- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.12.1249.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer voor het Hof van Cassatie de vraag rijst of artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 420bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in de interpretatie dat het aan de derdenverzet doende partij de verplichting oplegt, binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis, over te gaan tot de betekening van het cassatieberoep aan de partij tegen wie het gericht is en tot neerlegging van de stukken waaruit deze betekening blijkt, en dit op straffe van niet ontvankelijkheid van het cassatieberoep, terwijl geen gelijkaardige verplichting bestaat voor de inverdenkinggestelde noch voor de burgerlijke partij die een cassatieberoep instelt, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1249.N

UNITED WESTERN OF THE WORLD vzw, met zetel te 3120 Tremelo, Bas-dongenstraat 3,

eiseres op derdenverzet,

eiseres,

met als raadsman mr. Christiaan Goris, advocaat bij de balie te Leuven,

tegen

1. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105,

eiser tot herstel,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cas-satie,

2. H D,

burgerlijke partij,

3. H J,

burgerlijke partij,

4. J J,

burgerlijke partij,

5. G J,

burgerlijke partij,

6. L J,

burgerlijke partij,

verweerders,

mede inzake

7. C F G V E,

beklaagde,

8. M R V E,

beklaagde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 4 juni 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Op de openbare rechtszitting van 21 mei 2013 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Marc Timperman geconcludeerd.

De eiseres heeft op 7 juni 2013 ter griffie een door artikel 1107 Gerechtelijk Wet-boek bedoelde noot neergelegd.

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerder 1 werpt in de memorie van antwoord op dat het cassatiebe-roep van de eiseres tegen het arrest waarbij haar derdenverzet ongegrond werd verklaard, niet ontvankelijk is omdat het niet zoals nochtans vereist overeenkom-stig de artikelen 417 en 418 Wetboek van Strafvordering werd betekend aan het openbaar ministerie en alle partijen waartegen het is gericht, waaronder de ver-weerder 1.

De advocaat-generaal concludeerde op de rechtszitting van 21 mei 2013 eveneens tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres bij gebrek aan de betekening ervan aan de partijen tegen wie het is gericht.

2. In haar door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot voert de eise-res aan dat:

- zij op grond van artikel 418 Wetboek van Strafvordering niet verplicht is haar cassatieberoep te betekenen aan de verweerders en het openbaar ministerie, doch hoogstens aan de beklaagden;

- het verzuim het cassatieberoep te betekenen op grond van artikel 867 Gerechte-lijk Wetboek niet tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan leiden, indien blijkt dat het doel ervan is bereikt, wat te dezen het geval is.

Indien het Hof op grond van artikel 418 Wetboek van Strafvordering tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep zou besluiten, vraagt de eiseres dat aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld: "Schendt artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 420bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de interpretatie dat het aan de derdenverzetdoende partij de verplichting oplegt, binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis, over te gaan tot de betekening van het cassatieberoep aan de partij tegen wie het gericht is en tot neerlegging van de stukken waaruit deze betekening blijkt, en dit op straffe van niet ontvankelijkheid van het cassatieberoep, terwijl geen gelijkaardige verplichting bestaat voor de inverdenkinggestelde noch voor de burgerlijke partij die een cassatieberoep instelt?"

3. Artikel 417 Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"De verklaring van beroep in cassatie wordt door de veroordeelde partij gedaan op de griffie en door haar en door de griffier getekend; indien hij die de verklaring doet niet kan of wil tekenen, maakt de griffier daarvan melding.

Deze verklaring kan in dezelfde vorm gedaan worden door een advocaat.

Deze verklaring wordt in een daartoe bestemd register ingeschreven; dat register is openbaar en een ieder heeft het recht zich uittreksels daaruit te doen afgeven."

Artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Wanneer het beroep in cassatie tegen een arrest of een vonnis in laatste aanleg gewezen in criminele, correctionele of politiezaken, ingesteld wordt, hetzij door de burgerlijke partij, indien er een is, hetzij door het openbaar ministerie, wordt dit beroep niet alleen ingeschreven zoals bepaald in het vorige artikel, maar tevens binnen een termijn van drie dagen betekend aan de partij tegen wie het gericht is."

Artikel 420bis, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"De eiser in cassatie die de zaak wenst te bepleiten, geeft zijn middelen aan in een memorie, welke ten minste acht dagen voor de terechtzitting aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld.

Na verloop van twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven, mag hij echter geen memories of stukken meer indienen, behalve akten van afstand of hervatting van het geding of akten waaruit blijkt dat de voor-ziening doelloos is geworden of de noten bedoeld in artikel 1107 van het Gerech-telijk Wetboek."

4. Uit artikel 418 Wetboek van Strafvordering volgt dat met uitzondering van de inverdenkinggestelde en de beklaagde, alle partijen hun cassatieberoep moeten laten betekenen aan de partijen tegen wie het gericht is.

De verplichting te betekenen strekt ertoe het cassatieberoep ter kennis te brengen van de partij tegen wie het gericht is teneinde die partij de gelegenheid te geven haar verdediging voor te bereiden en draagt aldus bij tot het recht van verdediging van die partij.

5. Het Grondwettelijk Hof oordeelde met het arrest nr. 120/2004 van 30 juni 2004 dat artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre het aan de burgerlijke partij de verplichting oplegt om op straffe van niet-ontvankelijkheid over te gaan tot de betekening van de voorziening in cassatie aan de partij tegen wie ze is gericht, terwijl voor de inver-denkinggestelde of de beklaagde die een voorziening tegen de burgerlijke partij instelt geen gelijkaardige verplichting bestaat.

Met het arrest nr. 139/2005 van 13 september 2005 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt in zoverre het openbaar ministerie verplicht is zijn cassa-tieberoep te betekenen aan de partijen tegen wie het gericht is, terwijl die ver-plichting niet geldt voor die partijen, gelet op de wezenlijk verschillende situatie waarin het openbaar ministerie zich bevindt.

6. Er is grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, en § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof het Grondwettelijk Hof te bevragen over de door de eiseres voorgehouden discriminatie tussen enerzijds de eiseres als eiseres op derdenverzet en anderzijds de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde of de beklaagde en de daaruit afgeleide schending door artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvorde-ring van de artikelen 10 en 11 Grondwet.

Dictum

Het Hof,

Schort elke verdere beslissing op tot het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudi-ciële vraag uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: "Schendt artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 420bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de inter-pretatie dat het aan de derdenverzetdoende partij de verplichting oplegt, binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis, over te gaan tot de betekening van het cassa-tieberoep aan de partij tegen wie het gericht is en tot neerlegging van de stukken waaruit deze betekening blijkt, en dit op straffe van niet ontvankelijkheid van het cassatieberoep, terwijl geen gelijkaardige verplichting bestaat voor de inverden-kinggestelde noch voor de burgerlijke partij die een cassatieberoep instelt?"

Gelast de overzending aan het Grondwettelijk Hof van een door de voorzitter en de griffier van het Hof ondertekende expeditie van deze beslissing tot verwijzing.

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Eiser op derdenverzet

  • Verplichting tot betekening

  • Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

  • Verplichting van het Hof