- Arrest van 23 mei 2013

23/05/2013 - C.12.0195.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien de instelling van een hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak geen verzuim of onregelmatigheid is in de zin van artikel 862, §1, van dat wetboek, wordt de niet-naleving van artikel 700 gestraft door een nietigheid als bepaald in artikel 864, eerste lid, van dat wetboek; de rechter kan die nietigheid bijgevolg niet ambtshalve opwerpen en zij is gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0195.F

J. D.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. R.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 9 september 2011.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 26 april 2013 een schriftelijke conclu-sie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Artikel 700, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoofdvorderingen op straffe van nietigheid bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht, onvermin-derd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op ver-zoekschrift.

Aangezien het bij vergissing instellen van een hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak geen verzuim of onregelmatigheid is in de zin van artikel 862, § 1, van dat wetboek, wordt de niet-naleving van artikel 700 gestraft door een nietig-heid als bepaald in artikel 864, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Die nietigheid kan bijgevolg niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen en is gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerder voor de eerste rechter de in voornoemd artikel 700 bedoelde nietigheid heeft aan-gevoerd.

Het bestreden vonnis dat, hoewel de exceptie van nietigheid niet voor de eerste rechter is aangevoerd, beslist dat de op grond van artikel 577-10 ingestelde vorde-ring niet ontvankelijk is omdat ze niet bij dagvaarding is ingesteld, schendt de ar-tikelen 700 en 864, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het eisers vordering die oorspronkelijk op grond van artikel 577-10 Burgerlijk Wetboek is ingesteld, niet-ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de kosten tussen de partijen in het cassatiegeding.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Doornik, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 23 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Burgerlijke zaken

  • Hoofdvordering

  • Inleiding

  • Onregelmatigheid

  • Sanctie