- Arrest van 7 mei 2013

07/05/2013 - P.12.0235.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer bij de opeenvolging van drie strafwetten in de tijd, de straf gesteld door de eerste wet, die van kracht was op het ogenblik van het plegen van het misdrijf, zwaarder is dan de straf gesteld door de derde wet, die van kracht is op het ogenblik van de uitspraak, maar deze straf eventueel, op haar beurt, strenger is dan de straf die op het misdrijf was gesteld tussen het ogenblik van het plegen ervan en de uitspraak, dient de straf te worden toegepast, die op het misdrijf was gesteld door de minst zware tweede tussenliggende wet (1). (1) Zie Cass. 3 nov. 2010, AR P.10.0856.F, AC 2010, nr. 650 met concl. van advocaat-generaal Genicot in Pas., 2010, nr. 650.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0235.N

I

O A,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Roger Vanhoyland, advocaat bij de balie te Hasselt,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plae-ten, Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

II

P J L M,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Walter Van Steenbrugge, beiden advocaat bij de balie te Gent,

tegen

BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 december 2011.

De beide eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel van de eiser II

1. Het middel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering en artikel 85, derde lid, Strafwetboek: overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, een straf uitspreken die lager is dan de wettelijke minimumstraf; op grond van die bepaling kan de strafrechter een feit dat enkel strafbaar is met gevangenisstraf, bestraffen met geldboete alleen die evenwel het maximum dat in een dergelijk geval bepaald is in artikel 85, derde lid, Strafwetboek, niet mag overschrijden; het arrest stelt vast dat de feiten strafbaar zijn met gevangenisstraf van vier maanden tot één jaar en niet met geldboete; vervolgens maakt het toepassing van voormeld wetsartikel om deze enkele gevan-genisstraf om te zetten in een veroordeling tot een effectieve geldboete van 651.943,20 euro daar waar slechts een geldboete van ten hoogste 500 euro kon worden opgelegd.

2. Wanneer de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, kan hij ofwel de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf opleggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ofwel een straf uitspreken die bij wet is bepaald, maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld.

3. Artikel 39, eerste en tweede lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna Accijnswet 1997), zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalt:

"Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 EUR.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn be-stemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aan-gifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen."

4. Bij arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 39, eerste lid, voormeld vernietigd, "in zoverre het de strafrechter niet toe-staat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te matigen en in zoverre het, door niet te voorzien in een maximum- en minimumgeldboete, (...) onevenredige gevolgen kan hebben."

5. Ingevolge dit arrest werd artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997 vervangen krachtens artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diver-se bepalingen, in werking getreden op 10 januari 2010, dat bepaalt: "Iedere over-treding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeis-baar wordt, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 euro."

Artikel 37 van dezelfde wet van 21 december 2009 voegt artikel 281-2 AWDA in dat bepaalt: "De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbe-grip van artikel 85 doch met uitzondering van artikel 68, zijn van toepassing op de misdrijven strafbaar gesteld bij deze wet en de bijzondere wetten inzake douane en accijnzen."

6. Artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet van 22 december 2009 betref-fende de algemene regeling inzake accijnzen, dat artikel 39, eerste en tweede lid, Accijnswet 1997 vervangt, bepaalt:

"Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een minimum van 250 euro.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsgoederen die worden geleverd of zijn be-stemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aan-gifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de inbreuk wordt gepleegd in bende van ten minste drie personen."

7. Indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt krachtens artikel 2, tweede lid, Strafwetboek de minst zware straf toegepast.

Wanneer bij de opeenvolging van drie strafwetten in de tijd, de straf gesteld door de eerste wet, die van kracht was op het ogenblik van het plegen van het misdrijf, zwaarder is dan de straf gesteld door de derde wet, die van kracht is op het ogen-blik van de uitspraak, maar deze straf eventueel, op haar beurt, strenger is dan de straf die op het misdrijf was gesteld tussen het ogenblik van het plegen ervan en de uitspraak, dient de straf te worden toegepast, die op het misdrijf was gesteld door de minst zware tweede tussenliggende wet.

8. Om te bepalen wat de te dezen toepasselijke, minst zware wet is, rijst de vraag wat de gevolgen zijn van het arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 van het Grondwettelijk Hof dat artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997 gedeeltelijk heeft vernietigd "in zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te matigen en in zoverre het (...) niet (...) [voorziet] in een maximum- en minimumgeldboete". Diende bijgevolg ingevolge voormeld arrest de geldboete volledig als nietig te wor-den beschouwd of vermocht de rechter in afwachting van een optreden van de wetgever, de geldboete waarin die bepaling voorzag, nog uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelijke straf met zich mee te brengen, of eventueel een minder zware geldboete uit te spreken, ofwel wegens de overschrijding van de redelijke termijn, ofwel wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM?

Het antwoord op die vraag is relevant om te bepalen of het arrest niet naar recht verantwoord is omdat de rechter alsnog een gevangenisstraf en een geldboete kon opleggen.

9. De zaak dient naar een latere datum te worden verdaagd teneinde de partijen toe te laten over deze vraag standpunt in te nemen.

Dictum

Het Hof,

Verdaagt de zaak naar de openbare rechtszitting van 11 juni 2013, teneinde de partijen standpunt te laten innemen over de in randnummer 8 gestelde vraag.

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 7 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Opeenvolgende strafwetten

  • Minst zware straf

  • Bepaling