- Arrest van 10 juni 2013

10/06/2013 - S.12.0148.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij ontstentenis van een uitdrukkelijke beslissing, kan de weigering van maatschappelijke dienstverlening waartegen de sociaal verzekerde overeenkomstig artikel 71, eerste lid, bij de arbeidsrechtbank in beroep kan gaan, worden afgeleid uit andere omstandigheden dan welke beoogd in artikel 71, tweede lid; de sociaal verzekerde kan tegen dergelijke weigering beroep instellen zonder te wachten op het verstrijken van de door die bepaling ingestelde termijn en hij heeft daar een belang bij.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0148.F

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOE-KERS (Fedasil),

2. I. B.,

Mr. Jean Mélence Nkubanyi, advocaat bij de balie te Namen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 5 september 2012.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert volgend middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 57, §1, 60 en 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 12 januari 2007;

- de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, §2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

- artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 17, 18 en 807 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk maar niet-gegrond, bevestigt alle beschikkingen van het vonnis van de eerste rechter en veroordeelt de eiser en de eerste verweerder, elk voor de helft, in de kosten van het hoger beroep van de tweede verweerder, vastgesteld op 160,36 euro als rechtsplegingsvergoeding.

Die beslissing steunt op de volgende motieven:

"Voorafgaande rechtspleging.

De tweede verweerder is van Burundese nationaliteit en is op 6 april 1985 geboren. Op 6 oktober 2010 is hij in België aangekomen en op 8 oktober 2010 heeft hij het statuut van politiek vluchteling aangevraagd.

Hij werd administratief ingeschreven op het adres van de Dienst Vreemdelingzaken, Antwerpse steenweg, 59B, te Brussel.

De eerste verweerder heeft hem geen opvangcentrum toegewezen en voerde daartoe de verzadiging van die centra aan. Zijn beslissing van 8 oktober 2010 luidt als volgt : [...]

Die beslissing vermeldt ook dat de tweede verweerder aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij in het wachtregister of in het vreemdelingenregister is ingeschreven, overeenkomstig artikel 2, § 5, van de wet van 2 april 1965.

De tweede verweerder heeft zich aangeboden bij de eiser die geweigerd heeft akte te nemen van zijn aanvraag om maatschappelijke dienstverlening.

Zijn raadsman heeft op 8 november 2010 in een brief een aanvraag om maatschappelijke dienstverlening ingediend bij de eiser.

De tweede verweerder heeft bij de arbeidsrechtbank een vordering tegen de eerste verweerder en de eiser ingesteld.

In zijn vonnis van 18 februari 2011 heeft de arbeidsrechtbank de eerste verweerder veroordeeld tot schadevergoeding aan de tweede verweerder ten belope van het bedrag van maatschappelijke dienstverlening dat overeenstemt met het leefloon van een alleenstaande, pro rata temporis van 8 oktober 2010 tot en met 12 november 2010, vermeerderd met de interest [...].

De rechtbank heeft de eiser veroordeeld tot het verstrekken van een financiële steun die overeenstemt met het leefloon van een alleenstaande vanaf 13 november 2010.

De rechtbank heeft de eiser verzocht een sociaal onderzoek in te stellen en heeft het vonnis uitvoerbaar verklaard. [...]

Bespreking

Het hoger beroep van de eiser [...]

De ontvankelijkheid van de vordering gericht tegen de eiser

De oorspronkelijke vordering werd ingesteld tegen de eerste verweerder en tegen de eiser bij een verzoekschrift dat op 16 november 2010 op de griffie van de arbeidsrechtbank is neergelegd.

De ontvankelijkheid wordt niet betwist van het verhaal dat in hoofdzaak is ingesteld tegen de beslissing van de eerste verweerder van 8 oktober 2010, teneinde hem te doen veroordelen tot verstrekken van maatschappelijke dienstverlening voor een alleenstaande vanaf 8 oktober 2010 tot de eerste verweerder onderdak verleende.

De niet-ontvankelijkheid ervan kan niet worden aangevoerd op grond van het zogenaamde beginsel van "de uitvoerbaarheid van de administratieve beslissing" (de juridische werkelijkheid van dat beginsel blijft twijfelachtig wanneer het gaat om een gebonden bevoegdheid die impliceert dat, zoals hier, over een subjectief recht uitspraak wordt gedaan en niet over een discretionaire bevoegdheid van het bestuur).

Rekening houdend met die ontvankelijkheid kon in bijkomende orde een vordering tegen de eiser worden ingesteld voor het geval de eerste verweerder niet zou worden veroordeeld. Het instellen van een voorafgaande administratieve procedure bij de eiser was niet vereist.

Ten overvloede heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de eiser die heeft nagelaten akte te nemen van de aanvraag van de eerste verweerder die door zijn raadsman is ingediend, deze te onderzoeken en daarover een geschreven en gemotiveerde beslissing te nemen, bezwaarlijk de tweede verweerder kan verwijten dat hij niet gewacht heeft tot de termijn van een maand was verstreken om het ontbreken van een beslissing aan de rechtbank voor te leggen.

Het vonnis dient te worden bevestigd in zoverre het de tegen de eiser ingestelde vordering ontvankelijk verklaart.

De bevoegdheid van de eiser

Het juridisch kader: de wettelijke bepalingen inzake de opvang van asielzoekers [...]

Uit de memorie van toelichting van de wet van 12 januari 2007 volgt dat het ontbreken van beschikbare plaatsen een geldig motief voor het niet-aanwijzen kan vormen.

Gevolgen: het niet-aanwijzen van een opvangcentrum en daaropvolgende bevoegdheid van de eiser [...]

Bij niet-aanwijzen van een opvangcentrum moet de maatschappelijke dienstverlening worden verleend door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Hoewel inderdaad, krachtens artikel 57ter van de wet van 8 juli 1976, de maatschappelijke dienstverlening niet verschuldigd is door het OCMW wanneer een opvangcentrum is aangewezen, is dat niet het geval wanneer een beslissing van niet-aanwijzing wettig is genomen.[...]

In dit geval heeft de eiser de aanvraag van 13 november 2010 nooit doorgestuurd naar het centrum dat, in de onderstelling dat de inschrijving in het wachtregister onregelmatig was, volgens hem gelet op de feitelijke toestand bevoegd was. Zonder exceptie van onbevoegdheid bleef de eiser dus verplicht tussen te komen vanaf de datum waarop de aanvraag bij hem werd ingediend."

Het arrest leidt daaruit af dat "de tweede verweerder dus recht had op maatschappelijke dienstverlening ten laste van de eiser vanaf de aanvraag van 13 november 2010; er wordt niet betwist dat de litigieuze periode eindigt op 16 februari 2011, aangezien de tweede verweerder vanaf 17 februari 2011 zijn woonplaats in Charleroi heeft".

Grieven

Eerste onderdeel

Naar luid van artikel 58 van de wet van 8 juli 1976:

"§ 1. Een aanvraag betreffende maatschappelijke dienstverlening, waarover het centrum een beslissing moet nemen, wordt, de dag van haar ontvangst, chronologisch ingeschreven in het daartoe door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden register.

De schriftelijke aanvraag wordt ondertekend door de belanghebbende of de persoon die hij schriftelijk heeft aangewezen.

Wanneer de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de schriftelijk aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register bedoeld in het eerste lid.

§ 2. Het centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs."

Overeenkomstig artikel 62bis van de wet van 8 juli 1976 wordt de beslissing inzake individuele hulpverlening aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend of tegen ontvangstbewijs meegedeeld, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald. Die beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van toelichting.

Tenslotte, krachtens artikel 71 van de wet, kan eenieder bij de arbeidsrechtbank in beroep gaan tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen. Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. In dat geval moet het beroep, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van een beslissing.

Uit die wetsbepalingen volgt dat de wetgever een bijzondere administratieve procedure heeft ingesteld die elke aanvrager van maatschappelijke dienstverlening verplicht moet volgen en dat die procedure (i) uitmondt in een gemotiveerde beslissing die schriftelijk aan de aanvrager wordt meegedeeld en waartegen beroep kan worden ingesteld en (ii) uitdrukkelijk bepaalt dat, wanneer binnen een termijn van een maand vanaf de ontvangst van de aanvraag geen beslissing is genomen, bij de arbeidsrechtbank beroep kan worden ingesteld binnen de drie maanden na de vaststelling van de ontstentenis van een beslissing.

Overigens blijkt uit de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen verkregen en dadelijk belang heeft om ze in te dienen. Het vereiste belang wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend (Cass., 3 dec. 1984, AC 1984-85, nr. 209; Cass., 4 dec. 1989, AC 1989-90, nr. 216; Cass., 24 april 2003, C.00.0567.F).

In dit geval stelt het arrest vast (i) dat de tweede verweerder een voorafgaande administratieve procedure heeft ingesteld voor de eiser bij brief van 8 november 2010, die echter bij aangetekend schrijven van 13 november 2010 werkelijk is verstuurd, waarbij die laatste datum is aangenomen als de datum van de aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening; (ii) dat de tweede verweerder evenwel beroep heeft ingesteld bij de arbeidsrechtbank bij verzoekschrift dat op 16 november 2010 op de griffie van de arbeidsrechtbank is neergelegd en (iii) dat de tweede verweerder niet gewacht heeft tot de termijn van een maand was verstreken om de ontstentenis van een beslissing bij de rechtbank aanhangig te maken.

Op grond van die vaststellingen beslist het arrest niettemin dat de tweede verweerder reeds op 16 november 2010, dus voor het verstrijken van de termijn van een maand die gelijkstaat met een negatieve beslissing, een ontvankelijke vordering kon instellen bij de arbeidsrechtbank.

Het arrest dat de vordering van de eerste verweerder aanneemt in de feitelijke omstandigheden die het vaststelt, miskent bijgevolg de draagwijdte van de wetsbepalingen die de beslissingswijze regelen bij een aanvraag om maatschappelijke dienstverlening en de voorwaarden waarin tegen een dergelijke beslissing beroep kan worden ingesteld (schending van de artikelen 58, 62bis en 71 van de wet van 8 juli 1976), en ook het rechtsbegrip van het belang om in rechte op te treden (schending van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 57, §1, laatste lid, van de wet van 8 juli 1976, kan de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

Artikel 60, § 1, van de wet bepaalt dat:

"De tussenkomst van het centrum, zo nodig, is voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.

De betrokkene ertoe is gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.

Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 tot bewijs van het tegendeel geldt wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend."

Overeenkomstig § 3 van hetzelfde artikel 60 (i) verstrekt het centrum materiële hulp in de meest passende vorm, (ii) kan de financiële hulpverlening bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en (iii) kan, indien deze voorwaarden niet worden nageleefd, het recht op financiële hulp worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.

Uit die bepalingen volgt dat het verlenen van maatschappelijke dienstverlening tot de discretionaire, niet-gebonden, bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, dat op onaantastbare wijze beslist of dienstverlening wordt verleend in welke vorm en eventueel onder welke voorwaarden, op grond van een onderzoek dat besluit met een "nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening".

In dit geval oordeelt het arrest, op grond van de in het middel weergegeven redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, meer bepaald dat het hier geen discretionaire bevoegdheid van het bestuur betreft, maar een gebonden bevoegdheid zodat "zoals ten deze" uitspraak wordt gedaan over een subjectief recht.

Bijgevolg miskent het arrest de draagwijdte van de aan de eiser toegekende bevoegdheid, aangezien het die bevoegdheid om uitspraak te doen over het toekennen van maatschappelijke dienstverlening kwalificeert als een gebonden bevoegdheid, terwijl die toekenning afhangt van het resultaat van een voorafgaand sociaal onderzoek, waarna het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening, om te beslissen over de opportuniteit, de vorm en de eventuele voorwaarden van de aangevraagde dienstverlening (schending van de artikelen 57, §1, en 60 van de wet van 8 juli 1976, en van de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, §2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maat-schappelijke integratie).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het Hof kan geen acht slaan op de memorie van antwoord die niet door een advo-caat bij het Hof van Cassatie is ondertekend.

Eerste onderdeel

Naar luid van artikel 71, eerste lid, OCMW-wet kan eenieder bij de arbeidsrecht-bank in beroep gaan tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschap-pelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen. Krachtens het tweede lid geldt hetzelfde wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen.

De weigering om maatschappelijke dienstverlening toe te kennen, waartegen de sociaal verzekerde beroep kan instellen bij de arbeidsrechtbank overeenkomstig artikel 71, eerste lid, kan, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke beslissing, wor-den afgeleid uit andere omstandigheden dan die bedoeld in artikel 71, tweede lid.

De sociaal verzekerde kan het beroep tegen die weigering instellen zonder het verstrijken af te wachten van de termijn die in laatstgenoemde bepaling is vermeld en hij heeft daar een belang bij.

Het onderdeel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 1, eerste lid, OCMW-wet heeft elke persoon recht op maat-schappelijke dienstverlening; deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

De artikelen 1, tweede lid, en 57, § 1, eerste lid, OCMW-wet belasten de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met de opdracht deze dienstverlening aan de personen en de gezinnen te verzekeren. Volgens artikel 57, § 1, derde lid, kan die dienstverlening van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

Artikel 60, § 1, OCMW-wet bepaalt dat de tussenkomst van het centrum, zo no-dig, is voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien. Overeenkomstig artikel 60, § 3, eerste lid ver-strekt het centrum materiële hulp in de meest passende vorm. Naar luid van artikel 60, § 3, tweede lid, kan de financiële hulpverlening bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappe-lijke integratie; artikel 60, § 3, derde lid, bepaalt dat indien deze voorwaarden niet worden nageleefd het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, kan worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.

Die bepalingen verlenen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet de bevoegdheid om de opportuniteit van de maatschappelijke dienstverlening, zijn vorm of het naleven van een van de voormelde voorwaarden te beoordelen. De arbeidsrechtbank die krachtens artikel 580, 8°, d), van het Gerechtelijk Wet-boek kennisneemt van de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering van de maatschappelijke dienstverlening, oefent een toezicht met volle rechtsmacht uit op de beslissing van het centrum; zij beoordeelt de feiten en doet uitspraak over de rechten van de sociaal verzekerde; zij is bevoegd om in de plaats van het centrum te treden.

Het onderdeel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 10 juni 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beslissing

  • Weigering van maatschappelijke dienstverlening

  • Voorwaarden

  • Andere omstandigheden dan die welke beoogd in artikel 71, tweede lid van de wet van 8 juli 1976