- Arrest van 2 mei 2013

02/05/2013 - C.10.0484.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De hypothecaire inschrijving die de curator namens de gezamenlijke schuldeisers neemt op de onroerende goederen van de gefailleerde heeft niet tot gevolg dat er in het voordeel van de boedel een nieuwe waarborg wordt gesteld die de volgorde wijzigt waarin de rechten van voorrang tijdens het faillissement worden uitgeoefend.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0484.F

1. B. M.,

2. D. D.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. L., advocaat, handelend in de hoedanigheid van curator in het faillisse-ment van J.-P. J.,

2. J.-P. J.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Luik van 15 januari en 3 december 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 1315, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 444, 446, 447, 450, 451, 452, 453, 454, 487 en 518 van het Wetboek van Koophandel, zoals zij van kracht waren vóór de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 16, 19, 23, 24, 25, 26, 57, 149 en 150 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

1. Het bestreden arrest van 15 januari 2009 veroordeelt de eisers, met bevestiging van het beroepen vonnis, om aan de eerste verweerster, handelend qualitate qua, een provisioneel bedrag van één euro te betalen, op grond van de volgende redenen met betrekking tot de schade:

"Bij het vaststellen van de te vergoeden schade moet worden onderzocht hoe de situatie van de curatele er zou hebben uitgezien indien de verkoop van het pand onder het toezicht van de rechtbank van koophandel te Hoei was verricht en of de curator zich had kunnen beroepen op de hypotheek, die was gevestigd in naam van de boedel;

De verweerster stelt zich vragen bij de verkregen verkoopprijs. Zij levert echter geen begin van bewijs van haar bewering dat de openbare verkoop een hogere prijs had kunnen opleveren dan die welke is verkregen bij een onderhandse verkoop, zelfs na aftrek van de publiciteits- en makelaarskosten, zodat het argument volgens hetwelk de curatele, zonder de fout van de [eisers], een hogere prijs uit de verkoop van het pand had kunnen verkrijgen, afgewezen moet worden;

De [verweerster] kan niet worden gevolgd wanneer zij beweert dat de schade van de boedel overeenkomt met het geactualiseerde passief van het faillissement, te weten 32.165,35 euro, vermeerderd met de interest;

Zij houdt als dusdanig geen rekening met het feit dat de hypotheek slechts is gevestigd op de onverdeelde helft in blote eigendom van het verkochte goed, waarvan de andere helft in vruchtgebruik aan de moeder [van de verweerder] toebehoorde ;

Hoewel de hypotheek, die gevestigd werd op de blote eigendom van de onverdeelde helft van het pand, na het overlijden van de moeder is uitgebreid tot de volle eigendom op die onverdeelde helft, werd zij niet uitgebreid tot het pand in zijn geheel, omdat de [verweerster] na het overlijden van [verweerders moeder] geen bijkomende inschrijving heeft genomen;

Bij het vaststellen van haar schade moet de [verweerster] met dat beginsel rekening houden".

Alvorens verder uitspraak te doen over de schade, beveelt het bestreden arrest van 15 januari 2009 ambtshalve de heropening van het debat, zodat de verweerster "uitleg kan verschaffen over het gedeelte van de verkoopprijs dat gediend zou hebben om de in het passief opgenomen schuldeisers te voldoen" alsook "over de vordering tot opheffing van de hypotheek, die het hof van beroep niet kan bevelen zoals [de eerste eiser] vorderde, omdat die hypotheek blijft bestaan onverminderd de verkoop, die krachtens artikel 16, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 in beginsel aan de boedel kan worden tegengeworpen".

2. Na heropening van het debat veroordeelt het bestreden arrest [de eisers] hoofde-lijk om aan [de verweerster], handelend qualitate qua, een definitief bedrag van 30.849,08 euro te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf 22 maart 2004; zegt voor recht dat de twee [eisers] en [de verweerder] de schuld zullen voldoen door elk een derde van de schade te vergoeden; verleent akte aan (de verweerster) van haar verbintenis om de procedure van opheffing van haar hypothecaire inschrijving te bespoedigen zodra zij de haar door het arrest toegekende bedragen zal hebben ontvangen; veroordeelt [de eisers] hoofdelijk tot betaling van de kosten van eerste aanleg en hoger beroep van [de verweerster], handelend qualitate qua, die ambtshalve verminderd worden tot een aannemelijk bedrag van 242,79 euro", om de volgende redenen:

"Het arrest van 15 januari 2009 heeft reeds beslist om het argument te verwerpen volgens welke een openbare verkoop van het pand, onder toezicht van de rechtbank van koophandel, een hogere prijs zou hebben opgeleverd dan die uit de verkoop van 16 augustus 2000;

Daarentegen moet worden onderzocht in hoeverre de schuldvordering van de failliete boedel kon zijn uitbetaald, indien die boedel zich bij de verkoop van het litigieuze pand in 2000 op de hypotheek had kunnen beroepen;

[De verweerster] heeft in haar conclusie vóór heropening van het debat [...] aangevoerd dat de tegeldemaking van het actief van het faillissement niet heeft volstaan om de schuldeisers, met uitzondering van Dexia, bijzonder schuldeiser, en twee schuldvorderingen buiten de boedel, terug te betalen;

De in het bevoorrecht en in het gewoon passief opgenomen schuldvorderingen zijn door [...] [de verweerster] aangetoond. Zoals [laatstgenoemde] voorstelt, moet erop gewezen worden dat de Belgische Staat is vergoed in het kader van de vereffening van de nalatenschap van [verweerders moeder] en dat zijn schuldvordering, die in het bevoorrecht passief is opgenomen voor 9.221,58 euro, afgetrokken moet worden [...]. Het bevoorrechte passief van het faillissement bedraagt bijgevolg 5.878,99 euro en het gewoon passief 26.286,36 euro, of een to-taalbedrag van 32.165,35 euro;

De hypothecaire inschrijving van de failliete boedel werd genomen op de onverdeelde helft in blote eigendom van het verkochte goed en na het overlijden van [verweerders moeder] uitgebreid tot de volle eigendom van die onverdeelde helft, maar niet tot het pand in zijn geheel ;

Zonder de fouten [van de eisers] zou de [verweerster] evenwel op de hoogte zijn gebracht van het overlijden van [verweerders moeder] en van de vooropgestelde verkoop van het pand en had zij haar hypotheek ongetwijfeld uitgebreid tot het gehele pand ;

Bijgevolg moet in aanmerking worden genomen dat het faillissement zijn voorrecht tot beloop van 49.578,70 euro (2.000.000 frank) had kunnen doen gelden op de gehele verkoopprijs van het pand en niet enkel op de helft ervan;

Op grond van de rekening die [de eerste eiser] heeft opgemaakt op 8 december 2000 [...], moet worden geoordeeld dat op de verkregen verkoopprijs, te weten 1.654.411 frank of 41.011,77 euro, volgende schuldvorderingen vóór die van de failliete boedel zouden zijn betaald: - passief van de nalatenschap: artikelen 4 tot 9, 11, 12, 13 en 16: 348.565 frank of 8.640,70 euro; - kosten betreffende de overdracht van vastgoed: artikelen 14 en 15: 61.397 frank of 1.521,99 euro;

Het netto-actief van de verkoop bedroeg bijgevolg 30.849,08 euro;

De [eerste eiser] wil ten onrechte een belastingschuld [van de verweerder] aftrekken, aangezien de Belgische Staat haar schuldvordering in het kader van het faillissement geldend had gemaakt (9.221,58 euro) en de [eiser] niet aantoont dat de Belgische Staat voor het overige over een voorrecht beschikte met voorrang op het voorrecht van de failliete boedel;

Indien het pand onder toezicht van de rechtbank van koophandel te Hoei was verkocht en de [verweerster] zich had kunnen beroepen op de hypotheek die in naam van de boedel was genomen, had zij aanspraak kunnen maken op dat bedrag van 30.849,08 euro, waarvoor zij een voorrecht had;

De schade van de curatele is derhalve verantwoord tot beloop van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke interest vanaf de inleidende dagvaarding van 22 maart 2004".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 487 van het Wetboek van Koophandel, zoals het van toepassing was vóór de Faillissementswet van 8 augustus 1987, luidt als volgt :

"Te rekenen van hun ambtsaanvaarding zijn de curators op hun persoonlijke verantwoordelijkheid gehouden alle handelingen te verrichten tot bewaring van de rechten van de gefailleerde tegenover zijn schuldenaars.

Zij zijn eveneens gehouden inschrijving te vorderen van de hypotheken op de onroerende goederen van de schuldenaars van de gefailleerde, indien deze het niet heeft gevorderd; de inschrijving wordt ten name van de boedel genomen door de curators, die bij hun borderel een getuigschrift van de griffier voegen als bewijs van hun benoeming.

Zij zijn bovendien gehouden ten name van de gezamenlijke schuldeisers inschrijving te nemen op de onroerende goederen van de gefailleerde, waarvan het bestaan hun bekend is. De inschrijving wordt gedaan op vertoon van een eenvoudig borderel met vermelding van het bestaan van het faillissement en van de datum van het vonnis waarbij zij zijn benoemd".

De doelstelling van de aldus in het voormelde artikel 487, derde lid, bepaalde inschrijving bestond hierin dat, in geval van vernietiging van een eventueel akkoord na het faillissement, de schuldvorderingen die vóór het akkoord waren ontstaan voorrang zouden genieten op die welke pas na dat akkoord waren ontstaan.

Artikel 518 van het Wetboek van Koophandel, zoals het van toepassing was vóór de wet van 8 augustus 1997, bepaalde immers dat « de homologatie van het akkoord [...] ten behoeve van elke schuldeiser de hypotheek handhaaft die krachtens het laatste lid van artikel 487 ingeschreven is op de onroerende goederen van de gefailleerde".

Met die inschrijving kon bovendien vermeden worden dat de boedel benadeeld zou worden door een mogelijke inschrijving, na het faillissement, van de wettelijke hypotheek van de fiscus die genomen zou worden om de vóór het faillissement ingekohierde belastingschuld te vrijwaren. Ten aanzien van de curator kon een dergelijke schuldvordering zodoende behouden worden in de categorie van de schuldvorderingen met een algemeen voorrecht en niet van die met een hypotheek.

Buiten die bijzondere gevallen kon een dergelijke inschrijving de gevolgen van de ontneming van het beheer van goederen, het bevriezen van het actief en de kristallisatie van het passief, in de zin van de artikelen 444, 446, 447, 450, 451, 452, 453 en 454 van het Wetboek van Koophandel, zoals ze van toepassing waren vóór de wet van 8 augustus 1997, geenszins wijzigen door in het voordeel van de boedel een nieuwe waarborg te stellen die de volgorde van de bij het faillissement uitgeoefende rechten van voorrang zou wijzigen of de gelijkheid tussen de gewone schuldvorderingen zou aantasten.

Hetzelfde geldt voor de inschrijving bedoeld in artikel 57, derde lid, van de wet van 8 augustus 1997, dat de bepalingen van het voormelde artikel 487, derde lid, in dezelfde bewoordingen overneemt en de gevolgen ervan verlengt te rekenen vanaf 1 januari 1998, overeenkomstig de regels van het overgangsrecht die vervat zijn in de artikelen 149 en 150 van die wet.

Om dezelfde redenen kan de inschrijving, bepaald in artikel 57, derde lid, van de wet van 8 augustus 1997, de gevolgen van de ontneming van het beheer van goederen, het bevriezen van het actief en de kristallisatie van het passief in de zin van de artikelen 16, 19, 23, 24 en 26 van de Faillissementswet, niet wijzigen door in het voordeel van de boedel een nieuwe waarborg te stellen die de volgorde van de bij het faillissement uitgeoefende rechten van voorrang zou wijzigen of de gelijkheid tussen de gewone schuldvorderingen zou aantasten.

2. Uit de vaststellingen van de bestreden arresten volgt: 1. het faillissement van de verweerder werd uitgesproken bij vonnis van 12 juli 1995 van de rechtbank van koophandel te Hoei ; 2. de inschrijving van de hypotheek van de boedel werd genomen op 19 oktober 1995 voor een bedrag van 2.000.000 frank (of 49.578,70 euro) op het onverdeelde gedeelte van de verweerder in het pand gelegen te S., ..., maar zou op het gehele pand zijn genomen indien de verweerster op de hoogte was gebracht van het overlijden van verweerders moeder ; 3. dat pand werd bij authentieke akte van 16 augustus 2000 verkocht voor 40.902,43 euro, zonder dat er rekening werd gehouden met het faillissement van de verweerder of met de hypothecaire inschrijving van de verweerster; 4. de verweerster heeft de schuldeisers via de tegeldemaking van de activa van het faillissement niet kunnen terugbetalen, "met uitzondering van Dexia, bijzonder schuldeiser, en van twee schuldvorderingen buiten de boedel"; 5. de verkoop van het pand heeft van zijn kant 41.011,77 euro opgeleverd, waarvan het passief van de nalatenschap van 8.640,70 euro en de kosten van de overdracht van het vastgoed tot beloop van 1.521,99 euro zijn afgetrokken, wat dus neerkomt op een nettoactief van 30.849,08 euro.

Op grond van die vaststellingen veroordeelt het bestreden arrest van 3 december 2009 de eisers hoofdelijk om aan de verweerster een definitief bedrag van 30.849,08 euro te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf 22 maart 2004; zegt voor recht dat de twee [eisers] en [de ver-weerder] de schuld zullen voldoen door elk een derde van de schade te vergoeden; verleent akte aan (de verweerster) van haar verbintenis om de procedure tot ontheffing van haar hypothecaire inschrijving te bespoedigen zodra zij de haar door het arrest toegekende bedragen zal hebben ontvangen; veroordeelt [de eisers] hoofdelijk om de kosten van eerste aanleg en hoger beroep van de verweerster te betalen, om de reeds weergegeven redenen en, daarenboven, om de volgende redenen:

"[Wat betreft de] vordering tot opheffing van de hypothecaire inschrijving, heeft het hof [van beroep] in zijn arrest van 15 januari 2009 erop gewezen dat het de vordering tot opheffing van de hypotheek niet kon bevelen, omdat die hypotheek blijft bestaan onverminderd de verkoop, die krachtens artikel 16, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 in beginsel niet aan de boedel kan worden tegengeworpen";

Er moet aan [de verweerster] akte worden verleend van haar verbintenis om de procedure tot opheffing van haar hypothecaire inschrijving te bespoedigen zodra zij is vergoed voor de door de failliete boedel geleden schade, zoals die vergoeding door het hof [van beroep] zal worden vastgesteld".

De bestreden arresten beslissen aldus dat de inschrijving van de verweerster als dusdanig een echt voorrecht op de opbrengst van de verkoop van het litigieuze pand heeft opgeleverd dat voorrang kon krijgen op het voorrecht van de Belgische Staat, en dat de schade die door de miskenning van dat voorrecht is veroorzaakt, overeenkomt met het verlies van het gehele nettoactief dat die verkoop heeft opgebracht.

3. Uit de artikelen 444, 446, 447, 450, 451, 452, 453, 454, 487 en 518 van het Wetboek van Koophandel, alsook uit de artikelen 16, 19, 23, 24, 25, 26 en 57 van de failllissementswet van 8 augustus 1997, die krachtens de artikelen 149 en 150 van dezelfde wet van toepassing zijn vanaf 1 januari 1998, volgt echter dat die inschrijving die uitwerking niet als dusdanig kon hebben, zodat de bestreden arresten, die de vordering van de verweerster om de voorgaande reden in haar geheel aannemen, de voormelde bepalingen schenden.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De beslissing die het onderdeel bekritiseert, ligt volledig besloten in het bestreden arrest van 3 december 2009, met uitsluiting van het bestreden arrest van 15 januari 2009.

Het onderdeel, dat laatstgenoemd arrest bekritiseert, mist in zoverre feitelijke grondslag.

Voor het overige heeft de hypothecaire inschrijving die de curator in naam van de schuldeisers neemt op de onroerende goederen van de gefailleerde, noch onder vi-geur van artikel 487, derde lid, van het Wetboek van Koophandel, noch onder vi-geur van artikel 57, derde lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, tot gevolg dat er in het voordeel van de boedel een nieuwe waarborg wordt gesteld die de volgorde wijzigt waarin de rechten van voorrang tijdens het faillissement worden uitgeoefend.

Nadat het arrest van 15 januari 2009 beslist had dat "bij het vaststellen van de te vergoeden schade moet worden onderzocht hoe de situatie van de curatele er zou hebben uitgezien indien de verkoop van het pand onder het toezicht van de recht-bank van koophandel [...] was verricht en of [de verweerster, in haar hoedanig-heid van] curator zich had kunnen beroepen op de hypotheek, die [op dat pand] was gevestigd in naam van de boedel", herhaalt het bestreden arrest van 3 decem-ber 2009, dat uitspraak doet na de heropening van het debat, dat "moet worden onderzocht in hoeverre de schuldvordering van de failliete boedel kon zijn uitbe-taald, indien die boedel zich bij de verkoop van het litigieuze pand in 2000 op de hypotheek had kunnen beroepen".

Dat arrest beslist enerzijds dat "de in het bevoorrecht en in het gewoon passief opgenomen schuldvorderingen zijn door stukken uit het dossier van [de verweer-ster] aangetoond en dat, zoals [laatstgenoemde] voorstelt, erop moet worden ge-wezen dat de Belgische Staat is vergoed in het kader van de vereffening van de nalatenschap van [verweerders moeder] en dat zijn schuldvordering, die in het bevoorrecht passief is opgenomen voor 9.221,58 euro, afgetrokken moet worden", zodat "het bevoorrechte passief van het faillissement 5.878,99 euro en het gewoon passief 26.286,36 euro, of een totaalbedrag van 32.165,35 euro bedraagt".

Hetzelfde arrest stelt anderzijds het bedrag van "het nettoactief van de verkoop" vast op 30.849,08 euro, op grond dat, van de verkoopprijs van 41.011,77 euro, het passief van de nalatenschap en de kosten voor de overdracht van het pand moeten worden afgetrokken.

Het arrest beslist daarentegen dat "de [eerste eiser] ten onrechte een belasting-schuld [van de verweerder] [van de verkoopprijs] wil aftrekken, aangezien de Belgische Staat haar schuldvordering in het kader van het faillissement geldend had gemaakt (9.221,58 euro) en [die eiser] niet aantoont dat de Belgische Staat voor het overige over een voorrecht beschikte met voorrang op het voorrecht van de failliete boedel".

Het arrest leidt daaruit af dat, "indien het pand onder toezicht van de rechtbank van koophandel [...] was verkocht en de [verweerster] zich had kunnen beroepen op de hypotheek die in naam van de boedel was genomen, zij aanspraak had kun-nen maken op dat bedrag van 30.849,08 euro, waarvoor zij een voorrecht had".

Het bestreden arrest van 3 december 2009, dat aan de hypothecaire inschrijving van de verweerster een uitwerking verleent waardoor de boedel van verweerders schuldeisers een voorrecht verkrijgt dat voorrang geniet op het voorrecht dat het arrest overigens aan de Belgische Staat toekent, schendt de voormelde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere onderdelen van het middel, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest van 3 december 2009.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 mei 2013 uit- gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Curator

  • Hypothecaire inschrijving namens de gezamenlijke schuldeisers