- Arrest van 7 juni 2013

07/06/2013 - C.12.0128.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een van de aansprakelijkheidsgronden waarop de verzekerde, als CMR vervoerder, door de benadeelde wordt aangesproken niet gedekt is door de polis, vallen de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde in zoverre niet samen en heeft de verzekeraar niet het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0128.N

ZEEMAR nv, met zetel te 8380 Zeebrugge, Koggestraat 21,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

2. HDI GERLING VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 273, bus 1,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweersters woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te van Ant-werpen van 12 september 2011.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 17 mei 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 79, eerste lid en tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 823 en 824 Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten of het verbod van rechtsmisbruik;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht.

Aangevochten beslissing en motieven

Het hoger beroep van eiseres ongegrond verklarend en het eerste vonnis bevestigend, verwerpt het bestreden arrest de door eiseres tegen verweerster ingestelde vordering strekkende tot dekking van het schadegeval door betaling van de bedragen die eiseres als schadevergoeding aan M betaalde, en dit om volgende redenen:

"C. Over de leiding van het geding en de (vermeende) schijn van dekking

1. [De eiseres] verdedigt verder dat [de verweersters] minstens niet meer gerechtigd zijn zich op een niet-dekking onder de verzekeringspolis te beroepen gezien zij minstens een schijn van dekking hebben geschapen, zodat zij vervallen zijn van het recht om de afwezigheid van dekking in te roepen. Dit blijkt volgens [de eiseres] uit de volgende elementen:

[De verweersters] hebben onder de aansprakelijkheidspolis de leiding van het geding genomen in de zin van artikel 79 Wet op Landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 (hierna WLVO). De leiding van het geding komt volgens [de eiseres] slechts aan de verzekeraars toe op voorwaarde dat de belangen van de verzekeraar en de verzekerde samenvallen. Van een gedeelde of gezamenlijke leiding van het geding is volgens [de eiseres] geen sprake, nu de gebruikelijke raadsman van [de eerste verweerster] werd aangesteld die op zijn beurt een Engelse raadsman inschakelde.

Het zeer algemeen geformuleerde voorbehoud bij schrijven d.d. 31 december 1997 vanwege de verzekeraars kan volgens [de eiseres] niet als een geldig voorbehoud aanzien worden gezien het een louter inhoudsloos voorbehoud betreft waaraan geen enkele waarde kan gehecht worden.

Het gebrek aan dekking werd volgens [de eiseres] niet tijdig ingeroepen nu voor het eerst op 9 november 2000 de dekking geweigerd werd door [de eerste verweerster], en dit na het vonnis van 27 december 2000, terwijl de aangifte reeds gedaan werd op 26 december 1997. In het eerste advies van 28 januari 1998 van de raadsman van de verzekeraars werd reeds vermeld en gewaarschuwd dat de kans groot was dat de verzekerde van [de verweersters] als CMR vervoerder zou worden beschouwd. Er werd slechts drie jaar na aangifte voor het eerst beroep gedaan op de niet-dekking, hetgeen volgens [de eiseres] laattijdig is.

[De eiseres] besluit dat de verzekeraars door aldus te handelen de schijn gewekt hebben dat de dekking verworven was.

2. Naar het oordeel van het [hof van beroep] is er van een schijn van dekking in hoofde van [de verweersters] geen sprake noch op grond van de vertrouwensleer, noch op basis van een misbruik van recht noch wegens een schending van de verplichting de overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren in toepassing van artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek omwille van de volgende redenen:

Op grond van artikel 79 WLVO (onder de titel leiding van het geschil) is de verzekeraar (wettelijk en contractueel) verplicht om zich achter de verzekerde te stellen van zodra de verzekeraar tot het geven van dekking is gehouden. Terecht stellen [de verweersters] dat de leiding van het geding door de verzekeraar niet alleen de kosten van de advocaat in België maar ook in Engeland diende te dragen. Overigens heeft de verzekeraar op grond van artikel 79, tweede lid, WLVO ook het recht om het geschil te leiden en om in de plaats van de verzekerde de vordering van de benadeelde te bestrijden. Uit het advies van meester Straatman d.d. 28 januari 1998 en zijn schrijven van 19 september 2000 blijkt dat er (in hoofdorde) geen tegenstrijdige belangen waren tussen [de verweersters] en [de eiseres] in de procedure in Engeland gezien het hoofdverweer gestoeld werd op mogelijke aansprakelijkheidsgronden die onder de polis gedekt waren. Uit het enkele feit dat [de verweersters] in de Engelse procedure de leiding van het geding op zich genomen hebben kan geenszins een schijn van dekking ingeroepen worden gezien de verzekeraars de plicht hebben om de leiding van het geding te nemen, en dit zelfs indien in welbepaalde omstandigheden en in ondergeschikte orde gewezen werd op een mogelijke aansprakelijkheid als CMR vervoerder die niet onder de dekking van de polis viel.

Door de verplichting om de leiding van het geding waar te nemen, verzaken de verzekeraars [de verweersters] niet aan het recht om op een later tijdstip (nadat zij kennis krijgen van een uitspraak over de verantwoordelijkheid van de verzekerde) om een definitief standpunt in te nemen over de al dan niet dekking onder de polis, temeer daar [de verweersters] in het schrijven van 31 december 1997 voorbehoud nopens de dekking hebben geformuleerd. Alhoewel het een algemeen voorbehoud was, volstond dit (gebruikelijke) voorbehoud in het licht van de gespecialiseerde contractuele wederpartij aan wie het voorbehoud gericht was, Herfurth & Boutmy, verzekeringnemer en verzekeringbemiddelaar van [de eiseres], die de draagwijdte en de betekenis van dit gebruikelijke voorbehoud kent (of geacht wordt te kennen) als professionele makelaar in verzekeringen.

Aan de verzekeraars [de verweersters] kan niet verweten worden dat zij wachten tot zij kennis krijgen van de motivatie van een uitspraak, alvorens over te gaan tot het weigeren van de dekking, ook al verstrijkt er een geruime periode tussen de aangifte en het tijdstip van het weigeren van dekking. Van een laattijdig beroep op het gebrek aan dekking is evenmin sprake.

3. Besluit over C.: louter op basis van het feit dat verzekeraars gedurende jaren de leiding van het geding hebben waargenomen onder de hogervermelde voorwaarden, kan de verzekerde [de eiseres] niet stellen dat zij hoe dan ook recht heeft op dekking onder de polis noch dat [de verweersters] een schijn van dekkingsverlening hebben gewekt en/of verzaakt hebben aan hun recht om dekking te weigeren. Ook op deze grond is [de eiseres] niet gerechtigd [verweersters] in dekking onder de polis aan te spreken."

Grieven

1. Luidens artikel 79, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst is de verzekeraar verplicht zich achter de verzekerde te stellen binnen de grenzen van de dekking, vanaf het ogenblik dat de verzekeraar tot het geven van dekking is gehouden en voor zover deze wordt ingeroepen.

Luidens artikel 79, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst heeft de verzekeraar het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden, ten aanzien van de burgerrechtelijke belangen en in zover de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde samenvallen.

Uit de samenhang van beide bepalingen vloeit voort dat van zodra een mogelijke grond van niet-dekking opduikt, met als gevolg een potentieel belangenconflict tussen verzekerde en verzekeraar, de verzekeraar niet alleen geen verplichting, maar ook geen recht heeft om de leiding van het geschil op zich te nemen of verder te zetten, tenzij de verzekerde hiermee akkoord gaat.

Vanaf het bestaan van een potentieel belangenconflict moet de verzekerde in staat gesteld worden om zelf de leiding van het geding te nemen of om met kennis van zaken zijn akkoord te betuigen met de leiding van het geding door de verzekeraar. Die mogelijkheid wordt hem niet geboden door de verzekeraar die zonder uitdrukkelijk voorbehoud, maar slechts onder een algemeen voorbehoud bij het openen van het verzekeringsdossier, de leiding van het geding neemt of verderzet.

2. De verzekeraar die met kennis van een mogelijke grond van niet-dekking, en dus van een potentieel belangenconflict, toch de leiding van het geding neemt of verderzet zonder akkoord van de verzekerde, handelt in strijd met de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten wanneer hij zich op het einde van het geding precies op die grond van niet-dekking beroept om dekking te weigeren (artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst juncto artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel inzake de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten of het verbod van rechtsmisbruik).

Minstens wekt de verzekeraar die met kennis van een mogelijke grond van niet-dekking, en dus van een potentieel belangenconflict, toch de leiding van het geding opneemt of verderzet zonder akkoord van de verzekerde, de schijn dat het schadegeval onder de dekking van de polis valt en verzaakt hij aan het recht om zich op de niet-dekking te beroepen (artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst juncto de artikelen 823 en 824 Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht).

3. Tussen partijen was niet betwist en door het bestreden arrest wordt vastgesteld dat:

- reeds in de aangifte van het schadegeval door eiseres op 26 december 1997 melding was gemaakt van het feit dat eiseres door M aangesproken werd als CMR-vervoerder;

- dat de verweersters bij brief van 31 december 1997 meedeelden het verzekeringsdossier onder "het gebruikelijke voorbehoud" te hebben geopend;

- dat de verweersters de leiding van het geschil namen eerst door meester Straatman voor advies aan te stellen en vervolgens door de leiding op zich te nemen van de procedure in Engeland;

- dat meester Straatman in zijn eerste advies van 28 januari 1998 zowel als in zijn brief van 19 september 2000, ondanks de in hoofdorde verdedigde stelling dat de eiseres als commissionair-expediteur of als bewaarnemer was opgetreden, had gewezen op het feit dat er een ernstig risico bestond dat de eiseres aansprakelijk zou worden gesteld als CMR-vervoerder;

- dat de verweersters pas voor het eerst bij brief van 9 november 2000, en dus na het Engelse vonnis van 27 september 2000, aanvoerden dat de aansprakelijkheid als CMR-vervoerder niet door de polis is gedekt.

Het arrest oordeelt dat de verweersters konden wachten tot na het Engelse vonnis alvorens zich op een niet-dekking wegens de aansprakelijkheid van eiseres als CMR-vervoerder te beroepen, ook al hadden zij tot dan de leiding van het geschil genomen zonder ander voorbehoud te maken dan een algemeen "gebruikelijk" voorbehoud bij de opening van het dossier, terwijl zij al van bij de aangifte en zeker door het advies van meester Straatman van 28 januari 1998 op de hoogte waren van het risico dat de eiseres door de Engelse rechter als CMR-vervoerder aansprakelijk zou worden gesteld.

4. Het arrest steunt die beslissing in hoofdorde op het feit dat de leiding van het geschil een verplichting is voor de verzekeraar en bijkomend op het feit dat de leiding van het geschil ook een recht is van de verzekeraar.

Uit het bestreden arrest blijkt dat de appelrechters van oordeel waren dat het enkele bestaan van de mogelijkheid dat de eiseres door de Engelse rechter aansprakelijk zou worden gesteld als CMR-vervoerder (niet gedekt door de polis) geen belangenconflict deed ontstaan tussen eiseres en verweersters, nu het verweer van eiseres in de Engelse procedure in hoofdorde was gesteund op aansprakelijkheidsgronden die wel onder de dekking van de polis vielen (commissionair-expediteur of bewaarnemer). Hierdoor bleven verweersters, volgens het arrest, de plicht (en het recht) hebben om het geding te leiden en hebben zij, door dat te doen, geen schijn van dekking gecreëerd.

Uit het arrest blijkt ook dat de appelrechters van oordeel waren dat door hun verplichting om de leiding van het geding op zich te nemen, de verweersters niet konden verzaken aan hun recht om nog na de uitspraak over de aansprakelijkheid van de eiseres standpunt in te nemen over de al dan niet dekking onder de polis. Dat verweersters niet aan dit recht hadden verzaakt, bleek volgens de appelrechters bovendien ook uit het voorbehoud van dekking dat zij op 31 december 1997 (bij de opening van het dossier) hadden geformuleerd, ook al was dat voorbehoud een algemeen ("gebruikelijk") voorbehoud.

5. Door zo te oordelen, gaat het bestreden arrest er in de eerste plaats ten onrechte van uit dat de plicht om het geschil te leiden slechts ophoudt te bestaan wanneer de opgedoken grond van niet-dekking niet louter een mogelijkheid maar een realiteit is en dat het recht om het geschil te leiden slechts ophoudt te bestaan wanneer het belangenconflict door de opgedoken grond van niet-dekking niet louter een potentieel maar een reëel conflict is. Hiermee schendt het bestreden arrest artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Door zo te oordelen, gaat het arrest er eveneens aan voorbij dat het volstaat dat de verzekeraar kennis heeft van een mogelijke grond van niet-dekking of van een potentieel belangenconflict, opdat hij niet meer te goeder trouw zou optreden of misbruik van recht zou plegen wanneer hij desondanks toch de leiding van het geding op zich neemt of verder zet zonder akkoord van de verzekerde. Bovenop artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, schendt het arrest dus ook artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek en het daarin uitgedrukte algemeen rechtsbeginsel inzake de uitvoering te goede trouw van overeenkomsten of het verbod van rechtsmisbruik.

Door zo te oordelen, gaat het bestreden arrest er tenslotte ook ten onrechte van uit dat het voor de verzekeraar volstaat om een algemeen voorbehoud te maken bij de opening van het verzekeringsdossier of bij de aanvang van het geschil, opdat hij geen schijn van dekking zou creëren of niet aan zijn recht op niet-dekking zou verzaken door het geschil te blijven leiden, ook niet wanneer ondertussen een mogelijke grond van niet-dekking en dus een potentieel belangenconflict is opgedoken of versterkt. Bovenop artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, schendt het bestreden arrest hierdoor ook de artikelen 823 en 824 Gerechtelijk Wetboek en het daarin uitgedrukte algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Ontvankelijkheid

1. De verweersters werpen een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: de door de eiseres aangevoerde schending van artikel 79 Wet Landverzeke-ringsovereenkomst, al zou die gegrond zijn, kan niet tot cassatie leiden, gelet op de niet-bestreden beslissing van de appelrechters dat het feit dat de verzekeraars gedurende jaren het geschil hebben geleid, hoe dan ook geen recht op dekking kan meebrengen.

2. Die beslissing van de appelrechters wordt door de eiseres wel betwist en is daarenboven gegrond op het eveneens betwist oordeel van de appelrechters dat de verzekeraars het recht en de plicht hadden het geding te leiden ook al werd in on-dergeschikte orde verwezen naar een mogelijke aansprakelijkheid van de eiseres als CMR-vervoerder die niet onder de dekking van de polis viel.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Artikel 79, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar verplicht is zich achter de verzekerde te stellen binnen de grenzen van de dekking, vanaf het ogenblik dat hij tot het geven van dekking is gehouden en voor zover deze wordt ingeroepen.

Artikel 79, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat, ten aan-zien van de burgerrechtelijke belangen en in zover de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde samenvallen, de verzekeraar het recht heeft om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden.

4. Wanneer een van de aansprakelijkheidsgronden waarop de verzekerde door de benadeelde wordt aangesproken niet gedekt is door de polis, vallen de belan-gen van de verzekeraar en van de verzekerde in zoverre niet samen en heeft de verzekeraar niet het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden.

5. De appelrechters die oordelen dat er geen tegenstrijdige belangen waren tus-sen de verweersters en de eiseres omdat de vordering van de benadeelde in hoofd-orde gesteund was op mogelijke aansprakelijkheidsgronden die onder de dekking van de polis vielen en dat de verweersters als verzekeraars de plicht hadden de leiding van het geding te nemen, zelfs indien de benadeelde zich in ondergeschik-te orde beriep op een mogelijke aansprakelijkheid van de eiseres als CMR-vervoerder die niet onder de dekking van de polis viel, schenden artikel 79, twee-de lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

A. Smetryns A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Landverzekeringsovereenkomst

  • Aansprakelijkheidsverzekeringen

  • Leiding van het geschil

  • Verzekeraar

  • Verzekerde

  • CMR

  • Verzekerde als CMR vervoerder