- Arrest van 4 juni 2013

04/06/2013 - P.12.1137.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gebruik van de woorden “unfit for trial”, tussen aanhalingstekens geplaatst in de beslissing, schendt de Taalwet Gerechtszaken niet, in zoverre de bekritiseerde reden waarin deze woorden worden gebruikt verstaanbaar en zinnig is blijkens haar context (1). (1) Zie: Cass. 20 feb. 2009, AR C.07.0250.N, AC 2009, nr. 144.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1137.N

F A R B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 29 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 24 en 37 Taalwet Gerechtszaken: het arrest wijst de door de eiser aangevoerde exceptie van ‘unfit for trial' af; het arrest dient nochtans uitsluitend in het Neder-lands te worden opgesteld en het is bij lezing niet duidelijk wat het arrest bedoelt met deze term.

2. Het gebruik van de woorden "unfit for trial", tussen aanhalingstekens ge-plaatst in de beslissing, schendt de Taalwet Gerechtszaken niet, in zoverre de be-kritiseerde reden waarin deze woorden worden gebruikt verstaanbaar en zinnig is blijkens haar context.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Met de redenen die het arrest bevat, is de term "unfit for trial", anders dan het middel aanvoert, verstaanbaar en zinnig.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 185, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat artikel 6 EVRM niet wordt geschonden doordat de eiser ongewild en tegen zijn bedoeling niet persoonlijk aanwezig was op de rechtszitting in hoger beroep; de eiser was verplicht zich te laten vertegenwoordigen, omdat verstek geen optie meer was; het arrest oordeelt onterecht dat de persoonlijke aanwezigheid van de eiser in eerste aanleg voldoende was en gaat daarmee in tegen het beginsel van een nieuwe be-handeling in hoger beroep; de aanwezigheid van de eiser is vereist voor het op-leggen van probatievoorwaarden en de herroeping wegens niet nakoming van deze voorwaarden kan maar worden uitgesproken wanneer de opgelegde voorwaarden niet werden nageleefd en geen alternatieve maatregelen mogelijk zijn; het is het recht en de plicht om persoonlijk te verschijnen, desnoods met een bevel tot gevangenneming.

5. Artikel 185, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer: "De be-klaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij ver-schijnen persoonlijk of in de persoon van een advocaat". Paragraaf 2 van dit arti-kel bepaalt: "De rechtbank kan in elke stand van het geding de persoonlijke ver-schijning bevelen, zonder dat tegen haar beslissing enig rechtsmiddel kan worden ingesteld".

Hieruit volgt niet dat de rechter verplicht is de persoonlijke verschijning van de beklaagde te bevelen, wanneer deze niet persoonlijk verschijnt en evenmin dat de beklaagde verplicht is zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman in een verzetsprocedure, wanneer hij verkiest niet persoonlijk te verschijnen.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

6. De aanwezigheid op de rechtszitting van de beklaagde is niet vereist om rechtsgeldig zijn instemming met de probatievoorwaarden, die het gerecht bepaalt, te verkrijgen.

Overeenkomstig artikel 14, § 2, tweede lid, Probatiewet kan het gerecht, dat het uitstel niet herroept, nieuwe voorwaarden verbinden aan het probatieuitstel gelast bij de eerste veroordeling. Hieruit volgt niet dat de rechter het probatieuitstel maar kan herroepen wanneer geen nieuwe voorwaarden mogelijk zijn.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het eveneens naar recht.

7. Het arrest oordeelt dat:

- uit het beroepen vonnis blijkt dat de eiser persoonlijk, hierin bijgestaan door zijn raadsman, zijn verdediging in het kader van de verzetsprocedure heeft kunnen voeren;

- zijn in hoofdorde ontwikkelde verdediging in eerste aanleg identiek is aan het thans ten gronde gevoerde verweer ter ondersteuning van zijn verzet tegen het door deze kamer van het hof van beroep bij verstek op 13 maart 2012 gewezen arrest en de eiser daartoe verwijst naar de eerste rechter;

- het verzoek tot uitstel van de behandeling door het hof van beroep op de rechtszitting van 13 februari 2012 geenszins was gesteund op het feit dat hij persoonlijk aanwezig wenste te zijn op de rechtszitting waarop zijn zaak werd behandeld;

- ook de thans door de eiser voorgelegde medische bescheiden geenszins het bewijs inhouden dat hij in de totale onmogelijkheid verkeerde om op de rechtszitting 13 februari 2012 in persoon aanwezig te zijn.

Met deze redenen wijst het arrest wettig eisers exceptie van ongeschiktheid om te verschijnen af, zonder schending van het artikel 6 EVRM en zonder miskenning van eisers recht op een nieuwe behandeling van zijn zaak in hoger beroep, en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

8. Het middel voert schending van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het rechtsprincipe van "niet geschikt als procespartij": het arrest motiveert niet waarom er geen sprake kan zijn van de rechtsfiguur "on-geschikt als procespartij"; de eiser kon onmogelijk aanwezig zijn op de rechtszit-ting van 30 april 2012 en het arrest heeft nagelaten de volgens de vaste recht-spraak van het Hof van de Rechten van de Mens bepaalde voorwaarden te toet-sen.

9. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van "ongeschikt als procespartij".

In zoverre faalt het middel naar recht.

10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat hij niet geschikt was als procespartij volgens de in het middel aangehaalde voorwaarden. De eiser heeft enkel zijn recht om persoonlijk aanwezig te zijn voor de appelrechters aangevoerd en uit zijn on-mogelijkheid om aanwezig te zijn, afgeleid dat hij niet geschikt was als procespar-tij.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

11. Voor het overige is middel afgeleid uit de in het tweede middel vergeefs aangevoerde wetsschending, en is het bijgevolg eveneens niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 76,73 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Engelstalige woorden "unfit for trial"