- Arrest van 5 juni 2013

05/06/2013 - P.12.1881.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De appelrechters, die vaststellen dat de ontbinding niet geleid heeft tot het verdwijnen van de bankactiviteiten die voor het instellen van de strafvordering onder het beheer van de opgeslorpte vennootschap werden gevoerd en sindsdien in hetzelfde financieel centrum door de nieuwe entiteit worden voorgezet, hebben daaruit kunnen afleiden dat, zonder in onduidelijkheid of onwettigheid te vervallen, de ontbinding tot doel had te ontsnappen aan de vervolging wegens misdrijven die in het kader van die activiteiten zouden zijn gepleegd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1881.F

I. A. B.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II. 1. A. K.,

2. ADMIRO nv,

3. CHEMITEX nv,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

III. INDUFIN nv,

Mr. Thierry Afschrift, advocaat bij de balie te Brussel,

IV. E. D.,

Mr. Xavier Grognard, advocaat bij de balie te Brussel,

V. G. P.,

Mr. François Koning, advocaat bij de balie te Brussel,

VI. DEUTSCHE BANK nv,

Mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

VII. 1. W. M.,

2. A. F.,

3. PRAYON nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 oktober 2012.

A. B. voert een middel aan, A. K. en de naamloze vennootschappen Admiro en Chemitex voeren drie middelen aan, de naamloze vennootschap Indufin voert twee middelen aan, E. D. voert een middel aan en G. P. evenals de naamloze ven-nootschap Deutsche Bank voeren twee middelen aan, in zes memories die aan dit arrest zijn gehecht.

Op de rechtszitting van 29 mei 2013 heeft raadsheer Gustave Steffens verslag uit-gebracht en heeft advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo geconclu-deerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

A. Cassatieberoep van A. B.

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, met toepas-sing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, uitspraak doet over de verjaring van de strafvordering

Middel

De drie onderdelen samen

De eiser verwijt de appelrechters dat zij de strafvordering niet verjaard verklaren, wegens telastleggingen van fiscale valsheid die beletten dat de verjaring begint te lopen omdat de van valsheid betichte stukken gebruikt worden in de beroepen die tegen de betwiste aanslagen hangende zijn.

Artikel 450 Wetboek van de Inkomstenbelastingen dat valsheid bestraft in open-bare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, gepleegd om met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden de bepalingen te overtreden van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, wil niet de openbare trouw beschermen, maar heeft specifiek betrekking op zowel de valsheid die tot doel heeft de administratie te misleiden bij de berekening van de belastingen als de valsheid die ertoe strekt die belasting niet te betalen of de betaling ervan uit te stellen.

Het arrest stelt vast "dat de van valsheid betichte stukken thans nog steeds gebruikt worden in de beroepen die de betrokkenen tegen de Belgische Staat, verte-genwoordigd door de minister van Financiën, hebben ingesteld ; aan dat gebruik komt geen einde door de betaling, onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning, van de betwiste aanslagen om de betaling achteraf van interesten te vermijden ; het feit dat sommige inverdenkinggestelden hun functie reeds meer dan tien jaar hebben neergelegd [...] betekent niet dat de strafvordering tegen hen ver-jaard zou zijn".

De vermeldingen hebben alleen betrekking op de vraag of de feiten als verjaard moeten worden beschouwd en laten het vermoeden van onschuld waarop de eiser zich beroept, de uitoefening van zijn recht van verdediging voor de strafrechter of de burgerlijke rechter, zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak en zijn recht om, op grond van het voormelde artikel 450 of van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, op te komen tegen de telastleggingen die tegen hem in aanmerking zijn genomen, onverlet.

Uit die overwegingen heeft de kamer van inbeschuldigingstelling naar recht kun-nen afleiden dat het gebruik van de van valsheid betichte stukken, ook al wordt het betwist, de administratie kon blijven schaden en aldus de uitwerking kon heb-ben die door de van valsheid beschuldigde eisers werd gewenst.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoepen van A. K. en van de naamloze vennootschappen Admiro en Chemitex

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, uitspraak doet over de verjaring en de overschrijding van de redelijke termijn

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het arrest beslist niet dat de verjaring ophoudt te lopen gedurende de tijd die het instellen van de strafvordering scheidt van de uitspraak over de strafvordering. Het beslist, wat niet hetzelfde is, dat de betrokken belastingplichtigen gebruik zijn blijven maken van de van valsheid betichte stukken in zoverre zij niet hebben af-gezien van de gewenste uitwerking ervan in de beroepen die tegen de belasting-administratie hangende zijn en die de terugbetaling beogen van een belasting die alleen maar onder alle voorbehoud was betaald, aangezien ze als onverschuldigd wordt bestreden.

Uit het feit dat de uitoefening van de strafvordering het fiscaal proces schorst, volgt niet dat de inverdenkinggestelde het recht wordt ontzegd om voor het straf-gerecht het bestaan of de toerekenbaarheid van de hem ten laste gelegde valsheid te ontkennen, en evenmin dat hij zich, door die feiten te betwisten, voor dat rechtscollege schuldig maakt aan een daad van gebruik van het valse stuk, die volgens hem niet is bewezen.

Met de hierboven samengevatte overwegingen, in antwoord op het gedeeltelijk gelijkluidende middel van A. B., omkleden de appelrechters hun beslissing regel-matig met redenen en verantwoorden ze naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het met toepassing van artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering gewezen vonnis, dat de uitspraak aanhoudt, heeft weliswaar tot gevolg dat het fiscaal proces waarover dit vonnis gaat, wordt geschorst tot de dag waarop definitief over de strafvordering is beslist.

Daaruit volgt evenwel niet dat het door de vervalser verwachte nuttige effect van het litigieuze stuk toe te rekenen is aan de toepassing van het voormelde artikel 4 en dus evenmin dat de inverdenkinggestelde in het schorsingsvonnis een recht-vaardigingsgrond kan vinden als bedoeld in artikel 71 Strafwetboek.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Derde middel

Twee eerste onderdelen

De door de appelrechters geformuleerde vermeldingen die hierboven, in antwoord op het middel van A. B. zijn samengevat, maken het verweermiddel irrelevant waarin wordt aangevoerd dat de valse stukken "de waarheid niet langer konden vermommen" na het bericht van rechtzetting of de corrigerende incohiering.

Het arrest oordeelt dat de artikelen 10 en 11 Grondwet kennelijk niet zijn ge-schonden door te stellen dat het gebruik van een fiscale valsheid is blijven duren zolang niet definitief uitspraak werd gedaan over het bezwaar dat de belasting-plichtige tegen de litigieuze aanslag heeft ingesteld. Volgens het arrest is de mo-gelijkheid dat dit gebruik wordt voortgezet zolang het beoogde doel niet is bereikt immers gemeen aan elk gebruik van valse stukken, ongeacht of de valsheid fiscaal is of niet.

De appelrechters beslissen aldus naar recht dat het onderscheid waarop de eisers krachtens de artikelen 10 en 11 Grondwet kritiek uitoefenen, niet ligt in de wet maar in het doel dat de dader met de valsheid beoogt, naargelang het om een fis-cale valsheid of een gemeenrechtelijke valsheid gaat.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Artikel 1235 Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat iedere betaling een schuld on-derstelt en dat hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden terug-gevorderd, belet de strafrechter niet te oordelen dat de betaling van de betwiste aanslag, zonder nadelige erkenning, uitsluitend om de betaling achteraf van inte-resten te vermijden, op zich geen einde maakt aan het gebruik van de van valsheid betichte stukken in de beroepen die de betrokken belastingplichtige tegen de be-lastingadministratie heeft ingesteld.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

C. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Indufin

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die met toepas-sing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over de verjaring en de overschrijding van de redelijke termijn

Eerste middel

Het arrest beslist dat door de overschrijding van de redelijke termijn geen bewijs-materiaal verloren is gegaan en dat bijgevolg daaruit niet kan worden afgeleid dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Het besluit daaruit dat de feitenrechter met de overschrijding rekening dient te houden wat de strafmaat betreft.

De eiseres verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling dat zij aldus aan haar be-slissing gezag van gewijsde verleent die de beslissing niet bezit, dat zij haar be-voegdheid aan de correctionele rechtbank heeft overgedragen, dat zij uitspraak heeft gedaan bij wege van een algemene als regel geldende bepaling en dat zij haar bevoegdheid heeft overschreden.

Krachtens artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering evenwel kunnen de gronden van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht en afgewezen, behoudens nieuwe feiten, niet meer worden opgeworpen voor de feitenrechter.

De kamer van inbeschuldigingstelling, die beslist dat de overschrijding van de re-delijke termijn voor de feitenrechter nog alleen in het licht van de strafmaat kan worden onderzocht, overschrijdt het kader van haar bevoegdheden die zij aan de voormelde wetsbepaling ontleent niet.

Voor het overige ontneemt de verwijzing in het arrest naar "de strafmaat" de fei-tenrechter het recht niet een straf uit te spreken die lager ligt dan het bij wet be-paalde minimum noch het recht te oordelen dat geen enkele straf dient te worden opgelegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uit-spraak doen over de regeling van de rechtspleging.

De kamer van inbeschuldigingstelling dient te antwoorden op het uit de verjaring afgeleide middel van niet-ontvankelijkheid, wat zij ook gedaan heeft door te oor-delen dat de verjaring, in het licht van het specifieke doel van de ten laste gelegde fiscale valsheden en de beroepen die zij kunnen staven, niet is ingetreden door het aanhoudend gebruik van de valse stukken.

Aangezien de rechter het betoog van de partijen niet tot in detail hoeft te volgen, dient de kamer van inbeschuldigingstelling niet daarenboven te antwoorden op de kritiek dat het in aanmerking nemen van het gebruik van valse stukken in de hoger omschreven omstandigheden, de verjaring van dat misdrijf binnen de in artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen zou beletten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Artikel 21, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, dat de ver-jaringstermijnen van de strafvordering vaststelt, bepaalt dat die termijnen ingaan te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd.

Ingeval van een voortdurend misdrijf gaat de verjaring pas in op het tijdstip waar-op het misdrijf niet langer wordt gepleegd.

De rechter die beslist dat de verjaring niet is ingetreden en zelfs niet is beginnen lopen omdat het misdrijf op het ogenblik van zijn uitspraak nog steeds voortduurt, schendt bijgevolg het voormelde artikel 21 niet.

Het middel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Het arrest geeft aan dat de van valsheid betichte stukken beroepen staven tot te-rugbetaling van een zogenaamd onverschuldigde belasting.

Die vaststelling houdt in dat, volgens de appelrechters, het gebruik van de litigi-euze stukken in de door de eiseres ingestelde fiscale bezwaarprocedure, ertoe kan strekken het oogmerk van de valsheid te verwezenlijken en bijgevolg niet als een gewoon verweermiddel kan worden beschouwd.

De appelrechters omkleden hun beslissing aldus regelmatig met redenen en ver-antwoorden ze naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

De betaling van de betwiste aanslag, onder alle voorbehoud en zonder nadelige erkenning, uitsluitend om de latere betaling van interesten te vermijden, maakt niet noodzakelijk een einde aan het gebruik van de van valsheid betichte stukken die door de belastingplichtige tot staving van zijn beroep zijn voorgelegd, zelfs als het onderzoek daarvan is opgeschort in afwachting van de beslissing over de strafvordering .

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

F. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Deutsche Bank

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, met toepas-sing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de strafvordering.

Eerste middel

Eerste twee onderdelen

De eiseres heeft aangevoerd dat krachtens artikel 20, eerste lid, Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering, de tegen haar ingestelde strafvordering vervallen is door haar ontbinding zonder vereffening na haar overname door een vennoot-schap naar buitenlands recht.

Op grond van het tweede lid van het voormelde artikel 20, antwoordt het arrest dat de strafvordering nog steeds kan worden uitgeoefend omdat de ontbinding zonder vereffening tot doel heeft te ontsnappen aan de vervolging, vermits de Deutsche Bank haar zelfde zetel in Brussel heeft behouden.

De eiseres voert aan dat die grond onbegrijpelijk en onwettig is omdat de opge-slorpte vennootschap geen zetel meer kan hebben, aangezien ze juridisch niet meer bestaat.

De reden waarop het middel kritiek uitoefent houdt in dat, voor de appelrechters, de ontbinding niet geleid heeft tot het verdwijnen van de bankactiviteiten die, vóór het instellen van de strafvordering, onder het beheer van de opgeslorpte ven-nootschap werden gevoerd en sindsdien in hetzelfde financieel centrum door de nieuwe entiteit worden voortgezet.

De appelrechters hebben daaruit kunnen afleiden dat, zonder in de door het middel aangeklaagde onduidelijkheid of onwettigheid te vervallen, de ontbinding tot doel had te ontsnappen aan de vervolging wegens misdrijven die in het kader van die activiteiten zouden zijn gepleegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

In zoverre het middel aanvoert dat de vaststelling betreffende de aanwezigheid van de eiseres in Brussel, gegrond is op stukken die niet aan de tegenspraak van de partijen werden onderworpen, vereist dit het nazicht van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Ter formulering van de stelling waarop kritiek wordt uitgeoefend verwijst het ar-rest noch naar de akte van ontbinding van de naamloze vennootschap Deutsche Bank door haar overname door de gelijknamige vennootschap naar Duits recht, zoals bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 23 december 2011, noch naar de conclusie die namens de eiseres in de kamer van inbeschuldi-gingstelling is neergelegd.

De appelrechters miskennen bijgevolg de bewijskracht van die akten niet.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen van A. K. en van de naam-loze vennootschappen Admiro en Chemitex, in zoverre ze gericht zijn tegen de beslissing waarbij hun hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wat betreft het bestaan van voldoende bezwaren.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 5 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Rechtspersoon

  • Ontbinding zonder vereffening

  • Opslorping door een vennootschap naar buitenlands recht

  • Strafvordering