- Arrest van 6 juni 2013

06/06/2013 - C.11.0507.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 31, tweede lid, van de wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, uitgelegd door artikel 141, §9, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, uit artikel 128 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de teneur van artikel 106 tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft overgenomen, en uit artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie volgt duidelijk dat het recht tot uitgifte van bankbiljetten verdeeld wordt tussen de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken binnen het Europese systeem van de centrale banken; het feit dat de Europese Centrale Bank het alleenrecht heeft machtiging te geven tot de uitgifte van de euro ontneemt de nationale banken niet het recht om bankbiljetten en muntstukken in euro uit te geven (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0507.F

1. DEMINOR INTERNATIONAL cvba,

(...)

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. NATIONALE BANK VAN BELGIË nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 september 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 mei 2013 een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan in een cassatieverzoekschrift, waarvan een eens-luidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het door de verweerster tegen het cassatieberoep van de eerste eiseres opge-worpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is laattijdig:

Krachtens artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is de termijn om zich in cassatie te voorzien, behoudens in de te dezen niet toepasselijke gevallen waarin de wet een kortere termijn bepaalt, drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan over-eenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Artikel 1079, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat het cassatieberoep wordt ingesteld door op de griffie van het Hof van Cassatie een verzoekschrift in te dienen, dat in voorkomend geval vooraf wordt betekend aan de partij tegen wie het cassatieberoep is gericht.

De verweerster toont aan dat zij het arrest aan de eerste eiseres heeft doen beteke-nen op 29 december 2010.

Het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep is ingesteld, is op 14 juli 2011 neer-gelegd op de griffie van het Hof.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Het door de verweerster tegen het cassatieberoep van de eisers sub 8, 17, 20, 21, 22, 37, 54 en 88 opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: de eisers berusten in het bestreden arrest:

Uit de door de verweerster voorgelegde stukken blijkt dat die eisers in het bestre-den arrest hebben berust.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

De overige punten van het cassatieberoep

Middel

Luidens artikel 31 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het orga-niek statuut van de Nationale Bank van België is het reservefonds "bestemd 1. tot het herstel van de verliezen op het maatschappelijk kapitaal; 2. tot aanvulling van de jaarlijkse winsten, tot beloop van een dividend van zes ten honderd van het ka-pitaal.

Bij het verstrijken van het emissierecht van de Bank, valt een vijfde van het reser-vefonds de Staat prioriteitshalve ten deel. De overige vier vijfden worden onder al de aandeelhouders verdeeld".

Het tweede lid van dat artikel werd door artikel 141, § 9, van de wet van 2 augus-tus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten in die zin uitgelegd dat "het emissierecht waarvan daarin sprake is, het emissie-recht omvat dat de Bank mag uitoefenen krachtens artikel 106 (1) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap".

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 160/2003 van 10 december 2003, waaraan het herinnert in zijn arrest nr. 74/2010 van 23 juni 2010, het beroep tot vernietiging van dat artikel 141, § 9, verworpen op grond, met name, dat het voormelde artikel het emissierecht van de Nationale Bank van België niet met te-rugwerkende kracht herstelt maar "slechts het bestaan van dat emissierecht binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken (E.S.C.B.) bevestigt, zoals dat is vast-gelegd door het primair E.G.-recht, zoals meermaals bevestigd werd door de Europese monetaire autoriteiten, en zoals dat reeds was begrepen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België" (considerans B.8.7.1).

Artikel 128 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de teneur van artikel 106 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft overgenomen, bepaalt wat volgt : "1. De Europese Centrale Bank heeft het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten in euro binnen de Unie. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen bankbiljetten uitgeven. De door de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. 2. De lidstaten kunnen munten in euro uitgeven, onder voorbehoud van goedkeuring van de Europese Centrale Bank met betrekking tot de omvang van de uitgifte".

Artikel 282, 1°, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken het Euro-pees Stelsel van Centrale Banken vormen.

Uit die bepalingen volgt kennelijk dat het emissierecht binnen het Europese stelsel van centrale banken verdeeld is tussen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken. Het feit dat de Europese Centrale Bank het alleenrecht op de uit-gifte van de euro heeft, ontneemt de nationale centrale banken niet het recht om bankbiljetten en munten in euro uit te geven.

Er bestaat geen grond om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de door de eisers voorgestelde prejudiciële vragen te stellen, daar de correcte toepassing van het gemeenschapsrecht zo vanzelfsprekend is dat ze geen ruimte voor enige redelijke twijfel laat.

Het middel, dat uitgaat van de stelling dat de invoering van de Europese een-heidsmunt impliceert dat de verweerster haar emissierecht in de zin van artikel 31, tweede lid, van de wet van 22 februari 1998, verliest in het uitsluitend voordeel van de Europese Centrale Bank, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 6 juni 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitgifte van munten en bankbiljetten in euro

  • Nationale Bank van België

  • Europese Centrale Bank

  • Bevoegdheden