- Arrest van 29 mei 2013

29/05/2013 - P.13.0893.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ingevolge artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, moet de beslissing van de onderzoeksrechter om de vierentwintig uur durende termijn van vrijheidsbeneming te verlengen, de aanwijzingen van schuld en de bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval vermelden; de bijzondere omstandigheden die een bevel tot verlenging van de vierentwintig uur durende termijn van vrijheidsbeneming verantwoorden, mogen niet alleen slaan op omstandigheden met betrekking tot de uitoefening van het recht van verdediging waarbij de tussenkomst van een advocaat is vereist.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0893.F

C. W.,

Mrs. Jean-Philippe Mayence, advocaat bij de balie te Charleroi, en Constance Selvais, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Middel

Het middel voert aan dat het arrest de artikelen 2 en 15bis Voorlopige Hechtenis-wet schendt, door het bevel tot aanhouding als regelmatig te beschouwen dat de eiser is betekend buiten de termijn van vierentwintig uur vanaf zijn vrijheidsbe-neming, hoewel het bevel tot verlenging van zijn aanhouding op redenen steunt die met die artikelen geen verband houden.

Ingevolge dat artikel 15bis, moet de beslissing van de onderzoeksrechter om die termijn van vierentwintig te verlengen, de aanwijzingen van schuld en de bijzon-dere omstandigheden van de zaak vermelden.

Die bepaling werd ingevoerd door artikel 6 van de wet van 13 augustus 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de wet van 20 juli 1990 betref-fende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 augustus 2011 blijkt dat de verlenging van de termijn van vierentwintig uur niet uitsluitend is ingegeven door de noodzaak van de uitoefening van het recht van verdediging. Die verlenging be-oogt ook de doelstellingen van gerechtelijke politie en van het onderzoek te ver-wezenlijken die de aanvankelijke vrijheidsbeneming rechtvaardigden, wanneer het binnen de eerste termijn niet mogelijk is gebleken de nodige opsporings- en on-derzoekshandelingen te verrichten om op passende wijze tot de vrijlating of voor-lopige aanhouding van de verdachte te beslissen. Dat is het geval wanneer diens gezondheidstoestand tijdelijk zijn verhoor belet.

In zoverre het middel aanvoert dat de bijzondere omstandigheden die een bevel tot verlenging van die termijn verantwoorden, alleen betrekking mogen hebben op omstandigheden die verband houden met de uitoefening van het recht van verde-diging waarbij de tussenkomst van een advocaat is vereist, faalt het naar recht.

Met overneming van de redenen van de beroepen beschikking stelt het arrest vast dat de beslissing tot verlenging van de verzekerde bewaring werd verantwoord door het feit dat de eiser kort na zijn aanhouding in een ziekenhuis diende te wor-den opgenomen, dat hij bij het verlaten van het ziekenhuis maar half bij bewustzijn was en voor de politieambtenaar is ingedommeld en dat die maatregel, onder die omstandigheden, noodzakelijk was om hem op geldige wijze te kunnen verhoren. De appelrechters hebben vervolgens in substantie geoordeeld dat die bijzondere omstandigheden een geval van overmacht uitmaakten en vanuit de eerbiediging van het recht van verdediging een beperking van de individuele vrijheid ver-antwoordden, voortvloeiend uit de verlenging van de termijn van vierentwintig uur.

Met die overwegingen schenden de appelrechters de voormelde wetsbepalingen niet.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 29 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bevel tot verlenging

  • Motivering

  • Aanwijzingen van schuld

  • Bijzondere omstandigheden