- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.13.0780.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit artikel 4.3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 57bis, §1, tweede zin, Jeugdbeschermingswet volgt, eensdeels dat de overlevering van de persoon die op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was voor feiten gekwalificeerd als poging tot doodslag, niet afhankelijk is van een beslissing tot uithandengeving, anderdeels dat deze persoon strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld in de zin van artikel 4.3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0780.N

B L,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,

eiser,

met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 april 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft een schriftelijke con-clusie neergelegd op 7 mei 2013.

Ingevolge de beschikking van 8 mei 2013 van eerste voorzitter Etienne Goethals doet het Hof uitspraak in voltallige rechtszitting.

Op de rechtszitting van 28 mei 2013 heeft raadsheer Antoine Lievens verslag uit-gebracht en heeft plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef geconclu-deerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het beroepen vonnis bevestigend, beslist het arrest dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wat betreft de telastlegging A, wordt gewei-gerd.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 4.3°, Wet Europees Aanhou-dingsbevel en artikel 57bis Jeugdbeschermingswet: het arrest past de weigerings-grond van artikel 4.3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet toe, alhoewel de ei-ser minderjarig was op het ogenblik van de feiten en er geen beslissing of vorde-ring tot uithandengeving voorligt; de mogelijkheid tot uithandengeving naar Bel-gisch recht doet geen afbreuk aan de weigeringsgrond die berust op de minderja-righeid van de dader.

3. Krachtens artikel 4.3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuit-voerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval de persoon op wie het betrekking heeft, gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de in het verzoek tot overlevering bedoelde feiten.

Krachtens artikel 57bis, § 1, eerste zin, Jeugdbeschermingswet kan, indien de per-soon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is ge-bracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, een bijzon-dere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeen-rechtelijke strafprocedure toepast, ofwel een hof van assisen.

Krachtens artikel 57bis, § 1, tweede zin, Jeugdbeschermingswet kan de jeugd-rechtbank slechts beslissen tot uithandengeving onder meer, indien het een feit be-treft zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zo-als bedoeld in de artikelen 393 tot 397 Strafwetboek.

4. Het beginsel van de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van elk Europees aanhoudingsbevel, zoals bepaald in artikel 1.2 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, houdt in dat de Belgische rechter, wanneer hij uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, zonder rechts-macht is om uitspraak te doen over de strafvordering.

Naast een beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid sluit dit eveneens elke voorafgaande beoordeling van de geschiktheid van een maatregel van bewa-ring, behoeding of opvoeding uit met betrekking tot het al of niet nemen van een beslissing tot uithandengeving van de minderjarige op grond van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet.

5. Uit die bepalingen volgt, eensdeels, dat de overlevering van de persoon die op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was voor feiten gekwalificeerd als poging tot doodslag, niet afhankelijk is van een beslissing tot uithandengeving, anderdeels dat deze persoon strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld in de zin van artikel 4.3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 13 Grondwet, in samenhang met de artikelen 10, 11 en 12 Grondwet en met artikel 40, 2, b (iii) en 4, Kinderrech-tenverdrag, artikel 44 Jeugdbeschermingswet, artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 4.3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest neemt ten onrechte aan dat de feiten gepleegd door de eiser onder Neder-landse jurisdictie vallen, terwijl de verplichte weigeringsgrond dient te worden beoordeeld naar Belgisch recht, zodat moet vastgesteld worden dat, krachtens ar-tikel 44 Jeugdbeschermingswet, dat uitgaat van een territoriale bevoegdheid van de verblijfplaats van de minderjarige en niet van de plaats van de feiten, de Belgi-sche jeugdrechter bevoegd is.

Het middel verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt art. 4.3°, van de Belgische Wet EAB, in de interpretatie dat onderzoeks-gerechten niet kunnen weigeren een EAB gericht tegen een minderjarige uit te voeren als naar Belgisch recht theoretisch een uithandengeving mogelijk zou kun-nen zijn voor de feiten zodat ook voor Belgische minderjarigen de toepassing van het Belgische materiële en formele jeugdbeschermingsrecht wordt uitgesloten door een beslissing van de strafrechtelijke onderzoeksgerechten zonder beslissing van de jeugdrechtbank, art. 13 van de Grondwet, in samenhang met artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet en met art. 40, 2, (iii) en 4 van het Kinderrechtenverdrag?"

7. Het middel is volledig afgeleid uit de vergeefs in het eerste middel aange-voerde onwettigheid.

Het middel is niet ontvankelijk.

8. Het Hof dient over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbe-vel met de vereiste spoed uitspraak te doen teneinde de berechting van de zaak door de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende Staat toe te staan binnen een redelijke termijn. Het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag is met dit vereiste onverenigbaar. Het feit dat de eiser inmiddels onder voorwaarden in vrijheid werd gesteld, doet hieraan geen afbreuk.

Het Hof stelt de voorgestelde prejudiciële vraag niet.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 44 Jeugdbeschermingswet, arti-kel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 6.1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de Belgische jeugdrechter niet bevoegd is en houdt geen rekening met de vordering die door het openbaar ministerie met toepassing van de artikelen 36, 4°, en 45 Jeugdbe-schermingswet werd aangebracht bij de jeugdrechtbank.

10. Anders dan het middel aanvoert stellen de appelrechters vast dat in hoofde van de eiser tot op heden geen strafvervolging is ingesteld voor de feiten waar-voor de overlevering wordt verzocht zodat de facultatieve uitleveringsgrond niet ter sprake komt.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 4.5°, Wet Europees Aanhou-dingsbevel: het arrest weerlegt het verweer dat de Nederlandse magistratuur zou willen tegemoet komen aan de Nederlandse publieke opinie en een onevenredig zware straf zou uitspreken niet wettig door enkel de negatie ervan weer te geven.

12. Krachtens artikel 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, wordt de tenuit-voerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige rede-nen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

13. De rechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar of er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

14. Het middel komt op tegen dat onaantastbaar oordeel door het arrest dat de bewering van de eiser met opgave van redenen verwerpt.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vijfde middel

15. Het middel voert schending aan van de artikelen 127, 131, 135, 223, 235bis en 606 Wetboek van Strafvordering, en artikel 57bis Jeugdbeschermingswet, als-mede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest antwoordt niet op de door de eiser aangevoerde schending van artikel 606 Wetboek van Strafvordering en artikel 57bis Jeugdbeschermingswet.

16. De artikelen 127, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over een Eu-ropees aanhoudingsbevel.

In zoverre het middel schending van die wetsbepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

17. Het arrest (p. 9) oordeelt: "De vrijheidsberoving geschiedde in uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel op grond van een signalering conform artikel 9 en 10 van de wet van 19 december 2003 en artikel 2 van de wet op de voorlopige hechtenis.

De wet sluit de arrestatie van een minderjarige in het kader van de bovenvermelde procedure niet uit, zodat de overleveringsprocedure in dit geval geenszins op een misdrijf is gestoeld.

De uithandengeving uitgesproken op grond van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming betreft de vervolging van minderjarigen door Belgische rechtbanken en niet de procedure van overlevering.

De procedure is aldus ontvankelijk."

Met deze redenen beantwoordt het arrest eisers in het middel vermeld verweer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 97,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit de eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Paul Maffei, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2013 uitge-sproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van plaatsver-vangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adri-aensen.

F. Adriaensen A. Lievens F. Van Volsem

G. Steffens P. Cornelis B. Dejemeppe

L. Van hoogenbemt

P. Maffei

E. Goethals J. de Codt

Vrije woorden

  • Overlevering van een minderjarige van zestien jaar of ouder