- Arrest van 24 mei 2013

24/05/2013 - C.12.0456.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De teruggave van het goed door de huurder die in geval van verlenging geldt als vertrekpunt voor de termijn van een jaar, moet volledig zijn, dit wil zeggen moet betrekking hebben op het ganse onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van het huurcontract; hieruit volgt dat wanneer bepaalde delen van het gehuurde goed niet ter vrije beschikking worden gesteld van de verhuurder, er in beginsel geen teruggave is; de rechter kan bij zijn beoordeling of de teruggave volledig is, rekening houden met alle relevante feitelijke omstandigheden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0456.N

D V,

eiseres,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 6 september 2012 onder nummer G.11.0273.N,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

M R,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 november 2011.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 3, § 2, derde lid, Woninghuurwet bepaalt dat in geval van opzegging door de verhuurder voor eigen gebruik of gebruik door bepaalde verwanten, het goed moet worden betrokken binnen een jaar na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder.

Artikel 3, § 2, vierde lid, Woninghuurwet bepaalt dat indien de verhuurder, zon-der het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt, de huurder recht heeft op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.

2. De teruggave die in geval van verlenging geldt als vertrekpunt van de ter-mijn van een jaar, moet volledig zijn, dit wil zeggen moet betrekking hebben op het ganse onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van het huurcontract. Hieruit volgt dat wanneer bepaalde delen van het gehuurde goed niet ter vrije beschikking worden gesteld van de verhuurder, er in beginsel geen teruggave is. De rechter kan bij zijn beoordeling of de teruggave volledig is, rekening houden met alle relevante feitelijke omstandigheden.

3. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het gehuurde goed wordt geacht aan de verhuurder te zijn teruggegeven in de zin van artikel 3, § 2, derde lid, Woning-huurwet van zodra de verhuurder er opnieuw de vrije beschikking over heeft doordat hij de sleutels van de huurder heeft ontvangen en dat ervan uitgaat dat de omstandigheid dat het goed niet volledig ontruimd wordt teruggegeven hoogstens een buitengewone omstandigheid kan uitmaken in de zin van artikel 3, § 2, vierde lid, Woninghuurwet, berust op een verkeerde rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. In haar appelconclusie heeft de verweerster aangevoerd dat:

- het gehuurde goed niet werd teruggegeven op 31 maart 2000 "maar veel later";

- het gehuurde goed "alleszins niet voor 7 april 2000" werd teruggegeven, datum waarop zij de sleutels van het goed heeft ontvangen.

Bovendien heeft de verweerster, in het kader van haar tegenvordering die ertoe strekte de kosten van ontruiming op de eiseres te verhalen, aangevoerd dat het goed niet volledig ontruimd was.

5. De appelrechters die de volledige ontruiming van het pand betrekken in de beoordeling van de datum van teruggave van het goed, werpen geen door de par-tijen uitgesloten geschilpunt op en laten hun oordeel steunen op een element waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter het in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren. Zij miskennen aldus noch het beschikkingsbeginsel, noch het recht van verdediging.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 562,42 euro in debet.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 24 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Opzegging door de verhuurder voor eigen gebruik

  • Termijn voor de betrekking van het goed

  • Verlenging

  • Teruggave van het goed

  • Begrip

  • Gevolg

  • Beoordeling door de rechter