waarvoor hij reeds definitief werd veroordeeld in het beroepen vonnis.

19. Wanneer een beklaagde vervolgd wordt wegens twee verschillende feiten en hij voor één feit werd vrijgesproken en voor een ander tot straf werd veroordeeld, draagt het tot de beslissing over één van die telastleggingen beperkt hoger beroep van het openbaar ministerie alleen de kennisneming van die beslissing aan de ap-pelrechters op.

20. De eiser werd gedagvaard voor de correctionele rechtbank te Veurne we-gens inbreuken op de Wet van 11 juli 1969 betreffend de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt (telastlegging C) alsmede voor diverse andere inbreuken (telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.5, D en E).

21. Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Veurne van 3 september 2010 werd de eiser II vrijgesproken voor wat betreft de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.5, D en E en veroordeeld uit hoofde van de feiten van de telastlegging C. De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering van de verweerders II.1 en II.2 ontvankelijk doch ongegrond.

22. Op 16 september 2010 tekenden de verweerders II.1 en II.2 hoger beroep aan tegen al de beschikkingen van het beroepen vonnis en stelde het openbaar mi-nisterie hoger beroep in met vermelding dat het hoger beroep werd ingesteld tegen de tussengekomen vrijspraken van onder meer de eiser.

23. Hieruit volgt dat de zaak voor het hof van beroep op strafgebied niet aan-hangig was met betrekking tot de telastlegging C en dat het beroepen vonnis dat de eiser aan de telastlegging C schuldig verklaart en hem daarvoor tot straf ver-oordeelt, in zoverre kracht van gewijsde heeft.

24. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep van het openbaar ministerie tijdig en regelmatig naar de vorm werd ingesteld en ontvankelijk is. Vervolgens oord-eelt het dat de telastleggingen A.1, A.2.(a).1 tot en met A.2.(a).14, A.2.(b), A.3, A.4, A.5 en C bewezen zijn, gaat het over tot de wijziging van het beroepen von-nis en veroordeelt de eiser II met eenparigheid van stemmen voor al die feiten sa-men tot een zwaardere straf.

25. De appelrechters hadden nochtans geen rechtsmacht meer om kennis te ne-men van de strafvordering over de telastlegging C, welke bij hen niet aanhangig was en waarover de eerste rechter bij in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft geoordeeld. Ze konden bijgevolg de eiser niet een tweede maal aan die te-lastlegging schuldig verklaren en hem wegens de vermengde feiten A.1, A.2.(a).1 tot en met A.2.(a).14, A.2.(b), A.3, A.4, A.5 en C veroordelen tot één straf.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

Eerste onderdeel

26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt eisers verweer niet dat zijn recht op een eerlijk proces werd miskend door de niet-naleving van de cautieplicht.

27. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het eer-ste middel van de eiser I en mist, om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel, feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest laat na de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, hoewel het volledige strafproces is aangetast wanneer de persoon die wordt vervolgd verhoord wordt zonder bijstand van een advocaat en zonder dat hij gewezen wordt op zijn zwijg-recht.

29. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I.

Om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel, faalt het onderdeel naar recht.

Derde onderdeel

30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat er geen reden is tot het uitsluiten van eisers verklaringen die voor hem niet zelf-belastend zijn en steunt bij de beoordeling van de schuld gedeeltelijk op die verklaringen hoewel zij werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat en zonder naleving van de cautieplicht; verklaringen afgelegd zonder de bijstand van een advocaat leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of moeten, minstens worden uitgesloten.

31. In zoverre het onderdeel afgeleid is uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

32. De appelrechters oordelen dat:

- de eiser van zijn vrijheid werd beroofd op 3 juni 2003 om 13.30 uur;

- hij in vrijheid werd gesteld op 9 september 2003;

- hij door de politie verhoord werd toen hij van zijn vrijheid was beroofd en zon-der dat hij de bijstand genoot van een advocaat;

- het geheel van wettelijke waarborgen die in het arrest (p. 17) worden opge-somd, in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies zijn op de afwezig-heid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor;

- de eiser weliswaar stelde dat er sporen van hormonale stoffen zouden aange-troffen worden op flacons, maar hierbij aangaf dat hij zich van deze stoffen had ontdaan en ontkende hormonen in bezit te hebben, te verhandelen of toe te dienen;

- er geen sprake is van zelf-beschuldigende of impliciete zelf-belastende verkla-ringen in de verhoren afgenomen tijdens de vrijheidsberoving;

- hij na zijn invrijheidstelling over een advocaat beschikte maar zijn verklaring niet heeft gewijzigd en ook niet aanvoert dat zij waren afgelegd vanuit een on-juiste inschatting ten gevolge van een gebrek aan juridische kennis;

- de verklaringen die de eiser aflegde, voor hem niet belastend waren;

- uit niets kennelijk blijkt dat ten aanzien van de eiser misbruik of dwang is ge-bruikt en hij dat ook niet aanvoert, laat staan aannemelijk maakt;

- in zoverre de schuldigverklaring niet steunt op de verklaringen van de eiser, het middel geput uit de afwezigheid van bijstand van een advocaat, doelloos is.

33. Met die redenen beoordeelt het arrest welke de impact geweest is van de aangeklaagde gebreken bij eisers verhoren op zijn recht van verdediging en recht op een eerlijk proces en is de beslissing dat deze gedurende het hele onderzoek en de procesgang gevrijwaard zijn en dat er hier geen reden is tot het uitsluiten van eisers verklaringen als bewijsmiddel, naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 14.1 en 14.3 IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest laat na de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken; het oordeelt ten onrechte dat de verklaringen die door een medebeklaagde werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat en met miskenning van de cautieplicht niet als bewijs moeten worden uitgesloten omdat zij niet zelf-incriminerend zijn voor wie ze heeft afgelegd; nochtans is het volledige strafproces aangetast wanneer de persoon die wordt vervolgd verhoord wordt zonder bijstand van een advocaat en zonder dat voldaan is aan de cautieplicht.

35. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde onderdeel van het eer-ste middel van de eiser I.

Om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel, is het onderdeel deels niet ontvankelijk en faalt het voor het overige naar recht.

Vijfde onderdeel

36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-vat een tegenstrijdige motivering; enerzijds oordeelt het dat de verklaringen van de eisers I en II niet zelf belastend zijn, anderzijds verklaart het de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4 en A.5 bewezen op grond van eisers verklaringen.

37. Het arrest oordeelt (p.18) eensdeels: "Zowel voor de [eiser I] als voor de [eiser II] is geen sprake van zelf-beschuldigende verklaringen in de verhoren af-gelegd tijdens [hun] vrijheidsberoving". Het oordeelt anderdeels (p. 18): "Hoewel het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de [eisers I en II] in de regel zijn geschaad wanneer zij als verdachten verklaringen aflegden tijdens een politieverhoor waarbij zij van hun vrijheid beroofd waren, zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, is er in casu geen reden tot het uitsluiten als bewijsmiddel van verklaringen die voor de [eisers I en II] niet zelf belastend waren en zijn." Het arrest oordeelt aldus over het al dan niet belastend karakter van de verklaringen afgelegd aan de politie door een persoon die van zijn vrijheid is beroofd.

Blijkens het arrest zijn de andere in het onderdeel vermelde verklaringen van de eiser waarnaar de appelrechters à charge verwijzen, niet afgelegd op een ogenblik waarop hij van zijn vrijheid beroofd was.

38. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat verklaringen afgelegd aan de politie tijdens de vrijheidsbeneming niet zelf-incriminerend zijn en anderdeels bezwarende elementen te halen uit andere verklaringen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

39. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden en houdt daarbij ook rekening met de procedurestappen die door de medebeklaagden wer-den gezet, terwijl alleen rekening mag worden gehouden met de concrete omstan-digheden eigen aan iedere beklaagde afzonderlijk.

40. Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het eerste onderdeel van het tweede middel van de eiser I.

Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel, faalt het on-derdeel naar recht.

Tweede onderdeel

41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn is overschreden en neemt daarvoor als aanvangstermijn de mededeling der stukken door de onder-zoeksrechter aan het openbaar ministerie voor vordering op 27 maart 2006; deze termijn vangt aan vanaf het ogenblik waarop iemand het voorwerp uitmaakt van een vervolging, wat betekent van zodra hij op de hoogte is dat hij wordt vervolgd; in deze zaak is de eiser II op de hoogte dat hij vervolgd wordt sinds 12 mei 2003, dit is de datum van de bij hem uitgevoerde huiszoeking.

42. Het onderdeel dat het door het arrest gehanteerde aanvangspunt voor de be-oordeling van de redelijke termijn bekritiseert, verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Middel van de eiseres III

43. Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek, de artikelen 1, 2 en 6, eerste lid, Drugwet en artikel 8 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, anti-infectieuze, anti-parasitaire en anti-inflammatoire wer-king (hierna Hormonenbesluit): het arrest oordeelt dat er binnen de eiseres als rechtspersoon onvoldoende aandacht was voor het aanvragen van een algemene vergunning zoals vereist door de Drugwet; dit oordeel rechtvaardigt enkel het be-sluit dat de eiseres nalatig is geweest en niet dat zij de feiten wetens en willens zou hebben gepleegd; de eiseres wordt onder de telastlegging A.1 onder meer vervolgd voor het bezit van hormonale stoffen zonder algemene vergunning van de minister van volksgezondheid; dit misdrijf vereist algemeen opzet ook in hoof-de van de vervolgde rechtspersoon; bij gebrek aan moreel bestanddeel kan het ar-rest de telastlegging niet bewezen verklaren.

44. Uit artikel 5 Strafwetboek volgt dat het niet volstaat dat de rechter vaststelt dat de natuurlijke persoon een fout wetens en willens heeft gepleegd. Hij moet ook bij de rechtspersoon de fout vaststellen. De strafrechtelijke verantwoorde-lijkheid staat pas vast indien de verwezenlijking van het misdrijf hetzij volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de rechtspersoon, hetzij het ge-volg is van een binnen deze rechtspersoon gepleegde nalatigheid.

45. Voor het vaststellen van dit moreel bestanddeel kan de rechter steunen op de gedragingen van de bestuursorganen van de rechtspersoon of haar gezagdragers, die onder meer een natuurlijke persoon kunnen zijn.

46. Het arrest oordeelt onder meer:

- "[De eisers I, II en III] worden te last gelegd het bezit zonder algemene ver-gunning van een plastieken flacon met een vloeistof die de hormonen progeste-ron en fluogestoneacetaat bevat. De feitelijke gedragingen bestaan erin dat het flacon dat de hormonen bevat door de [eiser II] geleverd werd aan de [eiser I] die het voor rekening van de [eiseres] liet analyseren."

- "Uit de dossiergegevens blijkt voldoende, anders dan de eerste rechter besliste, dat zowel de [eiser I als de eiser II], bij dit bezit handelden met algemeen opzet."

- "De analyse van het staal geschiedde voor rekening van de [eiseres]. De ana-lyse van het staal dat de hormonen bevat, kaderde in het mengen van kruiden-mengsels in de veevoeders die de [eiseres] leverde aan bepaalde klanten. Het misdrijf heeft aldus een intrinsiek verband met de verwezenlijking van haar doel en de waarneming van haar (handels)belangen en werd, naar blijkt uit de, hiervoor in het kort geschetste, concrete omstandigheden voor haar rekening gepleegd. Binnen de [eiseres] was er onvoldoende aandacht voor het aanvra-gen van een algemene vergunning voor het bezit van middelen en producten die hiervoor op grond van de Drugwet en het [Hormonenbesluit] in aanmerking kwamen, wat een eigen strafrechtelijke fout inhoudt".

Aldus stelt het arrest vast dat de eiseres strafrechtelijk verantwoordelijk is, niet al-leen omdat het misdrijf een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van haar doel en de waarneming van haar belangen, en naar blijkt uit de in het arrest geschetste, concrete omstandigheden voor haar rekening werd gepleegd, maar ook omdat het bedrijf zo was georganiseerd en functioneerde dat de algemene vergun-ning niet werd aangevraagd die vereist was voor de handelingen die de eiser II voor haar rekening wetens en willens stelde. Aldus is de beslissing naar recht ver-antwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

47. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Omvang van de cassatie

48. De onwettigheid van de tegen de eiser II uitgesproken straf tast de wettig-heid van de schuldigverklaring voor de telastleggingen A.1, A.2.(a).1 tot en met A.2.(a).14, A.2.(b), A.3, A.4 en A.5 niet aan.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser II schuldig verklaart aan de telastlegging C en voor de telastleggingen A.1, A.2.(a).1 tot en met A.2.(a).14, A.2.(b), A.3, A.4, A.5 en C veroordeelt tot één straf en tot betaling van een bij-drage aan het Bijzonder Slachtofferfonds.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep van de eiser II voor het overige.

Verwerpt de cassatieberoepen van de eisers I en III.

Veroordeelt de eisers I en III tot de kosten van hun cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser II tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing in zoverre de zaak betrekking heeft op de telastlegging C.

Verwijst voor het overige de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Ant-werpen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 676,67 euro waarvan op elk cassatieberoep 225,55 euro is verschuldigd.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 30 april 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch G. Jocqué P. Maffei

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Beoordeling

  • Criteria

  • Houding van medebeklaagden