- Arrest van 14 mei 2013

14/05/2013 - P.13.0078.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van eerste advocaat-generaal Duinslaeger.

Arrest - Integrale tekst

P.13.0078.N

1. S J M G D C,

inverdenkinggestelde,

2. S D C bvba,

inverdenkinggestelde,

eisers,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

Youri STEVERLYNCK en Marc VAN PASSEL, met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 146, in hun hoedanigheid van vereffenaars van VCR VAN CAUWENBERGH nv, met zetel te 2840 Rumst, Doelhaagstraat 77,

burgerlijke partijen,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 december 2012.

De eisers voeren in memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eisers doen zonder berusting afstand van hun cassatieberoepen.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 19 april 2013 een schrifte-lijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 14 mei 2013 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voormelde eerste advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand van de cassatieberoepen

1. De eisers voeren aan dat zij beschikken over een onmiddellijk cassatieberoep tegen het onregelmatig of nietig arrest omdat dit arrest, ook al houdt het geen ver-wijzing in naar het vonnisgerecht, een voor de eisers nadelige beslissing neemt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van VCR Van Cauwenbergh nv en het zijn rechtsmacht over dit geschilpunt uitput.

Aan de eisers een onmiddellijk cassatieberoep ontzeggen, zou volgens de eisers impliceren dat een inverdenkinggestelde niet op nuttige wijze cassatieberoep kan aantekenen tegen een onwettig arrest alvorens recht te doen en zou indruisen te-gen de bedoeling van de wetgever om een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk te maken tegen onregelmatige of nietige arresten van de kamer van inbeschuldiging-stelling.

2. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de eisers niet beschikken over een onmiddellijk cassatieberoep, vragen zij dat aan het Grondwettelijk Hof de volgen-de prejudiciële vraag wordt gesteld: "Schenden de artikelen 135, 235bis en 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet in de mate dat zij niet voorzien in de mogelijkheid om na een arrest alvorens recht te doen van de kamer van inbeschuldigingstelling dat is aangetast door een onregelmatigheid of nietigheid hiertegen onmiddellijk cassatieberoep aan te tekenen, terwijl deze artikelen wel voorzien in de mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep aan te tekenen tegen een verwijzingsarrest van diezelfde kamer dat is aangetast door de-zelfde onregelmatigheid of nietigheid?"

3. De eisers doen zonder berusting afstand van hun cassatieberoep in de mate dat het arrest geen eindbeslissing zou zijn in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en geen arrest is inzake bevoegdheid of een arrest gewezen met toepassing van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvorde-ring.

4. Volgens artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering staat tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg ge-wezen vonnissen van dezelfde soort eerst cassatieberoep open na het eindarrest of het eindvonnis. Volgens artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is het eerste lid niet van toepassing op arresten inzake bevoegdheid of arresten ge-wezen met toepassing van de artikelen 135 en 235bis.

Een inverdenkinggestelde kan overeenkomstig artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering hoger beroep instellen tegen de volgende beschikkingen van de raadkamer:

- beschikkingen betreffende onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, op voorwaarde dat het middel in een schriftelijke conclusie werd ingeroepen voor de raadkamer;

- beschikkingen bedoeld in artikel 539;

- verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130 ingeval van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering op voorwaarde dat het middel in een schriftelijke conclusie werd ingeroepen voor de raadkamer, be-halve wanneer ze zijn ontstaan na het debat voor de raadkamer;

- verwijzingsbeschikkingen in de mate dat zij zelf door onregelmatigheden, ver-zuimen of nietigheden zijn aangetast.

Uit de context van de artikelen 416, tweede lid, en 135, § 2, Wetboek van Straf-vordering volgt dat de inverdenkinggestelde alleen maar in gelijkaardige gevallen onmiddellijk cassatieberoep kan aantekenen tegen het arrest van de kamer van in-beschuldigingstelling.

5. De raadkamer te Antwerpen oordeelt bij beschikking van 14 maart 2012 dat er geen reden is tot vervolging van de eisers, ontlast de onderzoeksrechter van verder onderzoek en beslist over de kosten en de rechtsplegingsvergoeding.

Het arrest oordeelt, na te hebben vastgesteld dat het gerechtelijk onderzoek was opgestart ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling van VCR Van Cau-wenbergh nv en het openbaar ministerie geen vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft genomen en na onderzoek van de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartij-stelling van VCR Van Cauwenbergh nv, dat het hoger beroep van deze burgerlijke partij wel degelijk ontvankelijk is. Het beveelt de heropening van het debat ten-einde partijen toe te laten hun opmerkingen te formuleren over de gegrondheid van het hoger beroep.

6. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een door artikel 131, § 1, bedoelde beschikking betreffende onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden of een be-schikking bedoeld in artikel 539 of een verwijzingsbeschikking.

7. De rechtstoestand van een inverdenkinggestelde na een arrest alvorens recht te doen dat het hoger beroep van een burgerlijke partij ten onrechte ontvankelijk zou hebben verklaard, valt niet te vergelijken met die van een inverdenkinggestel-de die is verwezen naar het vonnisgerecht met een arrest dat het hoger beroep van een burgerlijke partij ten onrechte ontvankelijk zou hebben verklaard. De kamer van inbeschuldigingstelling kan in het eerste geval alsnog oordelen dat er geen re-denen zijn om de eisers naar het vonnisgerecht te verwijzen, terwijl dat bij een verwijzingsbeslissing evident niet het geval is.

De prejudiciële vraag wordt niet gesteld.

8. Er kan dan ook akte worden verleend van de gevraagde afstand.

Middel

9. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van de cassa-tieberoepen, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 110,61 euro.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 14 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Beschikking tot buitenvervolginstelling

  • Burgerlijke partij

  • Hoger beroep

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Arrest dat enkel de ontvankelijkheid van het hoger beroep onderzoekt en de heropening van het debat beveelt

  • Onmiddellijk cassatieberoep van de inverdenkinggestelde

  • Ontvankelijkheid