- Arrest van 15 mei 2013

15/05/2013 - P.12.1918.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zelfs indien het openbaar ministerie het beroepsverbod niet uitdrukkelijk heeft gevorderd en ook al is het slechts facultatief, dan nog maakt het deel uit van de wettelijke bepalingen waarmee een beklaagde die wegens heling wordt vervolgd rekening dient te houden wanneer hij zijn verweer voert (1). (1) Zie Cass. 17 mei 2005, AR P.04.1571.N, AC 2005, nr. 282, met concl. P. Duinslaeger, toen adv.-gen.; Cass. 16 juni 2009, AR P.09.0038.N, AC 2009, nr. 409.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1918.F

I. N. K.,

II. C. B.,

Mr. Alexandre Chateau, advocaat bij de balie te Brussel,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 oktober 2012.

De eiser C. B. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

A. Cassatieberoep van N. K.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van C. B.

Eerste middel

De eiser, die schuldig is verklaard aan de heling van minstens vijfhonderd mobiele telefoons, voert aan dat het arrest zich voor de motivering van de straf steunt op gegevens die niet aan een tegensprekelijk debat werden onderworpen, waardoor het arrest het vermoeden van onschuld miskent.

Het verbod voor de rechter om zich op persoonlijke kennis te baseren, betekent dat hij alleen mag beslissen op grond van aan tegenspraak onderworpen gegevens.

Het arrest motiveert de straf door erop te wijzen dat de eiser zich gespecialiseerd heeft in de heling en doorverkoop op grote schaal van dure elektronische toestel-len en dat hij er tot op heden, zes jaar na de feiten, niet voor terugdeinst om via een handelszaak de schijn te wekken dat zijn illegale activiteiten regelmatig zijn.

De eerste overweging verwijst naar de beschrijving van de feiten zoals ze ten laste van de eiser en niet van een andere beklaagde omschreven en bewezen waren ver-klaard. De tweede berust op de verklaringen die de eiser zelf, volgens het arrest, op de rechtszitting van het hof van beroep over zijn activiteiten heeft afgelegd.

Voor het overige, en in tegenstelling tot wat het middel voorhoudt, blijkt uit die redenen niet dat het hof van beroep zijn opmerking betreffende de "malafide inge-steldheid" van de eiser heeft ontleend aan een gerechtelijk onderzoek naar tegen hem ingestelde vervolgingen, dat niet bij het hof aanhangig was.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM, de miskenning van het recht van verdediging en het gebrek aan motivering van het arrest. Het verwijt de appelrechters dat zij de eiser een beroepsverbod hebben opgelegd, zonder dat hierover een tegensprekelijk debat is gevoerd en ofschoon de eerste rechter die straf niet had uitgesproken en het openbaar ministerie ze evenmin had gevorderd.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op het gebrek aan motivering van het arrest, zonder te vermelden waarom de appelrechters die verplichting hebben verzuimd, is het niet ontvankelijk wegens gebrek aan duidelijkheid.

Artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, bepaalt de mogelijkheid om de persoon die veroordeeld is wegens heling te straffen met een beroepsverbod van drie tot tien jaar.

Het beroepsverbod, dat weliswaar niet uitdrukkelijk door het openbaar ministerie is gevorderd en dat slechts facultatief is, maakt niettemin deel uit van de wettelij-ke bepalingen waarmee een beklaagde die wegens heling wordt vervolgd rekening dient te houden wanneer hij zijn verdediging voert.

In zoverre het middel het tegendeel aanvoert, faalt het naar recht.

Subsidiair verzoekt het middel het Hof, om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM, die enerzijds voortvloeit uit de omstandig-heid dat de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod, het mogelijk ma-ken iemand zonder tegensprekelijk debat tot een beroepsverbod te veroordelen, terwijl dat niet kan in het geval van de beklaagden aan wie die sanctie niet kan worden opgelegd en, anderzijds, uit het feit dat de bijkomende straf van verbeurdverklaring, in tegenstelling tot het beroepsverbod, door het openbaar ministerie moet worden gevorderd.

Wat het eerste deel van de vraag betreft, worden de categorieën van beklaagden in dusdanig algemene bewoordingen gepresenteerd dat niet kan worden bepaald waarom het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en non-discriminatie zou zijn geschonden. Wat het tweede deel van de vraag betreft, dient het Hof geen prejudiciële vraag te stellen wanneer de vraag, zoals te dezen, geen kritiek uitoefent op een door de wet gemaakt onderscheid tussen personen die zich in dezelfde juridische toestand bevinden maar op wie verschillende regels van toepassing zouden zijn.

Er is geen grond om de prejudiciële vraag te stellen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens, Françoise Roggen en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 15 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beroepsverbod K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934

  • Veroordeling

  • Verweer