- Arrest van 28 mei 2013

28/05/2013 - P.13.0066.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij de beoordeling of het gebruik van onrechtmatig verkregen gegevens het recht op een eerlijk proces in het gedrang kan brengen is de rechter niet ertoe gehouden te preciseren dat het bewijs al dan niet werd verkregen middels miskenning van het zwijgrecht of het verbod van gedwongen zelfincriminatie en te onderzoeken of de betwiste gegevens al dan niet onvermijdelijk zouden zijn ontdekt zonder de onrechtmatigheid (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0066.N

vierenzeventig burgerlijke partijen,

eisers,

de eisers 1 tot en met 6, 8 tot en met 10, 12 tot en met 15, 17 tot en met 27, 29 tot en met 50 en 52 tot en met 74, met als raadslieden mr. Walter Van Steenbrugge en mr. Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbe-ke, Jozef Hebbelynckstraat 2, waar deze eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, met zetel te 2800 Mechelen, Wollemarkt 15,

2. Godfried kardinaal DANNEELS, wonende te 2800 Mechelen, Wolle-markt 15,

verzoekers tot opheffing van onderzoekshandelingen,

verweerders,

met als raadsman mr. Fernand Keuleneer, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 december 2012, dat uitspraak doet na verwijzing bij arrest van het Hof van 3 april 2012.

De eisers 1 tot en met 6, 8 tot en met 10, 12 tot en met 15, 17 tot en met 27, 29 tot en met 50 en 52 tot en met 74 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eisers 7, 11, 16, 28 en 51 voeren geen middel aan.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 24 april 2013 een schrifte-lijke conclusie neergelegd ter griffie.

In een op 13 mei 2013 met toepassing van artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek neergelegde antwoordnoot, hebben de eisers 1 tot en met 6, 8 tot en met 10, 12 tot en met 15, 17 tot en met 27, 29 tot en met 50 en 52 tot en met 74 een aanvullend middel aangevoerd.

Op de openbare rechtszitting van 14 mei 2013 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en de voormelde eerste advocaat-generaal geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. De verweerders hebben op 15 juli 2010 met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift neergelegd tot opheffing van de inbeslagname van alles wat tijdens de huiszoekingen op 24 juni 2010 in beslag genomen werd.

Bij beschikking van 30 juli 2010 heeft de onderzoeksrechter dit verzoek afgewe-zen.

2. De verweerders hebben tegen die beschikking hoger beroep ingesteld en hebben tevens de kamer van inbeschuldigingstelling gevorderd de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken.

3. Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat enkel het verzoek van de ver-weerders tot opheffing van de inbeslagnames uitgevoerd te Mechelen op 24 juni 2010 in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de verweerder 2, alsmede tot vernietiging van de onderzoeksdaden die daarop steunen, gegrond zou worden verklaard. Het heeft eveneens gevorderd dat de processen-verbaal met betrekking tot die onderzoeksdaden ter griffie zouden worden neergelegd.

4. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot het onderzoek van de re-gelmatigheid van de rechtspleging niet ontvankelijk. Het verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot de opheffing van de inbeslagname van documenten en voorwerpen bij derden evenmin ontvankelijk. Voor het overige beveelt dat arrest de opheffing van de inbeslagnames op 24 juni 2010 verricht te Mechelen in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van de verweerder 2, spreekt het de nietigheid uit van die onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen en beveelt het dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

5. Bij arrest P.10.1535.N van 12 oktober 2010 vernietigt het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 september 2010 in zoverre het:

- de opheffing beveelt van de inbeslagnames te Mechelen op 24 juni 2010 van documenten en voorwerpen verricht in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis, evenals in de woning en kantoren van de verweerder 2;

- de nietigheid uitspreekt van deze onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen;

- beveelt dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

Bij datzelfde arrest verwerpt het Hof het cassatieberoep voor het overige en ver-wijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbe-schuldigingstelling, anders samengesteld.

6. Ingevolge deze verwijzing, beslist het arrest van de kamer van inbeschuldi-gingstelling van 22 december 2010 onder meer als volgt:

- het verklaart het verzoek van de verweerders, strekkende tot het onderzoek van de regelmatigheid van de procedure niet ontvankelijk daar over dat verzoek reeds definitief geoordeeld werd en dit punt geen deel uitmaakt van de verwij-zing;

- het zegt dat er geen reden is tot het horen van de onderzoeksrechter;

- het spreekt de nietigheid uit van de inbeslagname van de stukken vermeld on-der de refertes K007 "Nuntiatuur/1" en K0010 "Nuntiatuur/2" op de lijst geti-teld "Dossier Kelk" met handgeschreven vermelding "Inventaris ‘archief' Aartsbisdom" zoals neergelegd ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldi-gingstelling van 7 september 2010, alsmede van de tot op de datum van het ar-rest verrichte onderzoeksdaden die hierop steunen;

- het bevestigt de beroepen beschikking mits deze wijziging dat de opheffing van het beslag op en de teruggave wordt bevolen van de stukken vermeld onder refertes K007 "Nuntiatuur/1" en K0010 "Nuntiatuur/2" op de lijst getiteld "Dossier Kelk" met handgeschreven vermelding "Inventaris ‘archief' Aartsbisdom" zoals neergelegd ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldi-gingstelling van 7 september 2010.

7. Bij arrest P.11.0085.N van 5 april 2011 vernietigt het Hof het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2010 in zoverre het uitspraak doet over de huiszoekingen verricht in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woningen en het bureel van de verweerder 2, alsmede over de uitgevoer-de inbeslagnames. Het Hof verwerpt de cassatieberoepen voor het overige en verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.

8. Ingevolge deze verwijzing oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling op 29 november 2011 als volgt:

- de bestreden beschikking van de onderzoeksrechter van 30 juli 2010 wordt binnen de perken van het voormelde arrest van het Hof teniet gedaan;

- de nietigheid wordt uitgesproken van de huiszoekingen en de daarop volgende inbeslagnames van alle documenten en voorwerpen verricht te Mechelen op 24 juni 2010 in het aartsbisschoppelijk paleis, evenals in de woning en kantoren van de verweerder 2, alsmede van de tot op de datum van het arrest verrichte onderzoekshandelingen die daarop steunen;

- de verwijdering en de neerlegging ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt bevolen van de nietig verklaarde stukken.

9. Bij arrest P.11.2095.N van 3 april 2012 vernietigt het Hof het arrest van 29 november 2011 in zoverre het:

- verklaart dat de stukken met betrekking tot de huiszoekingen en inbeslagnames op 24 juni 2010 uitgevoerd in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning en kantoren van de verweerder 2, uit het dossier zullen worden ver-wijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel;

- de tot op de datum van de uitspraak van het arrest verrichte onderzoeksdaden die steunen op de gegevens verkregen ingevolge de nietig verklaarde huiszoe-kingen, nietig verklaart en beveelt dat de daarop betrekking hebbende stukken uit het dossier zullen worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de recht-bank van eerste aanleg te Brussel.

Het arrest verwerpt voor het overige de cassatieberoepen, verwijst de zaak zoals beperkt naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel, anders samenge-steld, en zegt dat er geen grond is tot verwijzing in zoverre de vernietiging betrek-king heeft op de beslissing over, eensdeels, de nietigverklaring van de tot op de datum van de uitspraak van het bestreden arrest verrichte onderzoekshandelingen die steunen op de gegevens verkregen ingevolge de nietig verklaarde huiszoekin-gen, anderdeels de verwijdering uit het dossier en de neerlegging ter griffie van de op die onderzoeksdaden betrekking hebbende stukken.

10. Het bestreden arrest is ingevolge deze verwijzing gewezen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

11. Het middel voert schending aan artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en voor zoveel als nodig van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters beslissen tot de nietigverklaring van de stukken, voorwerpen en gegevens die op 24 juni 2010 werden in beslag genomen bij de huiszoekingen in het aartsbis-schoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de verweerder 2, maar gaan daarbij hun rechtsmacht te buiten; zij beperken hun beoordeling niet tot de Anti-goon-toets van de met het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 29 november 2011 definitief vastgestelde onregelmatigheid, zijnde het niet voorhan-den zijn van de vereiste aanwijzingen voor het uitvoeren van huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van de verweerder 2; zij beoordelen integendeel andere onregelmatigheden, met name de overschrijding van de saisine van de onderzoeksrechter en het proactief rechercheren door de on-derzoeksrechter, waarvan het arrest van 29 november 2011 echter geen melding maakt.

12. Het bestreden arrest beslist niet tot de nietigverklaring van de in het middel vermelde stukken, voorwerpen en gegevens, maar het beveelt wel hun verwijde-ring uit het gerechtelijk dossier nr. 2010/63 en de neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

13. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt bij arrest van 29 november 2011 (p. 29-30) dat de onderzoeksrechter op het ogenblik van het uitvoeren van de huiszoekingen op 24 juni 2010 in het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van de verweerder 2 over geen enkel gegeven beschikte - zelfs geen aanwijzing - dat zich daar voorwerpen of stukken konden bevinden die eventueel konden bijdragen tot het ontdekken van de waarheid met betrekking tot de in het huiszoekingsbevel bedoelde misdrijven, zijnde aanranding van de eer-baarheid op een min-16-jarige door een persoon die misbruik heeft gemaakt van zijn gezag.

14. Bij arrest P.11.2095.N van 3 april 2012 oordeelt het Hof dat de beslissing over de verwijdering van de stukken met betrekking tot de huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van de verweerder 2, alsmede over hun neerlegging ter griffie, zonder te onderzoeken of de onregelma-tigheid van de huiszoekingen en van de inbeslagnames het gevolg was van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste of het recht op een eerlijk pro-ces in het gedrang bracht, niet naar recht verantwoord is. Het Hof bepaalt dat de onwettigheid van de beslissing over de verwijdering van de kwestieuze stukken en erop gesteunde onderzoeksdaden, de wettigheid onaangetast laat van de beslissing tot nietigverklaring van deze huiszoekingen en inbeslagnames.

15. Uit de omstandigheid dat een bij toepassing van de artikelen 61quater en 235bis Wetboek van Strafvordering gewezen arrest van de kamer van inbeschul-digingstelling dat besluit tot nietigverklaring van een onderzoekshandeling, bij ar-rest van het Hof wordt vernietigd in zoverre het beslist tot de verwijdering van stukken en tot neerlegging ervan ter griffie omdat niet werd onderzocht of de tot de nietigheid aanleiding gevende onregelmatigheid op straffe van nietigheid was voorgeschreven dan wel een aantasting inhield van het recht op een eerlijk proces, volgt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling die vervolgens moet oordelen ingevolge die verwijzing, daarbij geen andere onregelmatigheden mag in aanmer-king nemen, voor zover zij daarmee niet ingaat tegen het eerste arrest van de ka-mer van inbeschuldigingstelling of vroegere arresten in de mate dat die niet wer-den vernietigd.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

16. Het arrest oordeelt dat :

- uit de chronologie der feiten en de wijze van bewijsgaring duidelijk blijkt dat op het ogenblik van de kwestieuze huiszoekingen en inbeslagnames er in hoof-de van de onderzoeksrechter geen aanwijzingen waren dat er zich in de lokalen waar de nietige huiszoekingen werden uitgevoerd, stukken of voorwerpen be-vonden die eventueel konden bijdragen tot het ontdekken van de waarheid met betrekking tot de in de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onder-zoek bedoelde misdrijven, waartoe het misdrijf van schuldig verzuim niet kan worden ondergebracht;

- uit het concreet verloop van de op 24 juni 2010 gestelde onderzoeksdaden blijkt dat deze gericht waren op het onderzoek naar een mogelijk misdrijf van schuldig verzuim waarvoor op dat ogenblik nog geen uitbreiding van het ge-rechtelijk onderzoek was gevorderd;

- dergelijke handelswijze neerkomt op de aan het openbaar ministerie voorbe-houden bevoegdheid van proactief rechercheren, welke bovendien niet kan voor schuldig verzuim;

- door zo te handelen de kwestieuze onderzoekshandelingen neerkomen op een visvangstexpeditie, zijnde het zonder enige aanwijzing moedwillig aan bewijs-garing doen voor misdrijven waarvoor men binnen het gerechtelijk onderzoek niet gevat was;

- de onregelmatigheid die werd begaan, niet is gebaseerd op een verontschuldig-bare en verschoonbare verwijtbaarheid noch op een onachtzaamheid of veront-schuldigbare onvoorzichtigheid, maar doelbewust geschiedde door de persoon belast met het onderzoek;

- rekening wordt gehouden met de omvang en de aard van de overschrijding van de saisine, zijnde een onderzoek in het algemeen gericht op pedofilie in de Kerk, evenals het gebruik van dwangmiddelen;

- de vastgestelde aantasting van het recht op een eerlijk proces door de kwestieu-ze onderzoekshandelingen onherstelbaar is;

- de verwijdering moet worden bevolen uit het gerechtelijk onderzoek nr. 2010/63 van de stukken, voorwerpen, documenten en gegevens in beslag ge-nomen op 24 juni 2010 bij de huiszoekingen uitgevoerd in het aartsbisschoppe-lijk paleis te Mechelen en in de woning en kantoren van de verweerder 2, evenals de neerlegging van die stukken ter griffie.

Met die redenen doet het bestreden arrest geen afbreuk aan de reeds met het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 29 november 2011 definitief vast-gestelde nietigheden van de kwestieuze huiszoekingen en inbeslagnames of aan wat reeds met vroegere arresten werd beslist, in de mate dat die niet werden ver-nietigd. Aldus verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

17. Het middel voert schending aan van de artikelen 131 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest beslist tot de nietigverklaring van de stukken, voorwerpen en gegevens die op 24 juni 2010 werden in beslag genomen bij de huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de verweerder 2 op basis van de vaststelling dat het gebruik ervan het recht op een eerlijk proces zou aantasten, zonder evenwel na te gaan of de ernst van de begane onregelmatigheid al dan niet de ernst van de onderzochte feiten overstijgt; het bestreden arrest besluit uitsluitend op grond van het doelbewust karakter van de begane onregelmatigheid tot miskenning van het recht op een eerlijk proces en betrekt bij die beoordeling niet de andere subcriteria; nochtans is het subcriterium van de verhouding tussen de ernst van het onderzochte misdrijf en de ernst van de begane onrechtmatigheid zo essentieel en toepasbaar in elke zaak dat de rechter niet kan beslissen tot de miskenning van het recht op een eerlijk proces indien hij niet aan dit subcriterium heeft getoetst.

18. Het bestreden arrest beslist niet tot de nietigverklaring van de in het middel vermelde stukken, voorwerpen en gegevens, maar het beveelt wel hun verwijde-ring uit het gerechtelijk dossier nr. 2010/63 en de neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

19. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of het gebruik van onrechtmatig verkregen gegevens het recht op een eerlijk proces in het gedrang kan brengen. Bij dat oordeel kan de rechter onder meer rekening houden met één of meerdere van de volgende omstandigheden, namelijk dat:

- de overheid die met de opsporing, het onderzoek of de vervolging van misdrij-ven is belast, de onrechtmatigheid al dan niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen onachtzaamheid heeft begaan;

- de ernst van het misdrijf veruit de ernst van de onrechtmatigheid overstijgt;

- het onrechtmatig bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft;

- de onrechtmatigheid een zuiver formeel karakter heeft;

- de onrechtmatigheid geen weerslag heeft op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd.

De rechter is niet ertoe verplicht om bij de beoordeling of het gebruik van de on-rechtmatig verkregen gegevens het recht op een eerlijk proces heeft aangetast, steeds het criterium van de verhouding tussen de ernst van het misdrijf en de ernst van de onrechtmatigheid te betrekken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

20. Uit die beoordelingsvrijheid van de rechter vermogen de eisers geen mis-kenning van het gelijkheidsbeginsel of van het verbod op willekeur af te leiden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

21. Het middel voert schending aan van de artikelen 131 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest beslist tot de nietigverklaring van de stukken, voor-werpen en gegevens die op 24 juni 2010 in beslag werden genomen bij de huis-zoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de verweerder 2 op basis van de vaststelling dat het gebruik ervan het recht op een eerlijk proces zou aantasten, zonder evenwel afdoende te motiveren waarom de onregelmatigheid niet zou kunnen worden hersteld in een latere fase van de pro-cedure; aldus is het Hof niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oe-fenen.

22. Het bestreden arrest beslist niet tot de nietigverklaring van de in het middel vermelde stukken, voorwerpen en gegevens, maar het beveelt wel hun verwijde-ring uit het gerechtelijk dossier nr. 2010/63 en de neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

23. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de gevolgen van een in de loop van de rechtspleging begane onrechtmatigheid niet in een latere fase zodanig kun-nen worden geremedieerd dat het recht op een eerlijk proces niet wordt aangetast.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aan-genomen.

24. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel door de rech-ter, is het niet ontvankelijk.

25. Met de redenen die het bestreden arrest (p. 15) bevat, verantwoordt het naar recht en zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, de be-slissing dat de onrechtmatigheid heeft geleid tot een onherstelbare aantasting van het recht op een eerlijk proces.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

26. Het middel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest beslist tot de nietigverklaring van de stukken, voorwerpen en ge-gevens die op 24 juni 2010 in beslag werden genomen bij de huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen en in de woning van de verweerder 2 op basis van de vaststelling dat het gebruik ervan het recht op een eerlijk proces zou aantasten, zonder evenwel te preciseren dat het bewijs werd verkregen middels miskenning van het zwijgrecht of het verbod van gedwongen zelfincriminatie en zonder te onderzoeken of het uitgesloten bewijs niet onvermijdelijk ook los van de begane onrechtmatigheid zou zijn ontdekt; betrouwbaar materieel bewijs kan slechts worden uitgesloten indien er sprake is van het uitschakelen van de vrije wil van de verdachte; uit de vaststellingen van het arrest blijkt bovendien dat de kwestieuze stukken hoe dan ook zouden worden ontdekt.

27. Het bestreden arrest beslist niet tot de nietigverklaring van de in het middel vermelde stukken, voorwerpen en gegevens, maar het beveelt wel hun verwijde-ring uit het gerechtelijk dossier nr. 2010/63 en de neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

28. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of het gebruik van onrechtmatig verkregen gegevens het recht op een eerlijk proces in het gedrang kan brengen. Bij dat oordeel kan de rechter onder meer rekening houden met één of meerdere van de volgende omstandigheden, namelijk dat:

- de overheid die met de opsporing, het onderzoek of de vervolging van misdrij-ven is belast, de onrechtmatigheid al dan niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen onachtzaamheid heeft begaan;

- de ernst van het misdrijf veruit de ernst van de onrechtmatigheid overstijgt;

- het onrechtmatig bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft;

- de onrechtmatigheid een zuiver formeel karakter heeft;

- de onrechtmatigheid geen weerslag heeft op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd.

Bij die beoordeling is de rechter niet ertoe gehouden te preciseren dat het bewijs al dan niet werd verkregen middels miskenning van het zwijgrecht of het verbod van gedwongen zelfincriminatie en te onderzoeken of de betwiste gegevens al dan niet onvermijdelijk zouden zijn ontdekt zonder de onrechtmatigheid.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Aanvullend middel

29. Het middel voert schending aan van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Straf-vordering: het bestreden arrest beslist tot de verwijdering van de stukken, voor-werpen en gegevens in beslag genomen op 24 juni 2010 bij de huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning van de verweerder 2, zonder te oor-delen, met inachtneming van de rechten van andere partijen, in welke mate de ter griffie neergelegde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij en zonder in haar beslissing aan te geven aan wie de stukken moeten worden teruggeven dan wel wat er met de nietig verklaarde stuk-ken dient te gebeuren; hoewel het bestreden arrest geen rekening kon houden met de versie van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door het op 2 mei 2013 inwerkinggetreden artikel 3 van de wet van 14 december 2012 tot verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, mag het niet in de rechtsorde blijven bestaan; het is im-mers geen eindbeslissing over de grond van de zaak, zodat de vraag naar de toe-passing van de nieuwe bepaling zal blijven worden gesteld; gelet op de onmiddel-lijke toepasbaarheid van deze wet dient het Hof er bij de beoordeling van het voorliggende cassatieberoep mee rekening te houden.

30. De door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoord-noot mag geen ander middel dan de eerder in een regelmatig neergelegde memorie aangevoerde middelen inhouden.

31. De enkele omstandigheid dat sinds de bestreden beslissing een nieuwe strafprocessuele regel is ingevoerd, laat niet toe van dit voorschrift af te wijken.

Het aanvullend middel dat evenmin werd aangevoerd binnen de termijn bepaald in artikel 420bis Wetboek van Strafvordering, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen werden in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 117,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 28 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Onrechtmatig verkregen bewijs

  • Gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs

  • Aantasting van het recht op een eerlijk proces

  • Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter

  • Criterium van de miskenning van het zwijgrecht of het verbod van gedwongen zelfincriminatie

  • Criterium van de onvermijdelijke ontdekking van dezelfde betwiste gegevens zonder de onrechtmatigheid

  • Toepassing