- Arrest van 17 mei 2013

17/05/2013 - F.11.0155.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die, in een geval waarin een B.T.W.-boete van 10% werd opgelegd wegens het onrechtmatig in aftrek brengen van B.T.W. op kosten die betrekking hadden op de verkoop van gronden, en bijgevolg niet op de belastbare activiteit van de belastingplichtige, vaststelt dat de ganse betwisting draait rond de interpretatie van een wetsbepaling, heeft op die grond wettig kunnen oordelen dat de opgelegde boete onevenredig is en dient te worden kwijtgescholden (1). (1) In zijn andersluidende schriftelijke conclusie had het O.M. onder meer geargumenteerd dat het bestreden arrest op dit punt tegenstrijdig was gemotiveerd, nu uit de vaststellingen van dat arrest blijkt dat de toepassing van artikel 45, §1, btw-wetboek op de litigieuze handelingen voor de hand ligt nu deze bepaling, volgens de appelrechters duidelijk vooropstelt dat de aftrek van btw enkel mogelijk is ten voordele van de eigen belaste handelingen (bestreden arrest, folio 2116, vierde alinea), zodat deze bepaling m.a.w. niet voor principiële betwisting vatbaar was.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0155.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend in-specteur van het eerste Btw-ontvangkantoor te Gent, met kantoor te 9050 Lede-berg, Gaston Crommenlaan 6/107,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

VOS AANNEMINGEN nv, met zetel te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Kort-rijksesteenweg 1157,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 oktober 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 18 januari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 70, § 1bis, Btw-wetboek verbeurt eenieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting, in zoverre die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid.

Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek wordt binnen de door de wet gestel-de grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, eerste lid, 2°, KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, is de schaal voor de ver-mindering van de proportionele geldboete op het stuk van de btw bepaald in tabel H van de bijlage ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 1bis, Btw-wetboek, begaan na 31 oktober 1993. Volgens de voormelde tabel H bedraagt de toepasselijke geldboete 10 pct. van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting zo dit bedrag meer dan 1.250 euro bedraagt voor een controleperiode van één jaar.

2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appre-ciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wet-telijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

3. De appelrechters oordelen dat de verweerster aanspraak kan maken "op de kwijtschelding omwille van principiële redenen, daar de ganse betwisting draait rond de interpretatie van een wetsbepaling".

De appelrechters die aldus te kennen geven dat, waar de litigieuze bepaling in re-delijkheid voor principiële betwisting vatbaar was, het onevenredig is de verweer-ster te sanctioneren voor de ten onrechte door haar doorgevoerde aftrek, verant-woorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. De appelrechters zetten uitvoerig uiteen waarin de standpunten van de par-tijen over de grond van de zaak verschillen en waarom dit verschil niet louter van feitelijke aard is maar een principieel karakter heeft.

In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, mist het feitelijke grondslag.

5. De appelrechters oordelen niet dat er te dezen geen principiële betwisting kon bestaan over de toepassing van artikel 45, § 1, Btw-wetboek.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Uit de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, ener-zijds, dat het arrest de redenen aangeeft waarop het zijn beslissing steunt en dat de redenen van het arrest niet tegenstrijdig zijn.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

In zoverre het onderdeel kritiek uitoefent op de overweging van het arrest dat de volledige kwijtschelding van de geldboete kan worden verleend als de schul-denaar zijn toestand spontaan rechtzet, terwijl dit niet het geval is en ook niet is aangevoerd, wijst het niet aan welke wetsartikelen hierdoor zijn geschonden.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

7. De appelrechters die overwegen dat de volledige kwijtschelding van de geldboete kan worden verleend als de schuldenaar zijn toestaand spontaan recht-zet, oordelen niet dat de verweerster dit in conclusie heeft gevorderd.

De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de conclusie van de ver-weerster, gaat uit van een onjuiste lezing en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

8. De overweging dat de volledige kwijtschelding van de geldboete kan wor-den verleend als de schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet, is ten overvloede gegeven en is voor de appelrechters geen reden om de volledige kwijtschelding van de geldboete toe te staan.

De appelrechters hebben derhalve het beschikkingsbeginsel niet miskend, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist.

Vijfde onderdeel

9. Uit het antwoord op het vierde onderdeel blijkt dat de appelrechters hun be-slissing om de volledige kwijtschelding van de geldboete toe te staan niet steunen op de spontane rechtzetting door de schuldenaar van zijn toestand.

Zij miskennen derhalve het recht van verdediging van de eiser niet, door hem niet de kans te bieden hieromtrent debat te voeren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 122,38 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 17 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem

K. Mestdagh A. Smetryns E. Stassijns

Vrije woorden

  • Administratieve sancties met repressief karakter

  • Wettelijkheid van de sanctie

  • Evenredigheid met de inbreuk

  • Toetsingsrecht van de rechter

  • Beoordelingscriteria

  • Pertinente elementen