- Arrest van 16 mei 2013

16/05/2013 - C.11.0586.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onteigeningsprocedure wordt geregeld bij de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte, die het gemeen recht inzake onteigening vormt (1). (1) Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004, geratificeerd bij ordonnantie van 13 mei 2004 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0586.F

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door zijn re-gering, in de persoon van de minister-president,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. IMMO FOND'ROY nv,

(...)

13. D. W.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 januari 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 764, 11°, Gerechtelijk Wetboek worden alle vorderingen waarvan de mededelingen aan het openbaar ministerie bij de bijzondere wetten is voorge-schreven, uitgenomen voor de vrederechter, voor de rechter zitting houdend in kort geding en voor de beslagrechter, op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld.

Artikel 240, § 3, Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna BWRO), goedgekeurd bij de beschikking van 13 mei 2004 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voorheen artikel 32 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het be-houd van het onroerende erfgoed, bepaalt dat, wanneer het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort eigendom is van een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die persoon, in plaats van de werkzaamheden uit te voeren die nodig zijn voor het behoud van de integriteit van het goed, kan eisen dat het Gewest zijn goed onteigent en dat, tenzij anders is overeengekomen tussen de betrokken partijen, de onteigening geldt voor het gehele goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, ook al is het slechts voor een deel op de bewaarlijst ingeschreven of beschermd, voor zover het op de bewaarlijst ingeschreven of be-schermde deel een wezenlijk bestanddeel van het onroerende erfgoed uitmaakt, en voor het terrein dat er noodzakelijk bij behoort.

Artikel 242 BWRO, voorheen artikel 34 van de ordonnantie van 4 maart 1993, bepaalt van zijn kant dat de regering ofwel op eigen initiatief, ofwel op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen of van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is, kan besluiten tot de onteigening ten algemenen nutte van een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort en dat op de bewaarlijst is ingeschreven of beschermd is en waarvoor er gevaar zou bestaan voor afbraak of zware beschadiging. Op aanvraag van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken ge-meente kan de regering aan die gemeente machtiging verlenen om onder dezelfde voorwaarden een dergelijk goed ten algemenen nutte te onteigenen.

Volgens artikel 16 van de Grondwet kan niemand van zijn eigendom worden ont-zet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en te-gen billijke en voorafgaande schadeloossteling.

Artikel 240 BWRO preciseert niet welke wet van toepassing is op de onteige-ningsprocedure. Die procedure wordt bijgevolg geregeld bij de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte, die het gemeen recht inzake onteige-ning vormt.

Krachtens artikel 17 van die wet worden de vonnissen die gewezen worden in het onderzoek van de rechtspleging, zoals het geregeld is bij de vorige artikels, eerst geveld nadat het openbaar ministerie gehoord werd.

Het arrest, dat oordeelt dat "de gedwongen verkoop, door de overheid, van het be-schermde goed uitgelegd moet worden als een wijze van vergoeding voor de erf-dienstbaarheid van algemeen nut, dat de bescherming van het goed in feite is, on-der de wettelijk bepaalde voorwaarden" en beslist "dat de vonnissen en arresten die gewezen worden in het kader van het onderzoek van de in artikel 240, § 3, BWRO, bepaalde procedure, uitgesproken kunnen worden zonder dat het open-baar ministerie vooraf werd gehoord", schendt alle in het middel bedoelde bepa-lingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 16 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Op de bewaarlijst ingeschreven of beschermd onroerend goed

  • Eigendom van een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon

  • Werkzaamheden die nodig zijn voor het behoud van de integriteit van het goed

  • Gevaar voor vernieling of zware beschadiging

  • Onteigening ten algemenen nutte door het Gewest

  • Toepasselijke wet