- Arrest van 8 mei 2013

08/05/2013 - P.13.0783.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis steunt op omstandigheden eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van een inverdenkinggestelde, verliezen die omstandigheden dat karakter niet om de enkele reden dat zij ook zouden kunnen gelden voor andere samen met hem aangehouden inverdenkinggestelden (1). (1) Cass. 22 jan. 1991, AR 5257, AC 1990-1991, nr. 269.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0783.F

S. J.,

Mrs. Ricardo Bruno, advocaat bij de balie te Charleroi, en Shelley Henrotte, ad-vocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 23 april 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat, enerzijds, het paspoort dat door de raads-man van de eiseres is voorgelegd mogelijks geen vals stuk is en, anderzijds, dat het stuk en de inverdenkinggestelde niet objectief met elkaar in verband kunnen worden gebracht.

Het arrest zegt niet dat de eiseres gebruik maakt van een nagemaakt paspoort of dat zij een valse naam heeft aangenomen, maar dat zij niet kan worden vereenzel-vigd met de in dat stuk bedoelde persoon.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

De eiseres voert dubbelzinnigheid aan van de reden dat "de zogenaamde twijfels omtrent de meerderjarigheid van de inverdenkinggestelde in dit stadium genoeg-zaam worden tegengesproken door de conclusie van het radiografisch onderzoek van 2 april 2013 volgens hetwelk haar botleeftijd overeenkomt met die van een achttienjarige".

Met die vaststelling verwerpt het arrest de door de eiseres opgeworpen exceptie van minderjarigheid, vermits de appelrechters oordelen dat het botonderzoek haar beweringen niet bevestigde en door geen enkel gegeven in het dossier werd weer-legd.

Noch met deze overweging noch met die volgens welke, in die stand van de rechtspleging, een botleeftijd van de volle leeftijd van achttien jaar wordt aange-toond, laat de kamer van inbeschuldigingstelling de kwestie van de meerderjarig-heid van de inverdenkinggestelde onbeantwoord.

Het middel, dat van een onjuiste uitlegging van het arrest uitgaat, mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Het arrest wordt verweten dat het geen bewijswaarde hecht aan het door de eiseres voorgelegde paspoort waarin vermeld wordt dat de houder ervan minder dan achttien jaar geleden is geboren.

Het arrest verduidelijkt de redenen waarom de kamer van inbeschuldigingstelling dat verweermiddel niet heeft aangenomen. Benevens de verwijzing naar de resul-taten van het botonderzoek wijst het immers erop dat de eiseres heeft verklaard dat zij dertien jaar oud was en dat het paspoort is opgemaakt voor iemand die zes-tien jaar geleden is geboren en die een naam draagt waaronder de inverdenking-ggestelde nooit bekend heeft gestaan.

De appelrechters hebben uit het verschil in voornaam, naam en geboortedatum tussen de inverdenkinggestelde en de in het paspoort geïdentificeerde persoon en uit de radiografie waarmee de botleeftijd is vastgesteld, zonder miskenning van het in het middel aangevoerde algemene rechtsbeginsel of van de regels betreffen-de de bewijslast in strafzaken, kunnen afleiden dat het aangevoerde stuk de identiteit van de eiseres niet bewees.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Voor het overige voert de eiseres niet aan dat het paspoort volgens het arrest een vermelding bevat die er niet in voorkomt of dat het arrest weigert een vermelding erin te lezen die er wel in voorkomt. Zij verwijt het arrest dat het beslist dat haar identiteit door dat stuk niet wordt vastgesteld.

Dergelijke grief levert geen miskenning van de bewijskracht van de akten op.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Derde middel

Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 16, § 1 en 5, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet.

De eiseres verwijt het arrest dat het de handhaving van de hechtenis alleen moti-veert door de vermelding van dezelfde omstandigheden als die uit de arresten die zijn gewezen in de zaak van de twee personen die samen met haar van hun vrij-heid zijn beroofd.

Het arrest wijst erop dat de eiseres ervan verdacht wordt samen met twee andere personen te hebben deelgenomen aan de inbraak in een woning, in de buurt waar-van de drie verdachten werden aangetroffen terwijl ze in het bezit waren van uit de woning gestolen voorwerpen.

Volgens de appelrechters kan de eiseres niet met zekerheid worden geïdentifi-ceerd, kan zij niet aanduiden waar ze woont en heeft zij geen inkomsten. De ka-mer van inbeschuldigingstelling heeft daaruit afgeleid dat er kans op herhaling en onderduiken bestond indien de hechtenis in deze fase van de rechtspleging werd onderbroken.

De beslissing steunt aldus op omstandigheden eigen aan de zaak en aan de per-soonlijkheid van de eiseres, die dat karakter niet verliezen alleen omdat ze ook zouden kunnen gelden voor de andere twee inverdenkinggestelden die samen met haar zijn aangehouden.

Uit de door het middel aangevoerde omstandigheid kan bijgevolg niet worden af-geleid dat de appelrechters hebben verzuimd het onderzoek van de zaak aan een feitelijk en geïndividualiseerd onderzoek te onderwerpen als vereist bij de artike-len 16, § 1 en 5, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 8 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Feitelijk en geïndividualiseerd onderzoek

  • Omstandigheden die de handhaving van de hechtenis verantwoorden

  • Omstandigheden eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde