- Arrest van 14 mei 2013

14/05/2013 - P.12.1417.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De tekst van artikel 127, §2, Wetboek van Strafvordering sluit niet uit dat zo er geen inverdenkingggestelden in voorlopige hechtenis zijn, de voorzitter van de raadkamer de termijn bepaalt waarbinnen het dossier op de griffie ter beschikking ligt van de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden, ze er inzage van kunnen nemen en er kopie van kunnen opvragen en ze de onderzoeksrechter kunnen verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, en de griffier daarvan aan deze partijen kennis geeft; de voorzitter bepaalt die termijn, die minstens vijftien dagen bedraagt, rekening houdend met de aard van de zaak (1) (2). (1) Zie de concl. van het O.M. (2) In de geannoteerde zaak werd toepassing gemaakt van het artikel 127 Wetboek van Strafvordering in de versie voor de wijziging bij wet van 27 dec. 2013, in werking getreden op 10 feb. 2013.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1417.N

A J D,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Frederick Bruloot, advocaat bij de balie te Gent, met kan-toor te 9052 Gent (Zwijnaarde), Bollebergen 2A bus 20, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

M R,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 19 juni 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 4 maart 2013 een schrifte-lijke conclusie ter griffie neergelegd.

Op de openbare rechtszitting van 14 mei 2013 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en voormelde eerste advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers verzoek tot het stellen van bijkomende handelingen laattij-dig is, zijn verzoekschrift niet ontvankelijk is en er bijgevolg geen schorsing is van de rechtspleging; de eiser kon als inverdenkinggestelde minstens 15 dagen voorafgaand aan de rechtszitting van de raadkamer een verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen aan de onderzoeksrechter richten; de door artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn om bijkomend onderzoek te vragen, kan niet verstrijken op een eerder tijdstip dan de dag vóór de rechtszitting van de raadkamer; de tekst van die bepaling laat niet toe de termijn in te korten; het komt niet toe aan de voorzitter of aan de griffier van de raadkamer om te bepalen dat de termijn voor het indienen van een verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen zal verstrijken op een eerder tijdstip dan de dag voorafgaand aan de rechtszitting van de raadkamer; de verschillende wijzen waarop de onderzoeksrechters en de onderzoeksgerechten artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering toepassen, houdt een miskenning in van het door de artikelen 10 en 11 Grondwet gewaar-borgde gelijkheidsbeginsel; het arrest miskent door de wijze waarop het artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering interpreteert, eisers toegang tot de onder-zoeksrechter, het verzwakt eisers procespositie zodanig dat er niet langer sprake kan zijn van een eerlijk proces en het miskent zijn recht van verdediging.

2. In zoverre het middel opkomt tegen de ongelijke wijze waarop de onder-zoeksmagistraten en de onderzoeksgerechten artikel 127, § 3, Wetboek van Straf-vordering zouden toepassen, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

3. Artikel 127, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering, in de hier toepasselijke versie bepaalt:

"§ 2. De raadkamer laat ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestel-den zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkkinggestelde, de burgerlijke partij en hun advocaten in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter be-schikking ligt, dat ze er inzage van kunnen nemen en er kopie van kunnen opvra-gen.

§ 3. Binnen de in § 2 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de bur-gerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 2 bepaalde vormen en termijnen."

4. Waar artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering, in de hier toepasselijke versie, bepaalt dat de griffier de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun advocaten in kennis stelt dat het dossier op de griffie ter beschikking ligt, dat ze inzage ervan kunnen nemen en kopie ervan kunnen opvragen, schrijft deze bepa-ling niet uitdrukkelijk voor dat de griffier kennis moet geven van de termijn waar-binnen het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, moet worden toegezonden of neergelegd.

Bij afwezigheid van een kennisgeving van de termijn waarbinnen een verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen moet worden neergelegd of toegezonden, is die termijn dezelfde als deze voor de inzage, namelijk minstens vijftien dagen in-dien er geen inverdenkinggestelden in voorlopige hechtenis zijn, wordt hij bere-kend in volle dagen en eindigt hij ten laatste de dag vóór de rechtszitting van de raadkamer, op het sluitingsuur van de griffie.

5. De tekst van artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering, in de hier toepas-selijke versie, sluit evenwel niet uit dat zo er geen inverdenkingggestelden in voorlopige hechtenis zijn, de voorzitter van de raadkamer de termijn bepaalt waarbinnen het dossier op de griffie ter beschikking ligt van de inverdenkingge-stelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden, ze er inzage van kunnen nemen en er kopie van kunnen opvragen en ze de onderzoeksrechter kunnen verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, en de griffier daarvan aan deze partijen kennis geeft. De voorzitter bepaalt die termijn, die minstens vijftien dagen bedraagt, rekening houdend met de aard van de zaak.

In voorkomend geval moet de partij die de onderzoeksrechter wil verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, dit doen binnen de door de voorzitter van de raadkamer bepaalde en door de griffier ter kennis gebrachte ter-mijn.

Een buiten die termijn neergelegd of ontvangen verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen is laattijdig, mitsdien niet ontvankelijk en leidt niet tot een schorsing van de regeling van de rechtspleging als bedoeld in artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering.

6. Deze regeling die een vlotte en ordentelijke procesvoering voor het onder-zoeksgerecht moet verzekeren, beperkt geenszins op onevenredige wijze de toe-gang van partijen tot de onderzoeksrechter en miskent evenmin het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging. De partijen hebben een redelijke ter-mijn om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen en zij kennen de termijn waarbinnen zij dat moeten doen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvor-dering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering voorschrijft dat een verzoekschrift om bijkomende onderzoeks-handelingen moet worden neergelegd binnen de voor inzage bepaalde termijn; ar-tikel 127, § 3, verwijst naar de in § 2 bepaalde termijn, doch die termijn heeft uit-sluitend betrekking op de inzage van het dossier en laat niet toe deze toe te passen op het neerleggen of verzenden van een verzoek om bijkomende onderzoekshan-delingen; de partijen kunnen een dergelijk verzoek neerleggen tot de dag vooraf-gaand aan de rechtszitting van de raadkamer; het arrest kon dan ook niet oordelen dat eisers verzoek onontvankelijk was wegens laattijdigheid en door dit toch te doen, miskent het eisers rechten.

8. Het middel is geheel afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aange-voerde wetsschending.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 67,32 euro.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 14 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten

  • Termijn

  • Bepaling van de termijn door de voorzitter van de raadkamer

  • Wettigheid