- Arrest van 3 mei 2013

03/05/2013 - C.12.0350.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing nopens de rechtspleging die in overeenstemming met haar conclusie is gewezen (1). (1) Cass. (volt. zitt.) 31 jan. 2008, AR C.05.0372.N, AC 2008, nr. 74, met concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0350.N

1. LEEMCO nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Ankerrui 26-30,

2. GROEP L bvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Ankerrui 26-30,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseressen woon-plaats kiezen,

tegen

1. D.P.D. BELGIUM nv, met zetel te 2800 Mechelen, Egide Walschaertstraat 20,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. John Kirckpatrick, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woon-plaats kiest,

2. Christian VAN BUGGENHOUT, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van New Pony Express nv, met zetel te 1930 Zaventem, Vierwinden 13,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 16 februari 2012.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De appelrechters oordelen dat "in 2007 de bedrijfstak New Pony Express [werd] afgesplitst en ingebracht in een nieuwe NV met die naam" en dat "deze vennootschap (...) de huurovereenkomst had overgenomen". Bovendien oordelen zij dat "Chronopost het goed na 3 augustus 2006 slechts precair in bezit had", en dat "het gevolg van deze vaststelling is, dat de oorspronkelijke overeenkomst, en dus ook artikel 15 ervan, niet tegenstelbaar is aan, noch verbindend voor DPD". Daaruit leiden de appelrechters af dat "niets een overdracht van huur, onder welke vorm ook, in de weg [stond], waarbij DPD geenszins nog hoofdelijk verbonden was met de overnemer".

2. Door aldus te oordelen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het be-doelde verweer.

In zoverre het middel de schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, mist het feitelijke grondslag.

3. Voor het overige is het middel hieruit afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel verwijt de appelrechters zich bevoegd te hebben verklaard om in hoger beroep voor recht te zeggen dat de verbrekings- en wederverhurings-vergoeding en de bezettingsvergoeding schulden in de boedel zijn.

5. Uit de processtukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de tweede verweerder voor de vrederechter opgeworpen heeft dat de vordering m.b.t. de verbrekings- en wederverhuringsvergoeding en de huurschade een vordering is in de boedel en geen boedelschuld, en daarbij opgemerkt heeft dat alleen de rechtbank van koophandel bevoegd is om zich uit te spreken over de kwalificatie van de vordering;

- de vrederechter geoordeeld heeft dat hij bevoegd was om uitspraak te doen over de kwalificatie van de schuldvordering van de eiseressen;

- de eiseressen in hun beroepsconclusie de rechtbank van koophandel hebben gevraagd het vonnis van de vrederechter te bevestigen.

6. Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing nopens de rechtspleging die in overeenstemming met haar conclusie is gewezen.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

Tweede onderdeel

7. Indien de curators niet worden aangemaand om een beslissing te nemen over het lot van een lopende overeenkomst en zij beslissen om de overeenkomst te beëindigen, dan gelden de schulden die ontstaan tussen het vonnis van faillietver-klaring en de beëindiging van de overeenkomst als schulden in de boedel.

8. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiseressen een bedrijfspand verhuurden aan New Pony Express (hierna: de huurder);

- de huurder op 2 juni 2009 werd failliet verklaard;

- de curator op 26 juni 2009 aan de verhuurders meedeelt de overeenkomst te beëindigen en dat de vrijgave zal plaatsvinden na inventarisatie mede ter be-scherming van het voorrecht van de eiseressen.

9. Door op grond van deze vaststellingen te oordelen dat de vordering van de eiseressen met betrekking tot de periode van 2 tot 26 juni 2009 dient beschouwd te worden als een schuld in de boedel, verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

10. Overeenkomstig artikel 99 Faillissementswet wordt het bedrag van het ac-tief van de gefailleerde onder de schuldeisers verdeeld naar evenredigheid van hun vorderingen en na aftrek van de kosten en uitgaven voor het beheer van de failliete boedel, van de uitkeringen tot levensonderhoud aan de gefailleerde en zijn gezin en van hetgeen aan de bevoorrechte schuldeisers betaald is.

11. Wanneer na een faillissement de curator de lopende huurovereenkomst be-eindigt doch het onroerend goed verder gebruikt met het oog op het passend be-heer van de failliete boedel, is de verschuldigde bezettingsvergoeding een schuld van de boedel.

12. De appelrechters stellen vast dat de tweede verweerder als curator de over-eenkomst op 26 juni 2009 heeft beëindigd doch dat het pand slechts op 9 februari 2010 kon worden vrijgegeven, en dat het pand, in afwachting van de inventarisa-tie, door de curator werd gebruikt "om de nog aanwezige stock tijdelijk op te slaan in afwachting van de verkoop".

13. Door hun oordeel dat de door hen toegekende bezettingsvergoeding voor de periode tussen de beëindiging van de huurovereenkomst door de curator en de effectieve vrijgave van het pand een schuld is in de boedel en geen schuld van de boedel, schenden de appelrechters voornoemd artikel 99 Faillissementswet.

Het middel is in zoverre gegrond.

Derde middel

14. Artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsple-gingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer meerdere par-tijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag ervan maximum het dubbele van de maximale rechts-plegingsvergoeding bedraagt waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Dit artikel bepaalt tevens dat, wanneer dit maximumbedrag wordt overschreden, de rechter de rechtsplegings-vergoeding tussen de partijen verdeelt.

Uit deze wetsbepalingen volgt dat, onverminderd de toepassing van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, wanneer meerdere partijen in het gelijk zijn ge-steld, ieder van hen afzonderlijk recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding, on-geacht of zij al dan niet samen met één of meerdere andere in het gelijkgestelde partijen worden bijgestaan door eenzelfde advocaat en ongeacht of zij al dan niet in dezelfde zin hebben geconcludeerd. Het totaal van de ten laste van de in het ongelijk gestelde partij toegekende rechtsplegingsvergoedingen mag echter niet meer bedragen dan het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken.

15. Na te hebben vastgesteld dat de eiseressen dezelfde feitelijke en juridische argumentatie hebben gevoerd en zijn bijgestaan door dezelfde advocaat, oordelen de appelrechters dat het daarom past om voor hen beiden samen een enkele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Zij verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat de bezettingsvergoe-ding, vanaf 27 juni 2009 een schuld in de boedel is en oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van koophandel te Turnhout, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

B. Wylleman

G. Jocqué

B. Deconinck

E. Stassijns

E. Dirix

Vrije woorden