- Arrest van 30 april 2013

30/04/2013 - P.13.0463.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 47sexies, §5, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat in spoedeisende gevallen de machtiging tot observatie mondeling kan worden verstrekt en dat de machtiging zo spoedig mogelijk moet worden bevestigd in de vorm bepaald in het eerste lid, is van toepassing zowel op de initiële machtiging tot observatie bedoeld in artikel 47sexies, §2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, als op de verlenging van de machtiging tot observatie bedoeld in artikel 47sexies, §6, van dat wetboek; in de beide gevallen kan de observatie immers spoedeisend zijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0463.N

I

A A,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie te Gent.

II

S S,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 maart 2013.

De eiser I voert in een verzoekschrift die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiser II voert geen middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wet-boek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat andere observatiedata dan deze die blijken uit het krachtens de vermelde bepaling opgestelde proces-verbaal, blij-ken uit andere processen-verbaal; andere processen-verbaal tonen aan dat het eerst vermelde proces-verbaal onvolledig is en niet alle fasen van de observatie ver-meldt; de eiser kan niet weten of er nog op andere dan de vermelde dagen werd geobserveerd en zelfs als dit niet zo is, kan hij uit de andere processen-verbaal niet afleiden wat er precies op de vermelde dagen werd geobserveerd.

2. Het arrest oordeelt dat alle uitgevoerde observaties ter kennis van de inver-denkinggestelden werden gebracht door het krachtens de vermelde bepaling opge-stelde proces-verbaal en de andere processen-verbaal die het aanduidt, zodat de inverdenkinggestelden de zich opdringende verificaties konden verrichten.

3. Het middel dat opkomt tegen dat onaantastbare oordeel door het arrest of een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 47sexies, § 5, Wetboek van Strafvordering.

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de in het middel aangevoerde bepaling ook van toepassing is in geval van verlenging van een machtiging tot observatie, terwijl deze bepaling enkel van toepassing is op een initiële machtiging tot observatie.

6. Artikel 47sexies, § 5, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "In spoedeisende gevallen kan de machtiging tot observatie mondeling worden verstrekt. De mach-tiging moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het eer-ste lid."

7. Die bepaling is van toepassing zowel op de initiële machtiging tot observatie bedoeld in artikel 47sexies, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, als op de verlenging van de machtiging tot observatie bedoeld in artikel 47sexies, § 6, van dat wetboek. In de beide gevallen kan de observatie immers spoedeisend zijn.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert aan dat het arrest volledig voorbijgaat aan wat de eiser in zijn bijkomende beroepsbesluiten heeft gesteld; meer bepaald dient het arrest na te gaan of er daadwerkelijk spoedeisendheid was die noopte tot een mondelinge verlenging; die spoedeisendheid blijkt niet uit het strafdossier.

9. De eiser heeft in zijn beroepsconclusie niet aangevoerd dat er geen spoedei-sendheid was die een mondelinge verlenging van de machtiging tot observatie verantwoordde, maar enkel dat er bij de verlenging van zulke machtiging geen spoedeisendheid kan bestaan.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

10. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, dient het arrest niet nader te motiveren waarin de bedoelde spoedeisendheid bestaat.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

11. Voor het overige vereist het onderdeel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het in zoverre niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.3 en 6 EVRM en artikel 235ter, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest doet geen uitspraak binnen de op straffe van nietigheid bepaalde termijn van acht dagen na ontvangst van de vordering van het openbaar ministerie; minstens is de redelijke termijn miskend omdat er een ongeoorloofde vertraging was van 8 februari 2013 (datum van de oproeping voor de regeling van de rechtspleging) tot 21 februari 2013 (da-tum van de vordering van de procureur-generaal op grond van artikel 235ter Wet-boek van Strafvordering) en van 2 maart 2013 (datum waarop ten laatste diende uitspraak gedaan te worden) tot 7 maart 2013 (datum van het arrest).

13. De in artikel 235ter, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen van acht dagen of dertig dagen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

14. In geen van zijn ter rechtszitting van 28 februari 2013 neergelegde beroeps-conclusies heeft de eiser voor de appelrechters miskenning van de redelijke termijn met betrekking tot de periode van 8 februari 2013 tot 21 februari 2013 aan-gevoerd, hoewel hij dat kon doen.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

15. Niet elke vertraging, hoe gering ook, heeft tot gevolg dat de redelijke ter-mijn is overschreden. Uit de enkele omstandigheid dat de appelrechters op 7 maart 2013 uitspraak hebben gedaan, terwijl dit volgens de eiser ten laatste op 2 maart 2013 diende te gebeuren, vermag de eiser niet af te leiden dat de appelrech-ters de redelijke termijn hebben miskend.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 122,71 euro waarvan de eiser I 61,35 euro ver-schuldigd is en de eiser II 61,36 euro.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch G. Jocqué P. Maffei

Vrije woorden

  • Bijzondere opsporingsmethoden

  • Observatie

  • Spoedeisende gevallen

  • Mondelinge machtiging

  • Artikel 47sexies, § 5, Wetboek van Strafvordering

  • Toepassingsgebied