- Arrest van 13 mei 2013

13/05/2013 - C.11.0762.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de tekst en de doelstelling van artikel 4 van de Kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen blijkt niet dat de wetgever de inschrijvingsplicht heeft willen beperken tot de beherende vennoten van bepaalde vennootschapsvormen; werkend vennoot in de zin van artikel 4, tweede lid van voormelde Kaderwet is de aandeelhouder of vennoot die persoonlijk de gereglementeerde activiteit uitoefent of die de daadwerkelijke leiding waarneemt van de diensten waar het beroep wordt uitgeoefend (1). (1) Zie conclusie O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0762.N

BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS (BIV), met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16 B,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. IMMO BUDGET GROUP bvba, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 122,

2. D.N.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 maart 2011.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van april 2013 verwezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 19 april 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen bepaalt dat niemand in de hoedanigheid van zelfstandige, als hoofd- of bijberoep een gereglementeerd beroep mag uitoe-fenen of er de beroepstitel van voeren, indien hij niet is ingeschreven op het ta-bleau van de beoefenaars van het beroep of op de lijst van de stagiairs of, indien hij gevestigd is in het buitenland, niet de toelating heeft verkregen om het beroep occasioneel uit te oefenen.

Artikel 4, tweede lid, van voormelde Kaderwet bepaalt dat, wanneer het geregle-menteerd beroep in het kader van een rechtspersoon wordt uitgeoefend, artikel 4, eerste lid, enkel van toepassing is op diegene of diegenen van haar bestuurders, zaakvoerders of werkende vennoten, die persoonlijk de gereglementeerde activi-teit uitoefenen of die de daadwerkelijke leiding waarnemen van de diensten waar het beroep wordt uitgeoefend.

2. Uit de tekst en de doelstelling van artikel 4 van voormelde Kaderwet blijkt niet dat de wetgever de inschrijvingsplicht heeft willen beperken tot de beherende vennoten van bepaalde vennootschapsvormen.

Werkend vennoot in de zin van artikel 4, tweede lid, van voormelde Kaderwet is de aandeelhouder of vennoot die persoonlijk de gereglementeerde activiteit uitoe-fent of die de daadwerkelijke leiding waarneemt van de diensten waar het beroep wordt uitgeoefend.

3. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt de appel-rechter dat:

- de term voorkomt in een vennootschapsrechtelijke opsomming en verwijst naar de stille handelsvennootschap of de commanditaire vennootschap.

- de term ‘werkend vennoot' in een vennootschapsrechtelijke betekenis moet worden gelezen, waardoor de tweede verweerder als vennoot met 10% van de aandelen van de eerste verweerster niet als een werkend vennoot kan worden beschouwd.

4. Door aldus te oordelen schendt de appelrechter artikel 4 van voormelde Kaderwet.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Vierde onderdeel

5. Krachtens het derde lid van artikel 4 van voormelde Kaderwet worden de in het tweede lid bedoelde personen voor de toepassing van titel II van de Kaderwet op onweerlegbare wijze vermoed deze werkzaamheid als zelfstandige uit te oefe-nen.

Krachtens artikel 4, vierde lid, van voormelde Kaderwet moet aan de uit het eerste lid voortvloeiende verplichtingen niet worden voldaan om het beroep in het kader van een arbeidsovereenkomst uit te oefenen, doch de personen die van deze mogelijkheid gebruik maken zijn niet gemachtigd de beroepstitel te voeren.

6. Hieruit volgt dat de aandeelhouder of vennoot die persoonlijk de geregle-menteerde activiteit uitoefent of die de daadwerkelijke leiding waarneemt van de diensten waar het beroep wordt uitgeoefend voor de toepassing van titel II "be-scherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende in-tellectuele beroepen" onweerlegbaar wordt vermoed deze werkzaamheid als zelf-standige uit te oefenen in de zin van artikel 4, tweede lid, van voormelde Kader-wet.

7. De appelrechter oordeelt dat de tweede verweerder niet als een "werkend vennoot" kan worden aangezien louter omdat hij als werknemer onder het gezag, de leiding en het toezicht werkt van de zaakvoerder van de eerste verweerster en het tegendeel door de eiseres niet wordt bewezen.

8. Door aldus te oordelen miskent de appelrechter het onweerlegbaar vermoe-den van artikel 4, derde lid.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols

B. Wylleman

K. Mestdagh

A. Smetryns

B. Deconinck

E. Dirix

Vrije woorden

  • Vastgoedmakelaar

  • Tableau en lijst stagiairs

  • Inschrijving

  • Werkend vennoot