- Arrest van 2 mei 2013

02/05/2013 - C.12.0150.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Inzake de positie van de derde oefent de rechter die van het derdenverzet kennisneemt, zijn volledige rechtsmacht uit over hetgeen in de litigieuze beslissing is beslist; binnen die grenzen mag de derde alle middelen in feite en in rechte aanvoeren en wordt hij hierbij, in beginsel, niet beperkt door de proceshouding van de verzoeker in het oorspronkelijke geding (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0150.F

1. ADOBE SYSTEMS INC., vennootschap naar het recht van de Staat Dela-ware (Verenigde Staten van Amerika),

2. AUTODESK INC., vennootschap naar het recht van de Staat Delaware (Verenigde Staten van Amerika),

3. MICROSOFT CORPORATION, vennootschap naar het recht van de Staat Washington (Verenigde Staten van Amerika),

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. P. J.,

2 ATELIER 50 - URBANISME ENVIRONNEMENT COMMUNICA-TION bvba,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 31 maart en 15 september 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 3 april 2013 een conclusie neer-gelegd ter griffie.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 870, 1033, 1122, 1130 en 1369bis/1, § 3 en 7, Gerechtelijk Wet-boek ;

- de artikelen 1315, 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 Grondwet;

- artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 31 maart 2011 stelt vast dat niet betwist wordt dat de ei-seressen de intellectuele eigendom bezitten van de litigieuze computerprogramma's en herhaalt dat, krachtens artikel 1369bis/1, § 3, Gerechtelijk Wetboek, "onder ‘aanwijzingen' moet worden verstaan [...] dat de verzoeker gegevens moet voordragen die de mogelijke inbreuk op het eigendomsrecht aannemelijk kunnen maken ; de aangevoerde feiten moeten van dien aard zijn dat, bij een beoordeling op het eerste gezicht, uit die feiten op zich of in samenhang een vermoeden van een inbreuk of de dreiging van een inbreuk kan worden afgeleid".

Het bestreden arrest van 31 maart 2011 beslist vervolgens dat het zijn beoordeling van het bestaan van die aanwijzingen niet kan gronden op het verslag van de des-kundige, die daarmee werd belast door de beschikking die op 29 januari 2009 op het eenzijdige verzoekschrift werd gewezen, en dat, bij gebrek aan andere gegevens dan de zoekchip en de opdracht waarop de eiseressen hun vordering tot verkrijging van een beschrijvend beslag hadden gegrond en die volgens het arrest geen bewijswaarde hebben, "niet is aangetoond dat [de verweerders], althans op het eerste gezicht, zich schuldig zouden hebben gemaakt aan de namaak van computerprogramma's die [aan de eiseressen] toebehoorden".

Het arrest verwerpt het verslag van de deskundige - volgens hetwelk in de doorzochte lokalen eenendertig kopieën zouden zijn teruggevonden van de computerprogramma's van de eiseressen, waarvoor de verweerders geen gebruikslicentie kunnen voorleggen - als bewijs voor aanwijzingen van namaak, om de volgende redenen :

"Met betrekking tot de beschrijvende maatregelen moet de rechter, op het derden-verzet, zich plaatsen op het tijdstip van de neerlegging van het verzoekschrift en van de inlichtingen die hem op dat ogenblik zijn medegedeeld; in beginsel moet worden nagegaan of de beslissing, op het ogenblik waarop uitspraak werd gedaan, in rechte en in feite correct was. Pas wanneer de voorwaarden voor de beschrijving of het beslag niet meer vervuld zijn, is er sprake van een wijziging van omstandigheden die na de beroepen beslissing heeft plaatsgevonden.

De aanwijzingen van namaak kunnen bijgevolg niet worden afgeleid uit het deskundigenverslag waarop de rechter, die uitspraak doet in het kader van het derdenverzet, geen acht kan slaan".

Het bestreden arrest van 15 september 2011, dat met het oog op de verdere be-handeling van de zaak uitspraak doet, verwerpt het door de eiseressen opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid op grond dat de verweerders, aangezien het verslag van de gerechtelijke deskundige melding maakte van het bestaan van een dertigtal gevallen van namaak van de litigieuze computerprogramma's, geen ge-wettigd belang hadden om de vergoeding te vorderen van de schade die zij be-weerden te hebben geleden, om de volgende redenen:

"Zoals het hof [van beroep] in punt 8 van zijn arrest van 31 maart 2011 heeft beslist, kunnen de aanwijzingen van namaak niet worden afgeleid uit het deskundigenverslag waarop de rechter geen acht kan slaan. Hetzelfde geldt voor de vaststelling van gerechtsdeurwaarder C., die bij het deskundigenverslag betrokken is.

De tegenvordering heeft niet tot doel [de verweerders], die als ‘delinquenten' worden omschreven, toe te laten ‘zonder enige straf ervan af te komen en ze bo-vendien daarvoor te belonen', maar de schade te vergoeden die in oorzakelijk ver-band staat tot de fout van [de eiseressen]".

Dat arrest beslist vervolgens ten gronde dat "uit de vaststellingen van het hof [van beroep] in zijn arrest van 31 maart 2011 volgt dat [de eiseressen] met het neerleggen van hun verzoekschrift tot beschrijvend beslag zwaar in de fout zijn gegaan, in zoverre zij over geen enkele aanwijzing van de aangevoerde namaak beschikten en dat de gegevens die zijn voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank, naast het feit dat ze, gezien hun eenzijdig karakter, geen enkele bewijswaarde hadden, ook op deloyale wijze zijn verkregen".

Het hof van beroep beslist ten slotte dat die fout in oorzakelijk verband staat tot de door de verweerders aangevoerde schade, om de volgende redenen :

"Indien de fout niet was begaan, dat wil zeggen indien de eiseressen, bij gebrek aan aanwijzingen van namaak, hadden afgezien van de procedure van beschrijvend beslag, zoals zij dat hadden moeten doen, had [de tweede verweerster] het geen drie maanden zonder computers moeten stellen en had zij geen kosten moeten maken om te kunnen voortwerken.

Het oorzakelijk verband is dus aangetoond.

Zoals hierboven is gezegd, hoeft geen rekening te worden gehouden met het deskundigenverslag en met de vaststellingen van dat verslag over het bezit van onwettige computerprogramma's - die als onbestaand in rechte worden aangemerkt - die in geen geval het verbreken van het oorzakelijk verband kunnen wettigen".

Grieven

Eerste onderdeel

Het derdenverzet tegen een beschikking die werd gewezen op eenzijdig verzoekschrift, heeft tot gevolg dat de rechter die van dat verzet kennisneemt dezelfde zaak opnieuw moet berechten alsof zij van bij het begin op tegenspraak was gevoerd.

Het derdenverzet heeft een devolutieve kracht, waardoor de magistraat zijn volledige rechtsmacht uitoefent over hetgeen in de litigieuze beslissing is beslist en de positie van de derde aanbelangt. Zo is het onderzoek van het geschil dat de rechter opnieuw verricht, beperkt tot de positie van de derde, in die zin dat het onderzoek, krachtens de relatieve werking van dat rechtsmiddel, alleen kan plaatsvinden binnen de grenzen van de rechten waarop de verzetdoende derde zich beroept en afhankelijk is van het voorwerp en de draagwijdte van het rechtsmiddel, dat beperkt kan zijn tot bepaalde punten van de betwiste beslissing.

Krachtens de devolutieve kracht van het derdenverzet mag elke partij alle middelen en verweermiddelen met betrekking tot het door de verzetdoende derde aangevoerde recht voordragen en mag elke partij, onder de gebruikelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden, tussenvorderingen instellen.

Aangezien het derdenverzet een rechtspleging tot voortzetting van het geschil is, volgt hieruit ook dat de magistraat, om te beslissen of het derdenverzet moet worden toegewezen en de beroepen beslissing al dan niet moet worden ingetrokken, rekening moet kunnen houden met de sinds de uitspraak van de betwiste beslissing ontstane nieuwe gegevens, die een invloed kunnen hebben op de berechting van het geschil.

Hieruit volgt dat de rechter die kennisneemt van een derdenverzet tegen een be-schikking op eenzijdig verzoekschrift, zijn onderzoek niet mag beperken tot de feiten die hem door het eenzijdige verzoekschrift ter kennis zijn gebracht maar acht moet slaan op mogelijke gegevens die sinds de uitspraak van de bestreden beschikking zijn ontstaan en, die een invloed op het geschil kunnen hebben.

In dit geval strekte het derdenverzet van de verweerders tot intrekking van de be-schikking op eenzijdig verzoekschrift van de eiseressen, op grond dat er onvol-doende aanwijzingen van namaak waren en de voorzitter van de rechtbank door de eiseressen zogezegd was misleid.

Binnen die grenzen konden de eiseressen alle nieuwe feitelijke gegevens aanvoeren die na de betwiste beschikking zijn ontstaan en waaruit zou blijken dat op hun intellectueel eigendomsrecht inbreuk was gemaakt of dat een inbreuk dreigde en dat hen bijgevolg toestemming moest worden verleend voor een beschrijvend beslag op de litigieuze computerprogramma's van de verweerders.

Zij konden zich bijgevolg beroepen op het verslag van de gerechtelijke deskundige, zelfs al was het na de beroepen beslissing opgemaakt.

Het bestreden arrest van 31 maart 2011, dat beslist dat er bij het onderzoek naar een inbreuk of de dreiging van een inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van de eiseressen geen acht kan worden geslagen op het deskundigenverslag dat is opgemaakt ter uitvoering van de beschikking waartegen het bij hem aanhangig gemaakte rechtsmiddel was ingesteld, en het bestreden arrest van 15 september 2011, dat weigert op dat verslag acht te slaan om over het gewettigd belang van de verweerders te oordelen en uitspraak te doen over het foutieve karakter van de vordering tot beschrijvend beslag en over het oorzakelijk verband tussen die fout en de door de verweerders aangevoerde schade, miskennen de devolutieve kracht van het derdenverzet tegen een op eenzijdig verzoekschrift gewezen beschikking (schending van de artikelen 1033, 1122, 1130 en 1369bis/1, § 7, Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Het niet-tegenstelbaar karakter van het deskundigenverslag dat is opgemaakt ten gevolge van de op het derdenverzet ingetrokken beslissing, verzwakt weliswaar de bewijswaarde van dat verslag ten aanzien van de partijen die bij de procedure van het derdenverzet betrokken zijn, zonder evenwel te verhinderen dat de gegevens van dat verslag als feitelijke vermoedens in aanmerking kunnen worden genomen.

De regel volgens welke een deskundigenverslag niet aan een derde kan worden tegengesteld, houdt weliswaar in dat de specifieke rechtsgevolgen van het deskundigenverslag, als bewijsmiddel, niet aan die derde kunnen worden tegengesteld, maar verhindert niet dat het deskundigenverslag zelf, zijn vaststellingen en zijn advies reële feiten zijn. Aangezien die feiten door een partij in de zaak worden aangevoerd en het bewijs door vermoedens is toegestaan, kan de rechter uit die feiten, op grond van een onaantastbare beoordeling, vermoedens afleiden in de zin van artikel 1349 Burgerlijk Wetboek die, onder de voorwaarden van artikel 1353 van datzelfde wetboek, als bewijs kunnen worden aangenomen.

Bijgevolg konden de bestreden arresten het deskundigenverslag dat de eiseressen aanvoerden om de opportuniteit van het toegestane beschrijvend beslag te staven, niet om de daarin opgegeven redenen zomaar terzijde laten, zelfs al kon dat verslag niet aan de verweerders worden tegengesteld, maar moesten ze dat verslag als een feitelijk vermoeden in aanmerking nemen.

De twee bestreden arresten, die dat verslag om de daarin opgegeven redenen terzijde laten, miskennen het wettelijk begrip feitelijk vermoeden (schending van de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek) en de regels betreffende de bewijsvoering (schending van de artikelen 870 Gerechtelijk Wetboek en 1315 Burgerlijk Wetboek).

De bestreden arresten, die in hun redenen niet opgeven waarom de vaststellingen van de deskundige in dit geval geen enkele bewijswaarde zouden hebben, zodat ze niet als feitelijke vermoedens in aanmerking kunnen worden genomen, stellen het Hof op zijn minst niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Ze zijn dus niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 Grondwet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1122, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en onder voorbehoud van de in dat artikel bepaalde uitzonderingen, die te dezen niet van toepassing zijn, kan eenieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet doen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt.

Inzake de positie van de derde oefent de rechter die van het derdenverzet kennis-neemt, zijn volledige rechtsmacht uit over hetgeen in de litigieuze beslissing is beslist. Binnen die grenzen mag de derde alle middelen in feite en in rechte aan-voeren en wordt hij hierbij, in beginsel, niet beperkt door de proceshouding die de verzoeker in het oorspronkelijke geding had aangenomen.

De rechter die van een derdenverzet kennisneemt, moet evenwel, in dezelfde om-standigheden als de eerste rechter, nagaan of de procedure op verzoekschrift re-gelmatig is en of de door de eerste rechter bevolen maatregelen gegrond zijn.

Uit de tekst van artikel 1369bis/1, § 5, Gerechtelijk Wetboek volgt dat het beslag inzake intellectuele rechten niet zonder voorafgaande beschrijving kan worden toegestaan.

Wanneer het beslag tezelfdertijd als de beschrijving gevorderd wordt, onderzoekt de rechter enerzijds, met toepassing van artikel 1369bis/1, § 3, van dat wetboek, of er aanwijzingen bestaan volgens welke op het betrokken intellectueel eigen-domsrecht inbreuk is gemaakt of dreigde te worden gemaakt en, anderzijds, met toepassing van artikel 1369bis/1, § 5, 2), of de inbreuk op het betrokken intellec-tueel eigendomsrecht niet redelijkerwijs kan worden betwist.

De aanwijzingen van een inbreuk op het intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan de beschrijvende maatregel kan worden bevolen, moeten worden vastge-steld op de datum waarop de eerste rechter over het eenzijdig verzoekschrift uit-spraak doet.

De aanwijzingen van een inbreuk op dat recht kunnen bijgevolg niet worden afge-leid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van de maatregel en, meer bepaald, uit het deskundigenverslag dat is opgemaakt ter uitvoering van de beschikking waartegen derdenverzet is gedaan.

Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De aanwijzingen van een inbreuk op het intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan de beschrijvende maatregel kan worden bevolen, kunnen noch be-schouwd als deskundigenonderzoek noch als vermoeden worden afgeleid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van die maatregel.

Het onderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 mei 2013 uitgesp-roken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid van de rechter

  • Volledige rechtsmacht

  • Derde