- Arrest van 27 mei 2013

27/05/2013 - S.12.0005.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien de RSZ de aangiften van de werkgever geregulariseerd heeft en zijn bezwaar heeft ingediend binnen de termijn bepaald bij artikel 42, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969, schendt het arrest die wetsbepaling wanneer het hem een fout ten laste legt die enkel berust op de overschrijding van de redelijke termijn waardoor de werkgever rechtmatig wordt vrijgesteld van de verschuldigde bijdragen (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0005.F

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

IMBUCO cvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 7 september 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 23 april 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 159 van de Grondwet;

- het zogeheten algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel:

- het zogeheten legaliteitsbeginsel;

- de artikelen 5, 9, 21, eerste lid, (vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 februari 2003), 22, eerste lid, en 42 (vóór de wijziging ervan bij de wet van 29 april 1996) van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- de artikelen 33, § 2, en 34, eerste en vijfde lid (dat laatste vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 25 juli 1994), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de eiser betreffende achterstallige sociale bijdragen voor het tweede, derde en vierde kwartaal 1991 en eerste, tweede en derde kwartaal 1992 en veroordeelt de eiser in de kosten om volgende redenen:

"De eiser is als bestuurlijke overheid verplicht zijn optreden in overeenstemming te brengen met de beginselen van behoorlijk bestuur en, met name, met het vertrouwensbeginsel (of met het beginsel van rechtszekerheid) en ook met het beginsel van de redelijke termijn;

[...] Het bestuurlijk optreden moet overigens met enige spoed geschieden;

Zelfs als de regelgeving geen termijn vaststelt, staat het aan de overheid binnen een redelijke termijn uitspraak te doen en de duur daarvan moet worden beoordeeld op grond van het complexe karakter van de zaak, de onderzoeken die ze vergt en haar hoogdringend karakter [...];

Te dezen heeft de eiser geen vergissing begaan bij het toepassen van de regelgeving. Er was enkel vertraging opgetreden in de toepassing van de juiste percentages voor de vermindering van sociale bijdragen;

Tegen die achtergrond kan de verweerster niet beweren dat haar vertrouwen geschonden werd: noch uit de houding van de eiser, noch uit enig ander element blijkt dat de verweerster rechtmatig kon geloven dat zij ondanks de beperkingen van het koninklijk besluit nr. 498, zou blijven genieten van een volledige vermindering van sociale bijdragen;

Het feit dat de trimestriële bijdragen van het eerste kwartaal 1990 en de daaropvolgende kwartalen slechts in maart en april 1993 werden geregulariseerd, is daarentegen een miskenning van de redelijke termijn;

De vertraging van de eiser blijkt des te minder aanvaardbaar daar het boekhoudkundig kader, zoals het arrest van 12 januari 2011 aangeeft, de werkgever niet ertoe aanzette zelf de beperkingen van de verminderingen van sociale bijdragen toe te passen zodat de eiser ze in principe ambtshalve hoorde toe te passen;

Tegen die achtergrond zou het redelijk zijn geweest, zelfs in een tijdperk waarin het toezicht op de aangiften niet geautomatiseerd was, de regularisatie vóór het einde van het lopende jaar door te voeren. De overschrijding van de redelijke termijn is dus te dezen vastgesteld vanaf eind 1990;

Zoals hierboven is aangegeven [...] gaat de jurisprudentie ervan uit dat de vertraging van de eiser niet automatisch tot gevolg heeft dat de bedragen die hij vordert niet meer verschuldigd zijn. Zelfs als de eiser sneller zou hebben gehandeld, dan nog waren de verminderingen van de sociale bijdragen beperkt door het koninklijk besluit nr 498;

De verweerster voert echter aan dat 'zij de arbeidsovereenkomst van de werkneemster zou hebben beëindigd indien zij onmiddellijk had geweten dat zij geen verminderingen meer kon genieten';

Om te staven dat dit haar reactie zou zijn geweest voert de verweerster aan dat 'de werkneemster na haar overlijden (op 2 oktober 1992), niet vervangen werd', getuige daarvan het feit dat geen enkele trimestriële verklaring meer werd verstuurd;

Die omstandigheid staat met voldoende zekerheid vast;

De eiser heeft nooit de bewering betwist dat de persoon voor wie de betwiste verminderingen van sociale bijdragen gold, na haar overlijden niet werd vervangen en dat de onderneming nooit een andere werknemer dan die bediende heeft tewerkgesteld, hoewel hij dat had kunnen aanvechten op grond van de historiek van de trimestriële aangiften van de verweerster;

Bijgevolg moet worden aangenomen dat de betrokken werkneemster, in de geheel bijzondere omstandigheden van de zaak, niet werkelijk meer onontbeerlijk was voor de werking van de onderneming en dat de verweerster, als de regularisatie was gebeurd binnen een redelijke termijn, namelijk vóór eind 1990, een opzegging ter kennis zou hebben gebracht tegen het einde van het eerste kwartaal van 1991.

Tegen die achtergrond oordeelt het arbeidshof dat de schade die een oorzakelijk verband vertoont met de overschrijding van de redelijke termijn overeenstemt met de bijdragen en gevorderde accessoria voor het tweede kwartaal 1991 en de daaropvolgende kwartalen die, zonder die fout, zouden zijn vermeden;

De bedragen die normaliter verschuldigd zijn voor het tweede kwartaal 1991 en de daaropvolgende kwartalen en de vergoedbare schade die met die bedragen overeenstemt, moeten dus verrekend worden.

Zo is de verweerster enkel nog de bedragen verschuldigd die zijn gevorderd voor het vierde kwartaal 1990 en het eerste kwartaal 1991, namelijk, volgens het rekeninguittreksel gevoegd bij de gedinginleidende dagvaarding, 22.944 frank of 568,77 euro".

Grief

Eerste onderdeel

Volgens de artikelen 5 en 9 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), heeft de eiser tot taak de bijdragen van de werkgevers en de werknemers te innen.

Krachtens artikel 21, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders moet iedere verzekeringsplichtige werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen toezenden.

Krachtens artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bezorgt de werkgever het in artikel 21 van de wet bedoelde aangifteformulier aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid uiterlijk de laatste dag van de maand na elk kalenderkwartaal, waarop de aangifte betrekking heeft.

Luidens artikel 34, eerste lid, van dat koninklijk besluit is het bedrag van de bijdragen op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december door de werkgever aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid verschuldigd.

Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat de bijdragen die voor elk verstreken kwartaal verschuldigd zijn door de werkgever, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal, dienen te worden betaald.

Artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 bepaalt dat, wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepaalt en, in het tweede lid, dat van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering de werkgever bij aangetekende brief kennis gegeven wordt.

Ten slotte bepaalt artikel 42, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969, in de versie die op de feiten van toepassing is, dat de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen verjaren na drie jaar.

Uit die bepalingen volgt dat het beginsel van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel de Rijksdienst voor sociale zekerheid, bij een onvolledige of onjuiste aangifte, geenszins verplicht en binnen een redelijke termijn op te treden voor de inning van de verschuldigde bijdragen. De Rijksdienst voor sociale zekerheid moet enkel optreden binnen de wettelijke verjaringstermijn. Die verjaringstermijn vormt voor de Rijksdienst voor sociale zekerheid de redelijke termijn om de aangifte en de inning van de verschuldigde bijdragen te regulariseren.

Bovendien bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel van naleving van de redelijke termijn.

De miskenning van het beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid niet is opgetreden als een normaal zorgvuldige en voorzichtige bestuurlijke overheid in dezelfde omstandigheden (de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

In dit geval, had de eiser zich gedragen als een normaal zorgvuldige en voorzichtige bestuurlijke overheid aangezien hij de door de verweerster niet aangegeven bijdragen moest invorderen en de termijn voor de invordering van die bijdragen niet verstreken was.

De verweerster is daarentegen niet opgetreden als een zorgvuldige en voorzichtige werkgever aangezien zij haar verplichtingen om de verschuldigde bijdragen aan te geven en te betalen niet heeft nageleefd. De verweerster is bijgevolg alleen aansprakelijk voor de schade die zij beweert te hebben geleden door de beweerde laattijdige incohiering van de verschuldigde bijdragen.

Daaruit volgt dat de beslissing dat de eiser de beginselen van behoorlijk bestuur en het vertrouwensbeginsel zou hebben miskend doordat hij heeft nagelaten binnen een redelijke termijn uitspraak te doen over het bedrag van de door de verweerster nog verschuldigde bijdragen niet naar recht is verantwoord (schending van de wettelijke bepalingen en miskenning van de in de aanhef van het middel vermelde rechtsbeginselen, met uitzondering van artikel 159 van de Grondwet en van het legaliteitsbeginsel).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Uit de bepalingen van de artikelen 21, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappe-lijke zekerheid der arbeiders, 33, § 2, en 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van die wet, blijkt dat de werkgever, die on-der deze wet valt, bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, een aangifte met ver-antwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen binnen de door die teksten voorgeschreven termijnen hoort toe te zenden en de bijdragen moet beta-len.

Artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 bepaalt dat wanneer geen dan wel een on-volledige of onjuiste aangifte is gedaan, de Rijksdienst voor maatschappelijke ze-kerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepaalt en dat van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering de werkgever bij aangete-kende brief kennis gegeven wordt.

Krachtens artikel 42, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969, in de versie die op de feiten van toepassing is, verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst ten laste van de werkgevers die onder deze wet vallen na drie jaar.

Nadat het arbeidshof, in een eerste arrest van 12 januari 2011, beslist heeft dat ei-sers argumentatie ter staving van de niet verjaarde schuldvordering waarvan hij de betaling van de verweerster vorderde, "in principe, gegrond" was, beslist het be-streden arrest, met de in het middel weergegeven en in het onderdeel bekritiseerde redenen, dat het feit dat de eiser "pas in maart en april 1993 kennis heeft gegeven van de trimestriële aangiften van het eerste kwartaal 1990 en de daaropvolgende kwartalen, een miskenning vormt van de redelijke termijn" en dat de verweerster, "als de regularisatie binnen de redelijke termijn was geschied, namelijk vóór eind 1990", had kunnen vermijden schuldenaar te worden van de gevorderde bedragen voor het tweede kwartaal 1991 en de daaropvolgende kwartalen.

Het bestreden arrest beslist bijgevolg "de bedragen die normaliter voor die kwar-talen verschuldigd zijn en de schadevergoeding die daarmee overeenstemt, te ver-rekenen".

Aangezien de eiser de aangiften van de verweerster geregulariseerd heeft en zijn bezwaar heeft ingediend binnen de verjaringstermijn bepaald bij artikel 42, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969, schendt het bestreden arrest die wetsbepaling door hem een fout ten laste te leggen die enkel berust op de overschrijding van de redelijke termijn waardoor de verweerster rechtmatig wordt vrijgesteld van de verschuldigde bijdragen.

Het onderdeel is gegrond.

Het tweede onderdeel, dat tot geen ruimere cassatie kan leiden, hoeft niet te wor-den onderzocht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering afwijst van de eiser tot betaling van de door de verweerster verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal 1991 en de daaropvolgende kwartalen, en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille De-lange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Sociale bijdragen

  • Aangifte van de werkgever

  • RSZ

  • Regularisatie

  • Bezwaar

  • Verjaring

  • Termijn

  • Redelijke termijn

  • Overschrijding