- Arrest van 31 mei 2013

31/05/2013 - C.11.0749.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wettelijke bepaling van artikel 72, §1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, die inhoudt dat, wanneer de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of –vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan, vertolkt een algemeen beginsel dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening (1). (1) Het O.M. concludeerde eveneens tot verwerping van het cassatieberoep maar was van oordeel dat het eerste middel niet ontvankelijk was bij gebrek aan belang nu eisers in hun appelconclusie zelf hadden besloten tot de toepasselijkheid van het principe van de planologische neutraliteit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0749.N

1. L.V.T.,

2. G.D.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kie-zen,

tegen

INTERCOMMUNALE LEIEDAL DV, burgerlijke vennootschap, met zetel te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 10,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kan-toor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 maart 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 72, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, wordt bij het be-palen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt gevorderd voor de ver-wezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

2. Deze bepaling die inhoudt dat, wanneer de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, bij het bepalen van de waarde

van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerde-ring of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoe-ringsplan, vertolkt een algemeen beginsel dat van toepassing is ongeacht de rechts-grond van de onteigening.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel gaat ervan uit dat de regel vervat in artikel 72 Stedenbouwde-creet 1999 verband houdt met de bijzondere waarborgen die door dit decreet worden verstrekt, terwijl uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat die bepaling een algemeen beginsel vertolkt dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de ont-eigening.

4. Het onderdeel gaat er tevens ten onrechte van uit dat de doelstelling van de onteigening enkel kan worden afgeleid uit de motieven van het onteigeningsbesluit, terwijl de rechter hierover onaantastbaar in feite oordeelt.

5. Er is geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen die uitgaan van een ver-keerde rechtsopvatting.

Tweede middel

6. De appelrechters oordelen dat de aard van de onteigende gronden vóór de be-stemmingswijziging landbouwgrond was en dat de evolutie naar industriegrond slechts mogelijk werd ingevolge de bestemmingswijziging.

Zij sluiten aldus uit dat de nabijheid van industriegrond reeds vóór de bestemmings-wijziging een invloed had op de kwalificatie als landbouwgrond, evenals dat er spra-ke was van een spontane evolutie naar industriegrond.

7. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters weigeren rekening te houden met de objectieve eigenschappen van het goed, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 282,02 euro en voor de verweerster op 180,57 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samenge-steld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechts-zitting van 31 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Stassijns

Vrije woorden

  • Verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan

  • Onteigend perceel

  • Waardebepaling

  • Planologische neutraliteit