- Arrest van 28 mei 2013

28/05/2013 - P.11.1707.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een door de artikelen 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering bedoelde observatiemaatregel kan niet worden beschouwd als een inbeslagneming in de zin van artikel 233, eerste lid, d, CDW, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie met het arrest van 29 april 2010; door het bevelen van een dergelijke observatiemaatregel nemen de autoriteiten niet fysiek de feitelijke macht over de geobserveerde goederen over; de goederen worden niet onttrokken aan de vrije beschikking van de eigenaar en de autoriteiten nemen de goederen niet onder zich; de mogelijkheid bestaat dat de goederen alsnog in het economisch circuit van de lidstaten komen.

Arrest - Integrale tekst

P.11.1707.N

I

WAAGNATIE nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Leopolddok 218-Achterkaai,

burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest,

II

W C S D S,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Marc Levrie, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kan-toor te 2000 Antwerpen, Leopoldplaats 10, waar de eiser woonplaats kiest,

III

P D L V,

beklaagde,

eiser,

IV

H C A M L V O

beklaagde,

eiser,

alle cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Eller-manstraat 21,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 14 september 2011.

De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert in een memorie grieven aan.

De eisers III en IV voeren geen middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II

1. De memorie van de eiser II werd ingediend buiten de door artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn.

De memorie is niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 4.3 van het Verdrag van 13 de-cember 2007 betreffende de Europese Unie, de artikelen 202 en 233, eerste lid, d, CDW, artikel 5 van de richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 be-treffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna Accijnsrichtlijn 1992), artikel 266 AWDA, de artikelen 6 en 39, eerste lid en laatste lid van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna Accijnswet 1997) en artikel 42 Accijnswet 1997, zoals vóór de wijziging door artikel 320 van de wet van 22 december 2003, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van de bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht op de bepalingen van het nationaal recht: het arrest veroordeelt de eiser II ten onrechte tot de betaling van de ingevolge het feit 1 verschuldigde ac-cijnsschuld, te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten, en verklaart de eise-res I dan ook daarvoor ten onrechte op grond van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk; uit eensdeels artikel 39 Accijnswet 1997 en anderdeels de artikelen 202 en 233, eerste lid, d, CDW en artikel 5 Accijnsrichtlijn 1992, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie (arrest van 29 april 2010, C-230/08, Dansk Transport og Logistik v./ Skatteministerie), volgt dat de accijnsschuld is teniet gegaan en er bij-gevolg geen wettelijke grondslag is om de eiseres burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen; volgens het voormeld arrest van het Hof van Justitie gaat op grond van ar-tikel 233, eerste lid, d, CDW de douaneschuld teniet indien over de zee in de Ge-meenschap binnengebrachte goederen door de douane-autoriteiten in bewaring worden genomen vooraleer zij het eerste douanekantoor passeerden en op hetzelf-de tijdstip of erna worden vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest; uit dit arrest volgt verder dat in een dergelijk geval het belastbare feit voor de accijns in de zin van artikel 5, eerste lid, Accijnsrichtlijn 1992 niet heeft plaats gevonden en zo de goederen toch aan accijns zouden worden onderworpen, uit een consistente uitlegging van het gemeenschapsrecht volgt dat de accijns teniet gaat in dezelfde gevallen als die waarin de douanerechten tenietgaan; de door de gerechtelijke au-toriteiten georganiseerde en door het openbaar ministerie toegestane observatie-maatregel is immers een inbeslagname in de zin van artikel 233, eerste lid, d, CDW, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.

3. Volgens artikel 202.1, eerste lid, a, CDW, ontstaat een douaneschuld bij in-voer indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht. Volgens het tweede lid van die bepaling moet onder op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in de zin van dit artikel worden verstaan elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje. Volgens artikel 202.2 CDW ontstaat de douane-schuld op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnen-gebracht.

Volgens artikel 233, eerste lid, d, CDW gaat de douaneschuld teniet indien goe-deren ten aanzien waarvan ingevolge artikel 202 een douaneschuld is ontstaan, bij het onregelmatig binnenbrengen in beslag worden genomen en op hetzelfde tijd-stip of naderhand worden verbeurdverklaard.

4. Artikel 5.1 Accijnsrichtlijn 1992 bepaalt:

"1. De in artikel 3, lid 1, genoemde producten worden aan accijns onderworpen bij de productie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied.

Als ‘invoer van een accijnsproduct' wordt beschouwd, de binnenkomst van dat product in de Gemeenschap (...).

Wanneer dat product bij binnenkomst in de Gemeenschap onder een communau-taire douaneregeling wordt geplaatst, wordt de invoer van dat product evenwel geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het aan de communautaire douane-regeling wordt onttrokken."

Artikel 6 Accijnsrichtlijn 1992 bepaalt:

"1. De accijns wordt verschuldigd bij uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 14, lid, 3, aan accijnzen moeten worden on-derworpen.

Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:

a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsings-regeling; (...)

c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst. (...)."

5. Artikel 5 Accijnswet 1997 bepaalt: "De in artikel 3 bedoelde producten worden aan accijnzen onderworpen bij de productie of bij de invoer."

Artikel 6 Accijnswet 1997 bepaalt:

"De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van tekorten die aan accijns moeten worden onderworpen overeenkomstig artikel 14, § 3. (...)

Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:

- iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling;

- (...);

- elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst."

6. Met het arrest van 29 april 2010, C-230/08, Dansk Transport og Logistik v./ Skatteministeriet, heeft het Hof van Justitie de artikelen 202 en 233, eerste lid, d, CDW en de artikelen 5 en 6 Accijnsrichtlijn 1992 als volgt uitgelegd:

- goederen worden op onregelmatige wijze in de Gemeenschap binnengebracht in de zin van de artikelen 202 en 233, eerste lid, d, CDW, van zodra zij het eerste douanekantoor in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gepasseerd zonder daar te zijn aangebracht;

- onder inbeslagneming in de zin van artikel 233, eerste lid, d, CDW moet worden begrepen de fysieke ingreep ter overneming van de feitelijke macht door de bevoegde autoriteiten, waardoor de goederen in bewaring worden ge-nomen en fysiek niet meer in het economisch circuit van de lidstaten kunnen terechtkomen;

- de inbeslagneming kan maar leiden tot het tenietgaan van de douaneschuld in-dien deze inbeslagneming plaatsvond voordat deze goederen de zone hebben verlaten waar het eerste douanekantoor in het douanegebied is gevestigd;

- gelet op de overeenkomsten tussen douane- en accijnsrechten en met het oog op een consistente regeling van de gemeenschapsregeling, moeten de accijns-rechten geacht worden teniet te gaan in dezelfde situaties als de douanerech-ten, zodat de accijns slechts teniet gaat indien de goederen zijn inbeslaggenomen voordat zij de zone van het eerste douanekantoor in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gepasseerd;

- goederen die bij het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Gemeen-schap door de plaatselijke douane-autoriteiten in beslag worden genomen en door hen op hetzelfde tijdstip of later worden vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest, worden geacht niet in de Gemeenschap te zijn ingevoerd zodat ter zake het belastbare feit voor de accijns niet plaatsvindt.

7. Een door de artikelen 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering bedoelde observatiemaatregel kan niet worden beschouwd als een inbeslagneming in de zin van artikel 233, eerste lid, d, CDW, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie met het voormelde arrest van 29 april 2010. Door het bevelen van een dergelijke observatiemaatregel nemen de autoriteiten niet fysiek de feitelijke macht over de geobserveerde goederen over. De goederen worden niet onttrokken aan de vrije beschikking van de eigenaar en de autoriteiten nemen de goederen niet onder zich. De mogelijkheid bestaat dat de goederen alsnog in het econo-misch circuit van de lidstaten komen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Uit de vaststellingen van het arrest (p. 13, tweede en derde alinea) volgt dat de goederen pas werden in beslag genomen nadat zij de zone van het eerste doua-nekantoor waren gepasseerd.

9. Het arrest oordeelt dat de accijnsschuld voor het feit 1 niet is teniet gegaan.

Die beslissing is op grond van de in de rechtsoverwegingen 7 en 8 in de plaats ge-stelde redenen naar recht verantwoord.

Het middel, ook al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

10. Het middel voert in zijn drie onderdelen schending aan van de artikelen 1148 en 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres I op grond van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de lastens de eiser II uitgesproken veroordeling; de door de verweerder besliste observatie is een externe oorzaak of overmacht die het bestaan van een fout in hoofde van de eiser II uitsluit (eerste onderdeel); de door de verweerder besliste observatie is een externe oorzaak die de causaliteitsband doorbreekt tussen de fout van de eiser II en de aan de verweerder berokkende schade (tweede onderdeel); de door de verweerder besliste observatie creëerde zelf de schade waarvan de ver-weerder de vergoeding vordert (derde onderdeel).

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res I voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de door de Belgische Staat bevo-len observatiemaatregel een externe oorzaak is die de schuld van de eiser II heeft uitgesloten, de causaliteit tussen de fout van de eiser II en de door de verweerder geleden schade heeft verbroken en dat door die observatiemaatregel de verweer-der zelf zijn schade heeft veroorzaakt.

Het middel is in zijn drie onderdelen nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 247,82 euro waarvan de eisers I en IV elk 61,95 euro verschuldigd zijn en de eisers II en III elk 61,96 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 28 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Observatie

  • Inbeslagneming

  • Onderscheid