- Arrest van 31 mei 2013

31/05/2013 - C.12.0399.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter mag het bestuur veroordelen tot vergoeding van de schade die een derde lijdt ingevolge zijn fout, zonder daarbij evenwel aan het bestuur zijn beleidsvrijheid te ontnemen en zonder zich in zijn plaats te stellen (1). (1) Cass. 9 nov. 2012, AR C.11.0563.N, AC 2012, nr. 604, met concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0399.N

PRAYON nv, met zetel te 4480 Engis, rue Joseph Wauters 144,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest,

mede inzake

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2,

tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de tot bindendverklaring opgeroepen partij woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 oktober 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De rechter mag het bestuur veroordelen tot vergoeding van de schade die een derde lijdt ingevolge zijn fout, zonder daarbij evenwel aan het bestuur zijn be-leidsvrijheid te ontnemen en zonder zich in zijn plaats te stellen.

2. Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan, zoals ze zich heeft voorgedaan.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- de bestendige deputatie van Antwerpen op 25 april 1991 aan de eiseres een vergunning verleende tot het exploiteren van een stortplaats voor gipsafval te Boom en te Rumst, genaamd "Groenenberg";

- bij ministerieel besluit van 1 mei 1992 het besluit van de bestendige deputatie werd opgeheven en de vergunning aan de eiseres werd geweigerd;

- de eiseres op 3 juli 1992 tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring in-stelde bij de Raad van State;

- de Raad van State bij arrest nr. 103.703 van 18 februari 2002 het besluit van 1 mei 1992 vernietigde wegens miskenning van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen en van het beginsel dat elke beslissing op in feite juiste en in rechte aanvaardbare motieven moet berusten.

Zij oordelen dat:

- de fout van de verweerder vaststaat op grond van het arrest van 18 februari 2002 van de Raad van State;

- de eiseres moet aantonen dat indien het besluit van 1 mei 1992 afdoende ge-motiveerd was geweest, zij de gevraagde stortvergunning op voornoemde plaats wel zou hebben verkregen en zich derhalve geen schade zou hebben voorgedaan;

- de eiseres uit de voorliggende stukken niet kon afleiden dat zij redelijke ver-wachtingen mocht koesteren over het verder verkrijgen van een stortvergunning tot minstens 1999.

4. De appelrechters die oordelen dat niet afdoende blijkt dat indien de ver-weerder zijn beslissing naar behoren had gemotiveerd, de eiseres de gevraagde stortvergunning wel verkregen had, verantwoorden hun beslissing dat het oorza-kelijk verband tussen de onwettige akte en de schade niet afdoende bewezen is, naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Eerste subonderdeel

5. Anders dan het subonderdeel aanvoert, is het niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat het besluit van 1 mei 1992 werd vernietigd wegens miskenning van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen en van het beginsel dat elke beslissing op in feite juiste en in rechte aanvaardbare motieven moet berusten en, anderdeels, dat deze beslissing werd vernietigd wegens een schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede subonderdeel

6. Anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat, beslissen de appelrechters niet dat de beslissing van 1 mei 1992 door het arrest van de Raad van State van 18 februari 2002 enkel werd vernietigd wegens een schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht. Zij oordelen tevens dat het besluit van 1 mei 1992 werd vernie-tigd wegens miskenning van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshande-lingen en van het beginsel dat elke beslissing op in feite juiste en in rechte aan-vaardbare motieven moet berusten.

Het subonderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

7. In zoverre het subonderdeel verder aanvoert dat de appelrechters het begrip oorzakelijk verband miskennen, kan het, om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, niet worden aangenomen.

Derde subonderdeel

8. Anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat, beperken de appelrechters zich niet ertoe vast te stellen dat de overheid de vergunning wettig had kunnen weigeren. Zij oordelen dat niet afdoende blijkt dat indien de verweerder zijn be-slissing naar behoren had gemotiveerd, de eiseres de gevraagde vergunning wel had verkregen.

Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Derde onderdeel in zijn geheel

9. De appelrechters laten hun oordeel dat de eiseres niet bewijst dat indien de verweerder zijn beslissing naar behoren had gemotiveerd, zij de stortvergunning zou hebben verkregen, niet enkel steunen op de bepalingen van het Afvalstoffen-plan 1991-1995.

Zij oordelen ook dat:

- ongeacht de verstrengde reglementering de "Groenenberg" volgens het Gewestplan Antwerpen gelegen is in een ontginningsgebied met als na-bestemming agrarisch gebied, industriegebied en bufferzone;

- door het labiele karakter van gipsafval, het mogelijke gevaar dat gips meebrengt voor mens en milieu en de structuur van de gipsstorting, zijnde een ter-reinverhoging tot 25 meter, de nabestemming onmogelijk nog gerealiseerd kon worden;

- uit artikel 6 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 21 april 1982 blijkt dat de vergunning voor het verwijderen van afvalstoffen niet enkel kan ge-weigerd worden indien de aanvraag strijdig is met het afvalstoffenplan, maar ook indien zij strijdig is met het belang van de bescherming van het leefmilieu;

- de milieuproblemen die het storten van gips met zich meebrachten in een streek die bovendien sedert de jaren 80 overspoeld werd met stortplaatsen, reeds jarenlang gekend was en in het ongunstig advies van het Hoofdbestuur Milieu-vergunningen van 18 september 1991 gewag wordt gemaakt van grond- en op-pervlaktewaterverontreiniging.

Deze door het onderdeel niet-bekritiseerde redenen dragen de beslissing dat de ei-seres niet bewijst dat indien de verweerder zijn beslissing naar behoren had gemo-tiveerd, zij de gevraagde stortvergunning wel had verkregen.

Het onderdeel dat aldus niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vordering tot bindendverklaring

10. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 630,61 euro, voor de verweerder op 395,61 euro en voor de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij op 213,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 31 mei 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

B. Wylleman

G. Jocqué

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Stassijns

Vrije woorden

  • Bevoegdheid

  • Bestuurshandeling

  • Fout

  • Schade

  • Veroordeling