- Arrest van 10 mei 2013

10/05/2013 - C.10.0697.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Faalt naar recht het middel dat ervan uitgaat dat de vaststelling van fraude bij het verkrijgen van uitvoerrestituties voor landbouwproducten na het afsluiten van het administratief dossier en de vrijgave van de zekerheid gesteld op grond van artikel 4 van Verordening (EEG) Nr 2220/85, de borgstellingsverbintenis tot terugbetaling van de voorschotten van de restituties of prefinanciering doet herleven (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0697.N

BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU, openbare instel-ling, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 september 2009.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 22 april 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Enig middel

1. Verordening 2220/85 van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappe-lijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (hierna: Verordening 2220/85), bepaalt in artikel 4 dat een zekerheid moet worden gesteld door of voor degene die verantwoordelijk is voor de betaling van een bedrag, dat is verschuldigd wanneer een verplichting niet wordt nagekomen.

Artikel 19 van Verordening 2220/85, zoals hier van toepassing, bepaalt: "1. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer a) is vastgesteld dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorschot, [...] 2. Wanneer de uiterste termijn voor het leveren van het bewijs dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorschot is verstreken zonder dat dit bewijs werd geleverd, past de bevoegde autoriteit onmiddellijk de procedure van artikel 29 toe."

Wanneer geen tijdslimiet is vastgesteld voor het indienen van de bewijsstukken voor het vrijgeven van een zekerheid, geldt, krachtens artikel 28 van Verordening 2220/85 als uiterste termijn: a) 12 maanden na de uiterste datum waarop alle pri-maire eisen moeten zijn nagekomen, of b) wanneer een dergelijke tijdslimiet niet is vastgesteld, 12 maanden na de datum waarop alle primaire verplichtingen zijn nagekomen.

Krachtens artikel 29 van Verordening 2220/85 eist de bevoegde autoriteit, wan-neer zij kennis draagt van de elementen die tot volledige of gedeeltelijke verbeurte van de zekerheid leiden, onverwijld betaling van de betrokkene van het bedrag van de verbeurde zekerheid.

2. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 septem-ber 1984, in de zaak 117/83, Könecke, volgt kennelijk dat de intrekking van een in strijd met het recht genomen besluit tot vrijgave van een waarborg - zoals deze op grond van artikel 4 van Verordening 2220/85 - en de terugvordering van de waar-borgsom, onverenigbaar is met het EU-recht. Deze omstandigheid laat het recht en de plicht van de nationale instanties evenwel onverlet om een onderneming die door bedrieglijke handelingen de vrijgave van de waarborg heeft bewerkstelligd, te vervolgen.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld bij arrest van 16 juli 1998 in de zaak C-287/96, Kyritzer Stärke, betreffende de termijn bepaald in arti-kel 28 van Verordening 2220/85: "38. [...] De vaststelling van een termijn na het verstrijken waarvan de niet-indiening van de vereiste bewijsstukken wordt geacht niet-nakoming van de verplichting op te leveren, is noodzakelijk om de nadelen te ondervangen die zouden kleven aan een onbeperkt voortbestaan van onzekerheid omtrent de al dan niet teruggave van de gestelde zekerheid."

3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de vaststelling van fraude bij het verkrijgen van uitvoerrestituties voor landbouwproducten na het afsluiten van het administratief dossier en de vrijgave van de zekerheid gesteld op grond van artikel 4 van Verordening 2220/85, de borgstellingsverbintenis tot terugbetaling van de voorschotten van de restituties of prefinanciering doet herleven, faalt het naar recht.

4. Voor het overige geven de appelrechters van de vernoemde akte van borg-stelling geen uitlegging, maar beoordelen zij de juridische gevolgen ervan in het licht van Verordening 2220/85.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel tegen die juridische beoordeling opkomt met aanwij-zing van wetsbepalingen die enkel betrekking hebben op de miskenning van de bewijskracht van akten en de verbindende kracht van de overeenkomst, is het niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 508,74 euro en voor de verweerster op 149,04 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 10 mei 2013 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky K. Mestdagh A. Smetryns

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Verdragsbepalingen

  • Beleid

  • Borgtocht

  • Landbouwproducten

  • Uitvoerrestituties

  • Administratief dossier

  • Afsluiting

  • Fraude