- Arrest van 27 mei 2013

27/05/2013 - S.12.0063.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan de kwijtschelding van kapitaal verlenen van de schulden van onderhoudsgelden die vervallen zijn vóór de uitspraak houdende vaststelling van die regeling (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0063.F

A. C.,

Mr Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. B.,

e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, van het arbeidshof te Bergen van 21 februari 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 8 april 2013 een conclusie op de griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert volgend middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 23 en 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1675/2, 1675/3, 1675/7, §3, 1675/10, §4, 1675/12, zoals het van kracht was voor de wijziging ervan bij de wet van 26 maart 2012, en 1675/13, inzonderheid § 3 en 6, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijst erop dat 1. de eerste verweerder, ex-echtgenoot van de eiseres "bij beschikking van de arbeidsrechtbank te Charleroi van 12 november 2009 het voordeel heeft verkregen van de collectieve schuldenregeling"; 2. de eiseres op 15 december 2009 "een verklaring van schuldvordering ten belope van 700 euro heeft ingediend voor de uitkering tot levensonderhoud voor de periode van 1 maart tot 27 september 2008"; 3. "een arrest van het hof van beroep te Bergen van 12 juli 2010 die schuldvordering op 1400 euro heeft gebracht, zijnde het levensonderhoud voor dezelfde periode"; 4. die vordering is opgenomen in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling die bij vonnis van 20 oktober 2011 van de arbeidsrechtbank te Charleroi is bekrachtigd, en stelt vast dat de eiseres in haar hoger beroep tegen dat vonnis "de eerste rechter verwijt dat hij haar vordering in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling heeft opgenomen terwijl zij volgens haar een prioritaire schuldvordering is in de zin van de artikelen 1675/10, § 4 en 1675/12, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek: de uitlegging van die artikelen kan niet louter worden beperkt tot de schuldvordering die het menswaardig leven van de bemiddelde en zijn naaste familie in het gedrang brengt. Hoe dan ook kan het niet betalen van een uitkeringsschuld strafrechtelijk worden vervolgd zodat het niet betalen van een dergelijke schuld het menswaardig leven van de bemiddelde zelf in het gedrang brengt",

en beslist "dat de vordering in hoger beroep ontvankelijk is [en], alvorens over de gegrondheid ervan uitspraak te doen, dat het debat moet worden heropend om de eiseres de gelegenheid te bieden de beslissingen over het levensonderhoud (eerste aanleg en hoger beroep) in het debat te brengen en uitleg te geven over het lot van haar schuldvordering [gelet met name op het beginsel] dat 'de uitkeringen tot levensonderhoud, die voor de beschikking van toelaatbaarheid zijn vervallen, kunnen worden kwijtgescholden".

Het arrest steunt zijn beslissing op de volgende motieven:

"Het arbeidshof moet beslissen of de uitkeringsschuldvordering van de eiseres een prioritaire schuldvordering is;

Uit de proceduregeschriften blijkt dat de eiseres haar standpunt op de artikelen 1675/10, § 4 en 1675/12, § 5 van het Gerechtelijk Wetboek grondt;

Artikel 1675/10, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek kadert in de minnelijke aanzuiveringsregeling, terwijl artikel 1675/12, § 5 kadert in een gerechtelijke aanzuiveringsregeling zonder kwijtschelding van kapitaalschulden;

In dit geval is de gerechtelijke aanzuiveringsregeling die door de rechtbank is opgelegd een regeling met gedeeltelijke kwijtschelding van kapitaalschulden; artikel 1675/13, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op een dergelijke regeling;

Artikel 1675/13, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, 'wanneer de rechter de regeling opstelt, hij moet toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen';

Die tekst is ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 naar aanleiding van een amendement dat ertoe strekt 'het bepaalde in artikel 23 van de Grondwet gestalte te geven. Tegelijkertijd wordt echter rekening gehouden met de geest van de wet inzake collectieve schuldenregeling, die tot doel heeft de financiële situatie van de schuldenaar recht te trekken';

Kan daaruit met sommige auteurs worden afgeleid dat die tekst een nieuw voorrangsrecht invoert ten voordele van bepaalde schuldvorderingen, zoals die van huur, energieleveranciers, .. en dat hij bijgevolg een voorrecht aan de eiseres ver-leent?

Volgens het arbeidshof niet;

Immers, zoals D. P. opmerkt, wordt in dergelijke omstandigheden de waardigheid van de schuldenaar niet in het gedrang gebracht door de schuld op zich, maar door de houding van de onbetaalde schuldeiser; wanneer aldus een voorrecht wordt toegekend aan die schuldvorderingen onder aanvoering van de eerbied voor de waardigheid van de schuldenaar en zijn familie, kent men in feite een premie toe aan de meest doortastende schuldeisers of aan hen die drukkingsmiddelen hebben (uitzetting, stroomonderbrekingen) ten nadele van hen die vergevingsgezinder zijn of geen drukkingsmiddelen hebben.

Des te meer daar verschillende bepalingen van de collectieve schuldenregeling uitdrukkelijk het lot van de onderhoudschuldvorderingen regelen;

Aldus bepaalt artikel 1675/7, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek dat de beschikking van toelaatbaarheid voor de verzoeker het verbod inhoudt om, behoudens toestemming van de rechter enige daad te stellen die een schuldeiser zou be-voordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;

In feite ontneemt de wet inzake onderhoudsschulden de schuldenaar en de bemiddelaar elke keuzemogelijkheid: de wetgever verbiedt de onderhoudsschuld voor de periode na de beschikking van toelaatbaarheid in de boedel op te nemen.

De uitvoering van verbintenissen voor de toekomst wordt hier opgelegd na het afwegen van de belangen die op het spel staan en de wetgever laat het belang van de uitkeringsgerechtigde voorgaan op de bescherming van de schuldenaar;

Daaruit volgt dat de onderhoudsschuldeiser een schuldeiser in de boedel is voor het achterstal dat voor de beschikking van toelaatbaarheid is vervallen en een schuldeiser buiten de boedel voor de uitkering die vanaf dat tijdstip is verschuldigd;

Dat betekent dat onderhoudsuitkeringen die voor de beschikking van toelaat-baarheid zijn vervallen enkel in het kader van een minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling kunnen worden betaald; zij hebben geen enkel voorrecht;

Artikel 1675/13, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt overigens dat de rechter geen kwijtschelding kan verlenen voor de onderhoudsschulden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling;

Die tekst, in combinatie met artikel 1675/7, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, laat enige dubbelzinnigheid bestaan over de onderhoudsschulden die zijn ontstaan tijdens de periode tussen de beschikking van toelaatbaarheid en de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling. Immers, zo luidens artikel 1675/13, § 3 kwijtschelding kan worden verleend, dan is dat strijdig met de tekst van artikel 1675/7, § 3 dat de betaling van de onderhoudsschulden beveelt die zijn vervallen na de beschikking van toelaatbaar-heid;

De rechtsleer is in dat geval over het algemeen van mening dat de onderhoudsschulden moeten worden begrepen in de gewone lasten (schulden buiten de boedel) en de regeling enkel geldt voor de achterstallen die niet zijn betaald op de datum van het vonnis van toelaatbaarheid. Het arbeidshof deelt die mening;

Kortom, het arbeidshof is van oordeel dat:

de uitkeringen tot levensonderhoud die vervallen zijn voor de beschikking van toelaatbaarheid kunnen worden kwijtgescholden;

de uitkeringen tot levensonderhoud die vervallen zijn tussen de beschikking van toelaatbaarheid en de beslissing tot vaststelling van de aanzuiveringsregeling niet kunnen worden kwijtgescholden en dus moeten worden opgenomen in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling die de eerste rechter heeft opgelegd;

In dit geval is het blijkbaar zo dat de achterstallige uitkeringen tot levensonderhoud op het ogenblik van de beschikking van toelaatbaarheid slechts 700 euro zouden bedragen (zie aangifte van schuldvordering); pas het arrest van het hof van beroep van 12 juli 2010 zou voor dezelfde periode het bedrag voor levensonderhoud tot 1400 euro hebben opgetrokken;

Bij gebrek aan verduidelijking daarover dient het debat te worden heropend zodat de eiseres de beslissingen die het levensonderhoud (in eerste aanleg en in hoger beroep) vastleggen, in het debat kan brengen en uitleg kan geven over het lot van haar schuldvordering in het licht van de voorafgaande beginselen".

Grieven

Artikel 23 van de Grondwet bepaalt:

"Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

1° het recht op arbeid;

2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;

3° het recht op een behoorlijke huisvesting;

4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;

5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing."

Volgens artikel 1675/2 van het Gerechtelijk Wetboek kan elke natuurlijke persoon, die geen koopman is, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.

Volgens artikel 1675/3 van hetzelfde wetboek "stelt de schuldenaar bij wege van een collectieve schuldenregeling, onder toezicht van de rechter, aan zijn schuldeisers voor een minnelijke aanzuiveringsregeling te treffen.

Indien over deze minnelijke aanzuiveringsregeling geen akkoord wordt bereikt, kan de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen.

De aanzuiveringsregeling strekt ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden."

Het staat aan de rechter die kennisneemt van de vordering uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling (Gerechtelijk Wetboek, artikel 1675/6).

Krachtens artikel 1675/7, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.

Volgens artikel 1675/7, § 3 "houdt de beschikking van toelaatbaarheid voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :- enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;- enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;- zijn onvermogen te vergroten".

De beschikking van toelaatbaarheid heeft bovendien verschillende gevolgen naargelang de schuldenaar en zijn schuldeisers een minnelijke aanzuiveringsre-geling overeenkomen (artikel 1675/10 Gerechtelijk Wetboek), dan wel of de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling oplegt, die naargelang het geval de volgende maatregelen kan bevatten : uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, vermindering van de conventionele rentevoet, en gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten (artikel 1675/12, van het Gerechtelijk Wetboek) of een gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal (artikel 1675/13, Gerechtelijk Wetboek).

Krachtens artikel 1675/13, § 1 wordt de keuze van de rechter tussen beide soorten gerechtelijke regeling (regeling met of zonder kwijtschelding van schulden in kapitaal) bepaald door de mogelijkheid om het in artikel 1675/3, derde lid, omschreven doel te bereiken, met name de schuldenaar "en zijn familie te waarbor-gen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden".

De wet verplicht, hoe dan ook, de bemiddelaar of de rechter "toe te zien op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen" (artikel 1675/10, §4 Gerechtelijk Wetboek bij minnelijke aanzuiveringsregeling, artikel 1675/12, § 5 bij gerechtelijke aanzuiveringsregeling zonder kwijtschelding van schulden in kapitaal, artikel 1675/13, §6 bij gerechtelijke aanzuiveringsregeling met kwijtschending van schulden in kapitaal).

Bij gerechtelijke aanzuiveringsregeling met kwijtschelding van schulden in kapitaal, verbiedt artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter kwijtschelding te verlenen voor de onderhoudsschulden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling (het arrest stelt de onderhoudsschulden die vervallen zijn tussen de beschikking van toelaatbaarheid en de beslissing die de gerechtelijke aanzuiveringsregeling vastlegt gelijk met die onderhoudsschulden).

Eerste onderdeel

Uit het geheel van de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang met artikel 23 van de Grondwet, volgt dat de wet voor de onderhoudsschulden een bijzondere regeling invoert die afwijkt van de regeling van de andere schulden van de schuldenaar, ongeacht of die onderhoudsschulden vervallen zijn voor of na de beschikking van toelaatbaarheid, maar dat een grotere bescherming geboden wordt aan de onderhoudsschulden die op de dag van de beschikking van toelaatbaarheid niet vervallen zijn:

de schuldenaar kan de schulden die vervallen zijn na de beschikking van toelaat-baarheid verder vrijwillig vereffenen krachtens artikel 1675/7, § 3;

dezelfde schulden, of althans de schulden "die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling" kunnen niet gedwongen worden kwijtgescholden (artikel 1675/13, § 3);

de achterstallige onderhoudsschulden die op de dag van de beschikking van toelaatbaarheid vervallen zijn mogen door de schuldenaar niet vrijwillig worden betaald, maar de bemiddelaar (in geval van een minnelijke aanzuiveringsregeling) of de rechter ( in geval van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling met of zonder kwijtschelding van schulden in kapitaal) dienen te waken over hun "terugbetaling bij voorrang".

Dergelijke achterstallige onderhoudsschulden behoren immers ongetwijfeld tot het soort schulden die het menswaardig leven van de familie van de verzoeker in het gedrang brengt.

Het feit dat de achterstallige onderhoudsschulden die op de dag van de beschikking van toelaatbaarheid vervallen zijn, tot het soort schulden behoren die het menswaardig leven van de familie van de verzoeker in het gedrang brengen, impliceert dat dergelijke schulden niet in kapitaal kunnen worden kwijtgescholden of, althans, dat kwijtschelding van die achterstallige onderhoudsuitkeringen enkel kan worden verleend als de volledige kwijtschelding van de andere schulden van de schuldenaar niet volstaat om het in artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek beoogde doel te bereiken, met andere woorden als de volledige kwijtschelding van de andere schulden niet volstaat "om de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, [...]en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden."

Kortom het arrest heeft niet wettig kunnen weigeren de prioritaire terugbetaling te bevelen van de onderhoudsschulden die haar ex-echtgenoot aan de eiseres moest betalen en die reeds vervallen waren voor het vonnis van toelaatbaarheid in de collectieve schuldenregeling en heeft evenmin wettig kunnen beslissen dat dergelijke schulden kunnen worden kwijtgescholden in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling als geregeld bij artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek. Het arrest schendt door die beslissingen artikel 1675/7, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat enkel de verzoeker verbiedt vrijwillig achterstallige onderhoudsschulden te betalen maar de rechter niet verbiedt de prioritaire terugbetaling van dergelijke achterstallen te bevelen. Het arrest schendt bovendien artikel 1675/13, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter op straffe van nietigheid verbiedt kwijtschelding te verlenen voor de onderhoudsschulden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, maar hem niet verbiedt de prioritaire terugbetaling te bevelen van de onderhoudsschulden die reeds vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling of zelfs op de dag van de beschikking van toelaatbaarheid. Het arrest schendt bovendien artikel 1675/13, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek dat, in het licht van artikel 23 van de Grondwet en van de andere vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter verplicht, in het kader van een gerech-telijke aanzuiveringsregeling met kwijtschelding van schulden in kapitaal, toe te zien op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen, de onderhoudsschulden die reeds vervallen zijn op de dag van de beschikking van toelaatbaarheid behoren tot dat soort schulden (schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

Uit de motieven van het arrest kan althans niet worden afgeleid of de volledige kwijtschelding van de schulden van de schuldenaar die geen achterstallige uitkeringen tot levensonderhoud aan de eiseres zijn, voor de periode die aan de beschikking van toelaatbaarheid voorafgaat, zou hebben volstaan om het in artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek beoogde doel te bereiken, zonder bovendien de kwijtschelding van die achterstallige onderhoudsschulden te moeten bevelen. Het arrest dat zijn beslissing op de voormelde motieven steunt, belet het Hof na te gaan of de bij de wet gestelde voorwaarden voor kwijtschelding van vervallen onderhoudsschulden in dit geval zijn vervuld. Het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en schendt artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel (in ondergeschikte orde)

Artikel 1675/13, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter wanneer hij de collectieve gerechtelijke aanzuiveringsregeling opstelt (met kwijtschelding van schuld in kapitaal), "moet toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen".

Die bepaling, gelezen in het licht van artikel 23 van de Grondwet en van de andere vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake collectieve schuldenregeling, impliceert dat de rechter voor elk geval afzonderlijk, aan de hand van de eigen omstandigheden van de zaak, moet nagaan of prioritaire terugbetaling moet worden bevolen van sommige achterstallige onderhoudsschulden die voor de beschikking van toelaatbaarheid zijn vervallen.

Uit de reden dat "de onderhoudsschulden die vervallen zijn voor de beschikking van toelaatbaarheid [...] geen enkele voorrang hebben" blijkt dat de bodemrechters de feiten niet in concreto hebben onderzocht maar abstract naar recht hebben beslist dat de schuldeiser van uitkeringen tot levensonderhoud waarvan de schuld voor de beschikking van toelaatbaarheid is vervallen, een gewone schuldeiser is wiens schuldvordering nooit bevoorrecht kan worden behandeld ten aanzien van de andere boedelschulden. Aldus schendt het arrest alle in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen (met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet), en, in het bijzonder, artikel 1675/13, §6 van het Gerechtelijk Wetboek dat uitdrukkelijk bepaalt dat " wanneer de rechter de regeling opstelt, hij moet toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen", en artikel 1675/13, §3 van hetzelfde wetboek dat de rechter op straffe van nietigheid verbiedt kwijtschelding te verlenen voor de onderhoudsschulden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, maar hem niet verbiedt de prioritaire terugbetaling te bevelen van de onderhoudsschulden die reeds vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling of zelfs op de dag van de beschikking van toelaatbaarheid, wanneer die prioritaire terugbetaling wegens de bijzonderheden van de zaak verantwoord is.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Wat betreft de twee onderdelen samen:

Het arrest stelt vast dat de eerste rechter met toepassing van artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling heeft opgelegd met gedeeltelijke kwijtschelding in kapitaal van de schulden van de eerste ver-weerder en dat de eiseres, diens gescheiden echtgenote, voor het arbeidshof het beroepen vonnis verwijt dat het de onderhoudsschuld, die zij in het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling had aangegeven, in die regeling heeft opgenomen.

Krachtens artikel 1675/3, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek strekt de aanzuive-ringsregeling ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.

Artikel 1675/7, §3 bepaalt dat de beschikking van toelaatbaarheid het verbod in-houdt om enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft.

Naar luid van artikel 1675/13, § 3 kan de rechter geen kwijtschelding verlenen voor de onderhoudsschulden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.

Uit die bepalingen volgt dat de gerechtelijke aanzuiveringsregeling de kwijtschel-ding in kapitaal kan omvatten van onderhoudsschulden die vervallen zijn vóór de beslissing die deze regeling vastlegt.

Artikel 1675/13, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de rechter, wanneer hij de regeling opstelt, moet toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de schuldenaar en zijn gezin om een menswaardig le-ven te leiden in het gedrang brengen, beoogt niet als gezin de schuldeisers van onderhoudsuitkeringen van de schuldenaar die niet onder zijn dak wonen.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt bovendien niet dat de eiseres voor het arbeidshof heeft aangevoerd dat de doelstelling van die regeling ook had kunnen worden bereikt zonder haar schuldvordering op te nemen in het geheel van de schuldvorderingen waarvan de rechter de gedeeltelijke kwijtschel-ding in kapitaal heeft bevolen.

Het arrest dat oordeelt "dat de uitkeringen tot levensonderhoud die voor de be-schikking van toelaatbaarheid zijn vervallen, kunnen worden kwijtgescholden" schendt geen van de in het middel aangewezen wetsbepalingen.

Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de voorziening.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gerechtelijke aanzuiveringsregeling

  • Levensonderhoud

  • Vervallen schulden van onderhoudsgelden

  • Kwijtschelding van kapitaal