- Arrest van 5 juni 2013

05/06/2013 - P.13.0439.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een inverdenkinggestelde een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering opwerpt, dient het onderzoeksgerecht dat middel te onderzoeken (1). (1) Zie Cass. 3 okt. 2000, AR P.00.1174.N, AC 2000, nr. 513; Cass. 26 feb. 2003, AR P.03.0074.F, AC 2003, nr. 135.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0439.F

I. B. S.,

Mr. Laurent Kennes, advocaat bij de balie te Brussel,

II. W. F.,

Mrs. Delphine Paci en Christophe Marchand, advocaten bij de balie te Brussel,

III. I. A.,

IV. C. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 februari 2013.

De eisers B. S. en W. F. voeren ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Ambtshalve middel : schending van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.

Wanneer een inverdenkinggestelde een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering opwerpt, dient het onderzoeksgerecht dat middel te onderzoeken.

Voor de kamer van inbeschuldigingstelling was aangevoerd dat de telastlegging deelnemen aan een terroristische activiteit, bedoeld in artikel 140 Strafwetboek en ontleend aan artikel 2 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, het wettigheidsbeginsel van de misdrijven en de straffen miskent dat met name in artikel 7 EVRM is vastgelegd. Die bepalingen zouden het wettigheidsbeginsel hebben miskend wanneer ze aldus worden uitgelegd dat het misdrijf, om bewezen te worden verklaard, niet vereist dat de dader heeft bij-gedragen tot de voorbereiding, voor de terroristische groep, van een welbepaald terroristisch misdrijf.

Het arrest antwoordt op dat verweer met de overweging dat het niet aan het on-derzoeksgerecht maar aan de feitenrechters staat om aan te tonen dat alle bestand-delen van het misdrijf bij iedere inverdenkinggestelde verenigd zijn.

Die overweging houdt geen verband met het verweermiddel dat zij daarmee wil weerleggen.

De inverdenkinggestelden, die betogen dat artikel 140 Strafwetboek, behoudens in de restrictieve interpretatie die zijzelf voorstellen, het wettigheidsbeginsel mis-kent, voeren een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering aan die de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering dient te onderzoeken.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft zich aan dat onderzoek onttrokken, zonder de restrictieve interpretatie aan te nemen die haar daarvan zou hebben vrij-gesteld.

Er is geen grond om acht te slaan op de middelen die door de eerste twee eisers zijn aangevoerd en die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat melding van dit arrest zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 5 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Inverdenkinggestelde

  • Grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering

  • Onderzoek van het middel

  • Verplichting