- Arrest van 30 mei 2013

30/05/2013 - C.12.0344.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds is niet tot vergoeding gehouden tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft, meester heeft gemaakt door diefstal, en evenmin tegenover de mededader of de medeplichtige van de diefstal (1). (1) Art. 17, §1, 5°, KB 16 dec. 1981, van kracht vóór de opheffing ervan bij KB 11 juli 2003.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0344.F

GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. V. L.,

2. M. D.,

3. M. L.,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi van 10 februari 2012.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 21, inzonderheid § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds;

- artikel 29bis, inzonderheid § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 januari 2001;

- artikel 80, inzonderheid § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de wet van 22 augustus 2002;

- artikel 17, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij koninklijk besluit van 11 juli 2003.

Aangevochten beslissingen

Bij het [appel]gerecht was het hoger beroep van de verweerders aanhangig gemaakt naar aanleiding van de gevolgen van een verkeersongeval van 15 maart 1996, toen de auto van het merk Opel Corsa, eigendom van N. C., die dezelfde dag was gestolen in La Hestre, achtervolgd werd door rijkswachters en een van de inzittenden van de gestolen auto, S.L., bij dat ongeval het leven liet.

Het [appel]gerecht heeft met name uitspraak gedaan over de door de beide ouders en de zus van S.L. tegen de eiser ingestelde schadeclaim tot terugbetaling van de begrafeniskosten die zij hadden gedragen en tot vergoeding van hun morele schade, op grond van artikel 80, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 9 juli 1975.

De wettekst bepaalt immers dat "elke benadeelde van [de eiser] de vergoeding [kan] verkrijgen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt" met name "wanneer in geval van diefstal [...] de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is".

De eiser betwist zijn dekkingsverplichting, overeenkomstig artikel 17, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 luidens hetwelk de eiser niet tot vergoeding gehouden is tegenover "de persoon die zich van het motorrijtuig [...] heeft meester gemaakt door diefstal". Daarbij betoogde de eiser dat die tekst van toepassing is op de rechtverkrijgende van de dief en van de mededader van de diefstal.

Het bestreden vonnis doet de beslissing teniet van de politierechtbank die de vordering van de verweerders had afgewezen en veroordeelt de eiser om de onderstaande redenen:

"De tussenvordering van de (verweerders) tegen de (eiser)

De rechter heeft de aanspraak van de ouders en van de zus van S.L. onterecht verworpen door te steunen op de bepalingen van artikel 21,3°, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003;

Hoewel dat artikel bepaalt dat ‘het Fonds niet tot vergoeding gehouden [is] tegenover: [...] de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling', moet worden vastgesteld dat de schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd een eigen schade van de [verweerders] is."

Voordien had de [appel]rechtbank uitspraak gedaan over de vordering van N.C., de eigenaar van de gestolen auto, tegen de verweerders, in hun hoedanigheid van erfgenamen van S.L., niet de bestuurder maar wel een inzittende, en naar aanleiding daarvan op het volgende gewezen:

"De discussie gaat over de vraag of S.L., als mededader of medeplichtige, al dan niet heeft deelgenomen aan de diefstal van de verongelukte auto;

[...] De eerste rechter heeft terecht en met een adequate motivering, die de [ap-pel]rechtbank overneemt, bij zijn analyse, enerzijds, van de verklaringen in het strafdossier, en, anderzijds, van die welke onder eed zijn afgenomen, geoordeeld dat S.L. als mededader had deelgenomen aan de diefstal van de auto van mevrouw C.;

Bovendien toont het strafdossier voldoende aan dat het ongeval gebeurd is tijdens de achtervolging van de dieven door de politiediensten, zodat er geen twijfel kan bestaan over het oorzakelijk verband tussen de diefstal en het ongeval."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Met toepassing van artikel 80, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 9 juli 1975, dat in deze zaak van toepassing is, kan elke benadeelde "van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding bekomen van de schade voortvloeiende uit licha-melijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt [...] wanneer in geval van diefstal [...] de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is".

Luidens artikel 80, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, dat in deze zaak van toepas-sing is, worden "de omvang en de voorwaarden tot toekenning van dit recht op vergoeding [...] bepaald door de Koning".

Artikel 17, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1980 [lees 1981], dat in deze zaak van toepassing is, genomen ter uitvoering van de voornoemde wet, bepaalt dat het Fonds niet tot vergoeding gehouden is tegenover "de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal [...] en evenmin tegenover "de mededader van de diefstal".

2. Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989, dat in deze zaak van toepassing is, wordt bij een verkeersongeval waarbij een motor-rijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade ver-oorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichame-lijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig over-eenkomstig de wet.

Artikel 29bis, § 1, derde lid, van dezelfde wet, dat in deze zaak van toepassing is, bepaalt dat artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 van toepassing is op die schade-vergoeding.

Die verwijzing door artikel 29bis, § 1, derde lid, van de wet van 21 november 1989 naar artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 maakt daardoor ook dat voornoemd artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, dat de uitvoering ervan is, van toepassing is.

Bovendien wil artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 de rechten van de rechtverkrijgenden in overeenstemming brengen met de rechten van het rechtstreekse slachtoffer.

3. Uit de voornoemde wettelijke bepalingen volgt dat "de persoon die zich door diefstal" heeft meester gemaakt van het motorijtuig of "de mededader van de diefstal" geen vergoeding van de in artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 bedoeld schade kan vorderen van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds.

Dat is ook het geval wanneer tot staving van die vordering, de fout van de be-stuurder wordt aangevoerd met toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Die regel geldt niet alleen ten aanzien van die persoon maar ook ten aanzien van zijn rechtverkrijgenden die een eigen schade lijden wegens hun band met die per-soon.

De rechtverkrijgenden zijn de personen die een "gevolg"schade lijden, dat wil zeggen een persoonlijke schade uit de lichamelijke letsels of uit het overlijden van het "rechtstreekse" slachtoffer.

Wanneer het "rechtstreekse" slachtoffer geen aanspraak kan maken op de scha-devergoeding als bedoeld in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, zullen zijn rechtverkrijgenden evenmin erop aanspraak kunnen maken voor hun per-soonlijke schade uit het letsel of uit het overlijden van het "rechtstreekse" slacht-offer.

4. Daaruit volgt dat het bestreden vonnis dat beslist, enerzijds, dat S.L. "als me-dedader [heeft] deelgenomen aan de diefstal van de auto" die het ongeval heeft veroorzaakt, anderzijds, dat de verweerders respectievelijk de ouders en de zus zijn van S.L. - dat wil zeggen zijn rechtverkrijgenden - op grond van die voormelde wettelijke bepalingen de eiser niet naar recht heeft kunnen veroordelen tot ver-goeding van de begrafeniskosten die de verweerders hebben gedragen en van hun morele schade.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 80, § 1, eerste lid , 3°, van de wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van toepassing ten tijde van het litigieuze ver-keersongeval van 15 maart 1996, kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding verkrijgen van de schade voortvloeiende uit licha-melijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer in geval van diefstal de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting.

Volgens het tweede lid van dat artikel 80, § 1, worden de omvang en de voor-waarden tot toekenning van dat recht op vergoeding bepaald door de Koning.

Krachtens artikel 17, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, dat van toepassing is op het geschil, is het Fonds niet tot vergoeding gehouden tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft, meester heeft gemaakt door diefstal, en evenmin tegenover de mededader of de mede-plichtige van de diefstal.

De nabestaanden van een getroffene die, krachtens voornoemd artikel 17, § 1, 5°, geen recht heeft op vergoeding, hebben evenmin vanwege het Gemeenschappelijk Waarborgfonds recht op de vergoeding van de gevolgschade door de letsels of het overlijden van de getroffene, aangezien de oorzaak van die schade ligt in hun fa-milie- en genegenheidsbanden met de getroffene.

Het bestreden vonnis, dat eerst aanneemt dat de getroffene S.L, die bij het litigi-euze ongeval is overleden, mededader was van de diefstal van het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, en de eiser veroordeelt om de verweerders, zijnde de vader, moeder en zus van die getroffene, te vergoeden voor hun morele schade ten gevolge van dat overlijden, en bovendien om de eerste twee te vergoeden voor de begrafeniskosten die zij hebben gedragen, op grond dat het om hun eigen scha-de gaat, schendt de voornoemde wettelijke bepalingen.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de tussenvorderingen van de verweerders tegen de eiser gegrond verklaart, laatstgenoemde veroordeelt om vergoedingen aan de verweerders te betalen en uitspraak doet over de kosten betreffende die tussenvorderingen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Bergen, zitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 30 mei 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vergoeding van schade

  • Gestolen voertuig

  • Verkeersongeval

  • Schade geleden door de dader, mededader of medeplichtige aan de diefstal

  • Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds