- Arrest van 28 mei 2013

28/05/2013 - P.11.1206.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder smokkelfeit of smokkelpoging in de zin van artikel 322 AWDA wordt niet enkel verstaan de in- of uitvoer van goederen met ontduiking van rechten, maar elke onregelmatigheid inzake een douane-verrichting.

Arrest - Integrale tekst

P.11.1206.N

M P J V M,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, El-lermanstraat 21,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 26 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en mis-kenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest grondt ten onrechte eisers schuldigverklaring op zijn zon-der bijstand van een advocaat op 15 april 2002 afgelegde zelfincriminerende ver-klaring en verantwoordt aldus die beslissing niet naar recht; het was de appelrech-ters niet toegestaan om zich voor eisers schuldigverklaring op die verklaring te steunen en zij hadden die verklaring, die volgens de vaststellingen van het arrest wel degelijk als het doorslaggevend bewijs wordt aangenomen, uit het debat moe-ten weren.

2. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat een verdachte bij zijn verhoor steeds bijstand moet hebben van een advocaat, faalt het naar recht.

3. Op grond van de redenen die het arrest (p. 22-23) vermeldt, oordeelt het on-der meer dat uit de dossiergegevens niet blijkt dat op de eiser bij zijn verhoor op 15 april 2002 druk of dwang werd uitgeoefend, dat geenszins blijkt dat de eiser tijdens dat verhoor door zijn ondervragers werd misleid of gedwongen werd be-paalde verklaringen af te leggen en dat evenmin kan worden aangenomen dat hij zich bij dat verhoor in een kwetsbare positie bevond. De beslissingen dat artikel 6 EVRM niet werd geschonden en dat eisers recht van verdediging niet is miskend, zijn dan ook naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat ter gelegenheid van het afleggen van ei-sers verklaring op 15 april 2002 geen misbruik werd gemaakt van enigerlei insi-nuatie, autoriteitsaspect of andere omstandigheid die de betrouwbaarheid van die verklaring aantast, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal van 17 januari 2005 van de vervolgende administratie; uit het verloop van die onder-vraging zoals weergegeven in dit proces-verbaal blijkt dat de ondervragers de eiser na zijn eerste ontkennende verklaring hebben laten merken dat die verklaring door hen niet geloofwaardig werd geacht en hebben zij verwezen naar andere fraudeonderzoeken bij de in- en uitvoer van diamanten in hoofde van J C M en naar de bevoegdheid van de gewestelijke directeur, om dan de eiser uit te nodigen een tweede verklaring af te leggen; een dergelijke handelswijze moet worden be-schouwd als een insinuatie, autoriteitsaspect of andere omstandigheid die de be-trouwbaarheid van de verklaring aantast; aldus geven de appelrechters aan het proces-verbaal waarin de verklaring van 15 april 2002 en de omstandigheden van de ondervraging zijn opgenomen, een uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is.

5. Het proces-verbaal van de vervolgende administratie schetst het verloop van eisers ondervraging op 15 april 2002 als volgt:

- na ondertekening van het opgestelde document heeft de eiser gevraagd of zijn ondervragers hem geloofden;

- zijn ondervragers deelden hem mede dat zij zeer moeilijk geloof konden hech-ten aan zijn verhaal en dat het verdere verloop van deze zaak niet in hun han-den lag, maar tot de bevoegdheid van de gewestelijke directeur behoorde;

- aan de eiser werd vervolgens medegedeeld dat J C M het voorwerp uitmaakte van andere onderzoeken naar fraude bij de in- of uitvoer van diamanten;

- de eiser werd vervolgens duidelijk gemaakt dat zijn ondervragers voor hem geen verdere vragen hadden en hij werd vriendelijk verzocht het bureau te ver-laten;

- de eiser bleef evenwel in het bureau rondhangen en door het raam staren;

- de eiser vroeg uiteindelijk even bedenktijd om alles op een rijtje te kunnen zet-ten, wat hem werd toegestaan;

- na enige tijd en nadat hij naar het toilet was gegaan, werd de eiser gevraagd of hij bij zijn uitleg bleef en of hij bereid was de waarheid te spreken;

- daarop zegde de eiser dat hij de waarheid zou vertellen;

- daarop werden de hem gestelde vragen en door hem gegeven antwoorden gelet op de door hem reeds uitgesproken wens op een blanco papier genoteerd, dat vervolgens door de eiser en de ondervragers werd ondertekend;

- dit document ving aan met de vraag "Vertel nu de waarheid M, ik geloof uw verhaal niet", gevolgd door het antwoord "Akkoord ik zal u de waarheid vertel-len (...)".

6. Met het oordeel dat ter gelegenheid van het afleggen van eisers verklaring op 15 april 2002 geen misbruik werd gemaakt van enigerlei insinuatie, autoriteits-aspect of andere omstandigheid die de betrouwbaarheid van die verklaring aantast, geeft het arrest aan de bewoordingen van het proces-verbaal van 17 januari 2005 van de vervolgende administratie omtrent het verloop van eisers ondervraging een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en mis-kenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest grondt eisers schuldigverklaring ten onrechte op zijn zon-der bijstand van een advocaat op 15 april 2002 afgelegde verklaring, waarbij ge-bruik werd gemaakt van insinuatie, autoriteitsaspect en andere omstandigheden die de betrouwbaarheid van deze verklaring aantasten, zoals blijkt uit het tweede onderdeel; aldus is eisers schuldigverklaring niet naar recht verantwoord.

8. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het tweede onderdeel aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 322 AWDA: het arrest steunt eisers schuldigverklaring op dubbelzinnige motieven en stelt niet wettig de constitutieve bestanddelen van het door artikel 322 AWDA bedoelde misdrijf vast; het arrest oordeelt dat de omschrijvingen afstempeling van EX1-documenten en het voorzien van facturen van een uitvoervisum in wezen niet onderling tegenstrijdig zijn en het onmiskenbaar gaat om hetzelfde feitelijk voorwerp, namelijk de op vraag van J C M door de eiser geviseerde documenten met betrekking tot goederen die de eiser niet had gezien; aldus geeft het arrest niet duidelijk aan of de eiser facturen dan wel EX1-documenten onrechtmatig van een uitvoervisum heeft voorzien.

10. Met het oordeel dat "deze omschrijvingen, namelijk enerzijds de afstempe-ling van EX1-documenten en anderzijds het voorzien van facturen van een uit-voervisum, in wezen niet onderling tegenstrijdig zijn en het desbetreffend onmis-kenbaar gaat om hetzelfde feitelijk voorwerp, met name de documenten die door [de eiser] op vraag van J C M werden geviseerd zonder de goederen die er het voorwerp van uitmaakten te hebben gezien" en dat "de voorlegging van de goe-deren en het desbetreffende verantwoordingsdocument (factuur of als zodanig geldend document) voor uitvoer inzake internationaal reizigersvervoer (...) wat haar gevolgen betreft, gelijk (staat) met een "aangifte ten uitvoer"¸ geeft het arrest te kennen dat het voor de strafbaarheid op grond van artikel 322 AWDA zonder belang is of de eiser facturen van een uitvoervisum heeft voorzien dan wel EX1-documenten heeft afgestempeld.

Aldus stelt het arrest zonder enige dubbelzinnigheid wettig de constitutieve be-standdelen van het door artikel 322 AWDA bedoelde misdrijf vast.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 322 AWDA: het arrest verant-woordt eisers schuldigverklaring aan een inbreuk op artikel 322 AWDA niet naar recht; het geeft immers niet aan aan welk smokkelfeit of welke smokkelpoging de eiser heeft deelgenomen, terwijl artikel 322 AWDA het bestaan van een smokkel-feit of smokkelpoging vereist.

12. Artikel 322 AWDA bepaalt: "Wordt gestraft met een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar en wordt daarenboven onbevoegd verklaard om ooit enig open-baar ambt uit te oefenen, de ambtenaar van de administratie der douane die, rechtstreeks of zijdelings, aan een smokkelfeit of smokkelpoging deelneemt, hetzij door de daders of medeplichtigen te helpen of bij te staan in de handelingen, die de smokkel hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltrokken, hetzij door met de daders of medeplichtigen overleg te plegen, hetzij door aanbiedingen of beloften te aanvaarden of door giften of geschenken te ontvangen, hetzij door de smokkel te laten geschieden indien hij zulks kon beletten, hetzij op elke andere wijze."

13. Onder smokkelfeit of smokkelpoging in de zin van artikel 322 AWDA wordt niet enkel verstaan de in- of uitvoer van goederen met ontduiking van rech-ten, maar elke onregelmatigheid inzake een douane-verrichting.

14. Met het oordeel dat de eiser tegen betaling van 100 US-dollar facturen on-rechtmatig heeft voorzien van uitvoervisa stelt het arrest het door artikel 322 AWDA vereiste smokkelfeit of de smokkelpoging vast. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest, dat ei-sers schuldigverklaring mede steunt op de vaststelling dat er op 3 maart 2002 een telefonisch contact zou zijn geweest met een door J C M gebruikte GSM, beant-woordt niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer over de geloofwaar-digheid en de bewijswaarde van het telefonieonderzoek.

16. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, zonder zelf een afzonderlijk middel te vormen.

Met de redenen die het arrest (p. 14-16) vermeldt, beantwoordt het eisers verweer dat het telefonie-onderzoek geen relevante gegevens omtrent eisers schuld kon op-leveren. Het arrest hoefde niet specifiek te antwoorden op eisers argumenten met betrekking tot het gebrek aan lokalisatie van J C M op het ogenblik van de feiten, die slechts als argumenten tot staving van eisers verweer werden aangevoerd, zonder zelf een afzonderlijk middel te vormen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 133,16 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 28 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Douaneambtenaar

  • Smokkelfeit

  • Smokkelpoging

  • Begrip