- Arrest van 6 juni 2013

06/06/2013 - F.12.0005.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat beslist dat verscheidene zustervennootschappen die afzonderlijk een overeenkomst hebben gesloten betreffende de bezitneming en het gebruik van dezelfde opslagruimtes en ateliers geen verhuur van onroerende goederen is die kan worden vrijgesteld op grond van artikel 13, B, b) van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag of van artikel 44, §3, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, aangezien zij geen uitsluitend recht hebben op de plaatsen omdat zij dezelfde plaatsen gebruiken en geen enkele overeenkomst naar de andere verwijst, is niet naar recht verantwoord, wanneer het arrest niet nagaat of het aan die zustervennootschappen toegestane gebruik uitsluitend is ten opzichte van de overige derden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, …

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0005.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

TEMCO EUROPE nv,

Mrs. Dominique Lambot, advocaat bij de balie te Brussel, en Jean-Pierre Magre-manne, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 juni 2011.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 mei 2013 een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

De door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel preciseert niet in hoeverre het bestreden ar-rest de artikelen 13, B, sub b, van de zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, en 44, § 3, 2°, Btw-wetboek schendt:

Het onderdeel voert aan, in bewoordingen die duidelijk genoeg zijn, dat de schen-ding van die wettelijke bepalingen hieruit is afgeleid dat, in tegenstelling tot wat het bestreden arrest beslist, het exclusieve karakter van het gebruik moet worden beoordeeld, niet alleen tussen de drie betrokken vennootschappen, maar ook ten aanzien van alle derden bij de litigieuze overeenkomsten en van het door die ven-nootschappen gevormde geheel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Het onderdeel

Artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek stelt de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen vrij van belasting.

Die bepaling moet worden uitgelegd in het licht van artikel 13, B, sub b, van de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG, waarvan de voormelde bepaling de omzetting naar Belgisch recht is.

Dat artikel 13, B, sub b, bepaalt dat de Lidstaten, onverminderd andere commu-nautaire bepalingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling verlenen voor de ver-pachting en verhuur van onroerende goederen.

Uit het arrest C-284/03 van 18 november 2004 van het Hof van Justitie van de Eu-ropese Unie, dat gewezen werd op een prejudiciële vraag in deze zaak, blijkt wat volgt:

- de huur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b, van de zesde richtlijn bestaat in wezen erin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (nr. 19);

- het recht van de huurder om het onroerend goed bij uitsluiting van ieder ander te gebruiken, "kan in de met de verhuurder gesloten overeenkomst worden be-perkt [...]; een huurovereenkomst kan betrekking hebben op bepaalde delen van een onroerend goed waarvan het gebruik met anderen moet worden gedeeld" (nr. 24);

- "dat in de overeenkomst dergelijke beperkingen van het recht het gehuurde goed te gebruiken zijn opgenomen, neemt niet weg dat dit gebruik uitsluitend is ten opzichte van eenieder die niet op grond van de wet of de overeenkomst een recht kan doen gelden ten aanzien van het goed dat het voorwerp van de huur-overeenkomst vormt" (nr. 25);

- "het staat aan de verwijzende rechter om alle omstandigheden in aanmerking te nemen waarin [de transactie] zich afspeelt teneinde de kenmerkende elementen daarvan te achterhalen en te beoordelen of deze als ‘verhuur van onroerende goederen' in de zin van artikel 13, B, sub b, van de zesde richtlijn kan worden gekwalificeerd" (nr. 26);

- het voormelde artikel 13, B, sub b, "moet aldus worden uitgelegd dat transac-ties waarbij een vennootschap door middel van verschillende overeenkomsten tegelijkertijd aan verschillende met haar verbonden vennootschappen een pre-cair gebruiksrecht op hetzelfde gebouw verleent tegen betaling van een ver-goeding die voornamelijk op basis van de gebruikte oppervlakte wordt vastge-steld, ‘verhuur van onroerende goederen' in de zin van deze bepaling vormen, wanneer deze overeenkomsten, zoals zij worden uitgevoerd, in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling inhouden van ruimten of oppervlakten in ge-bouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, en niet het verrichten van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt".

Het bestreden arrest stelt vast dat de naamloze vennootschappen Temco Energy Management Company, Publi Round en Petrus zustervennootschappen zijn en dat elke vennootschap een overeenkomst betreffende het gebruik van de litigieuze ruimten met de verweerster heeft gesloten.

Het arrest wijst erop dat die drie vennootschappen geen uitsluitend recht op de ruimten hebben, op grond dat ze dezelfde opslagplaatsen en werkplaatsen kunnen gebruiken, en dat geen van de drie overeenkomsten verwijst naar de andere twee overeenkomsten, zonder dat het arrest onderzoekt of die drie zustervennootschap-pen hebben overeengekomen dat ze die plaatsen bij uitsluiting van andere derden mogen gebruiken.

Het verantwoordt aldus niet naar recht zijn beslissing dat "er geen sprake kan zijn van ‘huur van onroerende goederen' die vrijgesteld wordt op grond van artikel 13, B, sub b, van de zesde richtlijn of van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek".

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 6 juni 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Huur van onroerende goederen

  • Vrijstelling

  • Artikel 13, B, b) van de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977

  • Artikel 44, § 3, 2°, btw-wetboek