- Arrest van 21 mei 2013

21/05/2013 - P.13.0857.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 644, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, op een zondag of een andere wettelijke feestdag, hij verlengd wordt tot de eerstvolgende werkdag, is niet van toepassing op de termijn voor de uitspraak, bepaald in artikel 30, §3, Voorlopige Hechteniswet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0857.N

B V,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Karel Claes, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 30, § 3, Voorlopige Hechtenis-wet: het arrest overweegt ten onrechte dat artikel 644, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de termijn om uitspraak te doen over een ho-ger beroep inzake voorlopige hechtenis; de uitspraak die geschied is meer dan vijftien dagen na het instellen van het hoger beroep, is laattijdig zodat de eiser in vrijheid dient te worden gesteld.

2. Artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "De verdachte blijft in hechtenis totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld; de verdachte wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn."

3. Artikel 644, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, op een zondag of een andere wettelijke feestdag, hij verlengd wordt tot de eerstvolgende werkdag.

4. Artikel 644 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de termijn voor de uitspraak, bepaald in artikel 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt:

- dat de eiser op 20 april 2013 voor de afgevaardigde van de directeur van de strafinrichting hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de raad-kamer te Leuven van 19 april 2013 dat uitspraak deed over zijn voorlopige hechtenis;

- niet dat de eiser of zijn raadsman een verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak heeft ingediend;

- dat de kamer van inbeschuldigingstelling eerst op maandag 6 mei 2013 uit-spraak heeft gedaan.

De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt: "krachtens artikel 644, lid 1 [Wetboek van Strafvordering] is huidig arrest binnen de wettelijke termijn gewe-zen".

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht dat het uitspraak doet binnen de door artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn, maar doet het daarentegen laattijdig uitspraak.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 55 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Termijn waarbinnen het hof van beroep uitspraak moet doen

  • Verlenging

  • Artikel 644, eerste lid, Wetboek van Strafvordering

  • Toepasselijkheid