- Arrest van 3 mei 2013

03/05/2013 - C.11.0513.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het behoort in beginsel tot de bevoegdheid van de wetgever om administratieve rechtscolleges op te richten; minstens moet de wetgever de Koning machtigen om een administratief rechtscollege in te stellen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0513.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

J.C.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. BESTREDEN BESLISSING

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 december 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 22 februari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1, eerste lid, Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 december 1950, hierna: Tarief Strafzaken, hebben de personen die wegens hun kunde of hun beroep worden op-geroepen, recht op een vergoeding evenredig aan de waarde van de verrichte ar-beid. Zij maken naar geweten de staat op van hun honoraria. Deze staat vermeldt, voor ieder van de gedane verrichtingen, samen met de data ervan, de dagen en uren welke er aan besteed werden. Deze personen schieten de lonen voor van de helpers, alsmede de prijs van de arbeidsprestaties en leveringen welke nodig zijn.

Krachtens het tweede lid van die reglementaire bepaling kan de minister op voor-stel van de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken het normaal bedrag der honoraria vaststellen in een schaal die de met de begroting belaste rechter als leidraad neemt en die eventueel in het laatste kwartaal van elk jaar wordt herzien.

Krachtens artikel 2 Tarief Strafzaken brengt ieder onverantwoord uitstel bij de uitvoering van de opdracht of bij de nederlegging van het verslag een verminde-ring mede van de honoraria van de deskundige. De rechter die de deskundige op-roept, bepaalt, telkens als dit mogelijk is, een termijn binnen welke de opdracht moet voleindigd zijn en het verslag neergelegd.

Krachtens artikel 78, eerste lid, Tarief Strafzaken worden de memories van hono-raria van personen, opgeroepen wegens hun kunde of beroep, tegelijk met het deskundigenverslag, aan de vorderende magistraat overgemaakt.

Krachtens het tweede lid van die bepaling stelt deze ze vast, indien de geëiste ho-noraria overeenstemmen met de overeenkomstig zijn vorderingen gepresteerde diensten.

Luidens het derde lid van die bepaling worden wanneer de magistraat memories vaststelt die opgemaakt zijn volgens de in artikel 1 bepaalde schaal, deze door bemiddeling van de parketten aan de minister van Justitie overgemaakt. Indien de voorwaarden van de schaal werden in acht genomen, dan worden de memories door de minister van Justitie betaalbaar gesteld.

Krachtens het vierde lid van die bepaling worden, indien de magistraat oordeelt de in het vorig lid bedoelde memories niet onveranderd te kunnen vaststellen, of indien de verrichtingen wegens hun aard of bij uitzondering niet in de bij artikel 1 bepaalde schaal voorkomen, de memories begroot door de vorderende magistraat, die eventueel het bedrag ervan bij een met redenen omklede beschikking kan verminderen.

Krachtens het vijfde lid van die bepaling worden de memories daarna overge-maakt aan de minister van Justitie om, na nazicht, voorzien te worden van de vermelding "geen bezwaar". Is de minister van oordeel dat de honoraria vastge-steld of begroot werden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte pres-taties overeenstemt, dan maakt hij in de loop der maand de betwiste memories over aan de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken.

Krachtens het achtste lid van die bepaling stelt de commissie het bedrag van de memorie vast, zendt ze terug aan de minister van Justitie en deelt de beslissing aan de vorderende magistraat mede.

2. Luidens artikel 146 Grondwet kan geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan worden ingesteld dan krachtens een wet.

Krachtens artikel 161 Grondwet kan geen administratief rechtscollege worden in-gesteld dan krachtens de wet.

Hieruit volgt dat het in beginsel tot de bevoegdheid van de wetgever behoort om administratieve rechtscolleges op te richten of dat minstens de wetgever de Ko-ning moet machtigen om een administratief rechtscollege in te stellen.

3. Uit de samenhang van die wettelijke bepalingen volgt tevens dat de Com-missie voor de Gerechtskosten, die werd opgericht bij koninklijk besluit, niet als administratief rechtscollege maar als administratieve overheid betwistingen be-slecht over de taxatie van honoraria van deskundigen.

Anders dan het onderdeel aanvoert, blijkt niet dat het Tarief Strafzaken aan de Commissie voor de gerechtskosten rechtsmacht toekent om te oordelen over de toekenning van verwijlintresten.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

4. Krachtens artikel 5, § 1, eerste lid, Programmawet (II) van 27 december 2006 wordt een Commissie voor de gerechtskosten opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie inzake het bedrag van de gerechtskosten.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bevoegdheid van dit administra-tief rechtscollege beperkt is tot het beslechten van geschillen over de taxatie van de voorgestelde onkostenstaat die werd uitgevoerd door de magistraat.

Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft de wetgever aan de commissie niet de bevoegdheid gegeven om zich uit te spreken over een eventuele vordering tot be-taling van verwijlintresten.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft de verbintenis inzake de betaling van de honoraria overeenkomstig de artikelen 1, 2 en 78, Algemeen Reglement op de gerechtskosten en overeenkomstig de artikelen 2 tot 5, Programmawet (II) van 27 december 2006, de betaling van een geldsom tot voorwerp.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

6. De appelrechters oordelen dat zij op basis van de voorgelegde stukken niet kunnen bepalen voor welke onkostennota's vanaf welke datum verwijlrente ver-schuldigd is.

7. Zij geven aldus niet te kennen dat de omvang van de schuld niet vaststaat, maar duiden op de onmogelijkheid om zelf dit oordeel te vellen. Zij gaan evenwel ervan uit dat zij zelf de redelijke termijn kunnen bepalen waarbinnen de schuld moet worden vastgesteld en uitbetaald door de bevoegde instanties.

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

8. Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de on-der de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

9. Luidens artikel 3 Gerechtelijk Wetboek zijn wetten die betrekking hebben op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging, van toepassing op hangende rechtsgedingen.

Wetten die nieuwe regels invoeren met betrekking tot de bevoegdheid en werking van een administratief rechtscollege zijn onmiddellijk van toepassing.

Hetzelfde geldt voor wetten die een administratieve procedure regelen die moet worden gevolgd alvorens het administratieve rechtscollege kan worden gevat, voor zover de toepassing van deze wetten geen afbreuk doet aan reeds onherroe-pelijk vastgestelde rechten.

10. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat onkostennota's die werden ingediend vóór de inwerkingtreding op 7 januari 2007 van de Programmawet van 27 decem-ber 2006, niet kunnen vallen onder de procedure zoals vervat in de artikelen 3 tot 5 van die wet, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

11. De rechter mag de rechtsgronden aanvullen, op voorwaarde dat hij noch het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering wijzigt, dat hij enkel steunt op ele-menten die hem regelmatig zijn overgelegd, dat hij geen betwisting opwerpt, waarover partijen het bestaan bij conclusie hebben uitgesloten en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen eerbiedigt.

12. De appelrechters stellen vast dat de verweerder de volgende rente opeist op ingediende, doch onbetaalde onkostennota's:

- de verwijlrente sedert de aanmaning van 3 december 2004 tot aan de dagvaar-ding of de dag van betaling of de dag van de compensatie op een bedrag van 56.402,05 euro;

- de verwijlrente sedert de aanmaning van 14 februari 2007 tot aan de dagvaar-ding of de dag van betaling of de dag van de compensatie op een bedrag van 29.228,54 euro;

- de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag van de algehele betaling op een bedrag van 47.394,02 euro.

Het voorwerp van het geschil is derhalve de betaling van verwijlintresten op de door de verweerder ingediende, doch onbetaalde onkostennota's.

13. De appelrechters oordelen dat, wanneer de opeisbaarheid afhankelijk is van een beslissing van de administratieve overheid en de beslissing uitblijft, de ver-wijlrente verschuldigd is vanaf het ogenblik dat de redelijke termijn voor het on-derzoek van de aanvraag, het nemen van de beslissing en de uitbetaling is verstre-ken.

De appelrechters, die vaststellen dat zij op basis van de voorgelegde stukken niet kunnen bepalen voor welke onkostennota's vanaf welke datum verwijlrente ver-schuldigd is, maken bij de toekenning van die rente een onderscheid naargelang de vorderende magistraat de onkostennota heeft aanvaard of niet heeft aanvaard, naargelang hij bij de niet-aanvaarding werd gevolgd door de minister van Justitie of zijn gemachtigde, of naargelang de zaak werd overgemaakt aan de Commissie voor de gerechtskosten.

Zij kennen verwijlrente toe aan de wettelijke rentevoet rekening houdend met het verloop van de procedure en het verstrijken van de redelijke termijn.

Door aldus te beslissen, wijzigen de appelrechters het voorwerp van de vordering niet en schenden zij de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepaling en alge-meen rechtsbeginsel niet.

Tweede onderdeel

14. Anders dan het onderdeel aanvoert, hebben de appelrechters in concreto de termijnen vastgesteld welke als redelijk dienden beschouwd te worden en waarvan bij het verstrijken verwijlrente verschuldigd is.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters, buiten de grenzen van het concrete geschil, algemene richtlijnen geven die in acht moeten genomen worden voor het verschuldigd zijn van de verwijlrente, steunt op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 743,71 euro en voor de verweerder op 149,04 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens G. Jocqué

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Bevoegdheid

  • Administratieve rechtscolleges

  • Oprichting