- Arrest van 4 juni 2013

04/06/2013 - P.12.1680.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 162, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld wordt in alle kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij, maakt geen onderscheid naar de reden waarom de burgerlijke partij in haar vordering niet slaagt (1). (1) Zie: Cass. 7 april 1981, AC 1980-1981, nr. 450.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1680.N

KBC BANK nv, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2,

burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Dominique Blommaert, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 27 september 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 162, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de eiseres wordt veroordeeld tot alle door de Staat gemaakte kos-ten, alhoewel de eiseres niet in het ongelijk werd gesteld maar tot verval van de strafvordering werd beslist wegens verjaring.

2. Artikel 162, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld wordt tot alle kos-ten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij, maakt geen onderscheid naar de reden waarom de burgerlijke partij in haar vordering niet slaagt.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is door het aannemen van de redenen van de beschikking van de raadkamer tegenstijdig gemotiveerd; de beschikking oordeelt enerzijds dat tot uitvoering van de rogatoire opdracht werd overgegaan naar aanleiding van de verscheidene initiatieven in hoofde van het openbaar ministerie, maar anderzijds dat de eiseres initiatiefneem-ster was voor het aanvullend onderzoek.

4. Het arrest, de redenen van de beschikking van de raadkamer (p. 5) aanne-mende, oordeelt eensdeels dat niet het openbaar ministerie maar de eiseres met een verzoekschrift op grond van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering van 16 december 2002, het initiatief nam om het aanvullend onderzoek te vorderen en anderdeels dat de procureur des Konings bij kantschrift van 27 maart 2003, de uitvoering van de rogatoire opdracht vorderde. Die redenen zijn niet tegenstrijdig.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 64,21 euro waarvan 29,21 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Veroordeling van de burgerlijke partij in de kosten

  • Burgerlijke partij in het ongelijk gesteld