- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.12.0235.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, kan hij ofwel de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf opleggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ofwel een straf uitspreken die bij wet is bepaald, maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld; geen wettelijke bepaling zegt dat de rechter in zulk geval moet vermelden tot welke straf hij de beklaagde zou hebben veroordeeld indien de redelijke termijn niet overschreden was (1). (1) Cass. 16 maart 2004, AR P.03.1110.N, AC 2004, nr. 144.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0235.N

I

O A,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Roger Vanhoyland, advocaat bij de balie te Hasselt,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plae-ten, Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

II

P J L M,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Walter Van Steenbrugge, beiden advocaat bij de balie te Gent,

tegen

BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 december 2011.

De beide eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

Bij arrest van 7 mei 2013 werd de zaak verdaagd teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de in dat arrest gestelde vraag.

De eisers en de verweerder hebben elk een antwoordnota ingediend.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eiser I

1. Het middel voert miskenning aan van de bijzondere motiveringsplicht, zoals bepaald door artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet waarom, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn, de eenvoudige schuldigverklaring niet volstaat; het beantwoordt evenmin het verzoek dat de eiser in ondergeschikte orde had gedaan, om hem de gunst van de opschor-ting te verlenen, hetzij de geldboete integraal met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen, minstens de geldboete te matigen tot een realistisch en proportioneel bedrag.

Wanneer de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, kan hij of-wel de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf op-leggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ofwel een straf uitspreken die bij wet is bepaald, maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld.

2. Binnen de grenzen, bepaald door artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, beoordeelt de rechter onaantastbaar in feite de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn.

In zoverre het middel opkomt tegen deze beoordeling van feiten, is het niet ont-vankelijk.

3. Krachtens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, een bepaalde straf of maatregel uitspreekt.

Krachtens de artikelen 3 en 8, § 1, in fine, Probatiewet moet de beslissing waarbij de opschorting of het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toege-staan of geweigerd, met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van voornoemd artikel 195 Wetboek van Strafvordering.

4. Het arrest (blz. 25 en 26) veroordeelt, gelet op de overschrijding van de re-delijke termijn, de eiser tot de geldboete die het bepaalt, in plaats van een gevan-genisstraf.

5. Voor het overige motiveert het arrest de keuze van de straf en de strafmaat door met name erop te wijzen dat rekening wordt gehouden met de zwaarwichtig-heid van de bewezen gebleven feiten, inzonderheid de economische en fiscale schade die de feiten teweegbrachten, de persoonlijkheid van de eiser en de nood-zaak een effectieve geldboete op te leggen om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst aan soortgelijk gedrag schuldig te maken.

Uit die redenen blijkt waarom de appelrechters een eenvoudige schuldigverklaring onvoldoende achten en waarom zij een effectieve geldboete opleggen en is de be-slissing regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser I

6. Het middel voert schending aan van artikel 783 Gerechtelijk Wetboek: het arrest werd uitgesproken door één enkele raadsheer terwijl het pas nadien werd ondertekend door de twee andere raadsheren waarvan niet blijkt dat zij zetelden op het ogenblik van de uitspraak; de eiser heeft geen garantie dat het uitgesproken arrest hetzelfde is als het nadien ondertekende arrest; er is een effectieve of moge-lijke tegenstrijdigheid tussen het arrest en het proces-verbaal van de rechtszitting wat de zetelsamenstelling betreft; de eiser kan evenmin nagaan of de eenparig-heid, noodzakelijk voor de verzwaring van de strafmaat, ook effectief aanwezig was.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het arrest werd uitgesproken door één enkele raadsheer terwijl het pas nadien werd onderte-kend door de twee andere raadsheren.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

8. In zoverre het middel aanvoert dat er mogelijks sprake is van een tegenstrij-digheid tussen het arrest en het proces-verbaal van de rechtszitting inzake de sa-menstelling van het rechtscollege zonder deze verder te preciseren, is het wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.

9. Artikel 782, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis vóór de uitspraak wordt ondertekend door de rechters die het hebben gewezen.

Krachtens artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek spreekt de voorzitter van de kamer die het arrest heeft gewezen, het arrest uit, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Artikel 783 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de vermeldingen van de rechterlijke beslissing. Het arrest kan die bepaling bijgevolg niet schenden.

In zoverre het schending van artikel 783 Gerechtelijk Wetboek aanvoert, faalt het middel naar recht.

10. Het arrest vermeldt de naam van de raadsheren die het hebben gewezen. Het vermeldt eveneens dat het is uitgesproken door de voorzitter van de kamer, zijnde een van deze drie raadsheren.

Hieruit volgt dat het arrest, zoals het werd uitgesproken, overeenstemt met het ar-rest dat door de drie erin vermelde rechters werd gewezen.

Het arrest stelt eveneens vast dat het met eenparigheid is gewezen. Deze authen-tieke vaststelling die niet van valsheid is beticht, laat toe na te gaan of het arrest al dan niet met eenparigheid is gewezen.

In zoverre kan het middel evenmin aangenomen worden.

Eerste middel van de eiser II

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers verweer niet dat de vervolgende administratie steunt op bewijsmateriaal dat verkregen werd in een ander gerechtelijk onderzoek waarvan de eiser en de appelrechters de rechtsgeldigheid niet konden controleren en dat door de afsplitsing van de vervol-ging het recht van verdediging werd aangetast.

12. De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een door een partij gedaan verzoek tot het laten voegen bij het dossier van bepaalde stukken.

De enkele omstandigheid dat de rechter een dergelijk verzoek weigert omdat hij dit voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk acht, levert geen miskenning van het recht van verdediging op.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel of het Hof ver-plicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ont-vankelijk.

13. De appelrechters stellen onaantastbaar vast en overwegen dat:

- de gemeenrechtelijke misdrijven die blijkbaar het voorwerp uitmaken van on-derzoek in Antwerpen, andere feitelijke gedragingen en handelingen tot voor-werp hebben dan de douanerechtelijke inbreuken inzake het onwettig bezit van sigaretten, waarover zij te oordelen hebben;

- het geenszins aannemelijk is geworden dat de voormelde douanerechtelijke feiten voorwerp van het Antwerpse gerechtelijk onderzoek uitmaken;

- alle nodige stukken in het huidig strafdossier werden gevoegd en aldus voor-werp uitmaakten, minstens konden uitmaken, van tegensprekelijk debat in de huidige zaak.

De appelrechters beantwoorden aldus eisers verweer.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van de wapengelijkheid, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de appelrechters verklaren de eiser schuldig aan het hem ten laste gelegde feit op basis van vaststellingen en verklaringen die werden verkregen in een ander straf-dossier middels onderzoekshandelingen waartoe enkel kan worden bevolen door een onderzoeksrechter, zonder dat de beschikkingen waarmee tot deze onder-zoekshandelingen werd beslist, aan het dossier zijn gevoegd.

15. In zoverre het onderdeel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

16. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat alle nodige stukken in het huidig strafdossier werden gevoegd en aldus voorwerp uitmaakten, minstens kon-den uitmaken, van een tegensprekelijk debat in de huidige zaak.

De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht zonder eisers rechten te miskennen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser II

17. Het middel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering en artikel 85, derde lid, Strafwetboek: overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, een straf uitspreken die lager is dan de wettelijke minimumstraf; op grond van die bepaling kan de strafrechter een feit dat enkel strafbaar is met gevangenisstraf, bestraffen met geldboete alleen die evenwel het maximum dat in een dergelijk geval bepaald is in artikel 85, derde lid, Strafwetboek, niet mag overschrijden; het arrest stelt vast dat de feiten strafbaar zijn met gevangenisstraf van vier maanden tot één jaar en niet met geldboete; vervolgens maakt het toepassing van voormeld wetsartikel om deze enkele gevan-genisstraf om te zetten in een veroordeling tot een effectieve geldboete van 651.943,20 euro daar waar slechts een geldboete van ten hoogste 500 euro kon worden opgelegd.

In zijn noot in antwoord op het arrest van het Hof van 7 mei 2013 verzoekt de ei-ser de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, zoals vernietigd bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008 (nr. 140/2008) en zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen en van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, in die zin geïnterpreteerd dat de rechter vermocht in afwachting van een optreden van de wetgever, de geldboete waarin voornoemd artikel 39, eerste lid voorzag, nog uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelijke straf met zich mee te brengen, of even-tueel een minder zware geldboete uit te spreken, ofwel wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredigheidsbegin-sel vervat in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14 van de Grondwet (het legaliteitsbeginsel), doordat die bepaling aldus onvoldoende ken-baar was door niet in een minimumbestraffing te voorzien bij wet bepaald?"

Bovendien vraagt de eiser dat, gezien de mogelijke tegenstrijdigheid in de recht-spraak van de verschillende afdelingen van het Hof, de zaak desgevallend zou worden beslecht in verenigde kamers.

18. De huidige zaak heeft geen betrekking op een situatie, zoals bepaald in de artikelen 131, derde en vierde lid, of 1119 Gerechtelijk Wetboek, zodat zij niet dient beslecht te worden door het Hof in verenigde kamers.

19. Wanneer de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, kan hij ofwel de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf opleggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ofwel een straf uitspreken die bij wet is bepaald, maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld.

Geen wettelijke bepaling zegt dat de rechter in zulk geval moet vermelden tot welke straf hij de beklaagde zou hebben veroordeeld indien de redelijke termijn niet overschreden was.

In zoverre faalt het middel naar recht.

20. De rechter die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 21ter Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering een straf oplegt die lager is dan de wet-telijke minimumstraf, maakt geen toepassing van verzachtende omstandigheden. Aldus is de regeling, bepaald in artikel 85, derde lid, Strafwetboek, in dat geval evenmin van toepassing.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.

21. Artikel 39, eerste en tweede lid, Accijnswet 1997, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalt:

"Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 EUR.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn be-stemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aan-gifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen."

22. Bij arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 39, eerste lid, voormeld vernietigd, "in zoverre het de strafrechter niet toe-staat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te matigen en in zoverre het, door niet te voorzien in een maximum- en minimumgeldboete, (...) onevenredige gevolgen kan hebben."

23. Ingevolge dit arrest werd artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997 vervangen krachtens artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diver-se bepalingen, in werking getreden op 10 januari 2010, dat bepaalt: "Iedere over-treding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeis-baar wordt, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 euro."

24. Artikel 39 Accijnswet 1997, zoals gewijzigd, werd vervangen door artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet van 22 december 2009 betreffende de alge-mene regeling inzake accijnzen, in werking getreden op 1 april 2010, dat bepaalt:

"Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een minimum van 250 euro.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsgoederen die worden geleverd of zijn be-stemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aan-gifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de inbreuk wordt gepleegd in bende van ten minste drie personen."

25. Indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt krachtens artikel 2, tweede lid, Strafwetboek de minst zware straf toegepast.

Wanneer bij de opeenvolging van drie strafwetten in de tijd, de straf gesteld door de eerste wet, die van kracht was op het ogenblik van het plegen van het misdrijf, zwaarder is dan de straf gesteld door de derde wet, die van kracht is op het ogen-blik van de uitspraak, maar eventueel deze straf, op haar beurt, strenger is dan de straf die op het misdrijf was gesteld tussen het ogenblik van het plegen ervan en de uitspraak, dient de straf te worden toegepast, die op het misdrijf was gesteld door de minst zware tweede tussenliggende wet.

26. Om te bepalen wat de te dezen toepasselijke, minst zware wet is, meer be-paald of de tweede tussenliggende straf al dan niet de minst zware straf is en bij-gevolg of de door de appelrechters uitgesproken straf een bij wet bepaalde straf is, rijst de vraag wat de gevolgen zijn van het arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 van het Grondwettelijk Hof dat artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, gedeeltelijk heeft vernietigd "in zo-verre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandighe-den bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te matigen en in zoverre het (...) niet (...) [voorziet] in een maximum- en minimumgeldboete".

27. In zijn arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 heeft het Grondwettelijk Hof zelf de gevolgen van de gedeeltelijke vernietiging van voormeld artikel 39, eerste lid, door voornoemd arrest nr. 140/2008 als volgt omschreven:

"B.15. Uit de gedeeltelijke vernietiging van het voormelde artikel 39 vloeit voort dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de rechter de geldboete waarin die bepaling voorziet nog vermocht uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelijke straf met zich mee te brengen, of dat hij een minder zware geldboete vermocht uit te spreken, ofwel wegens het be-staan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredig-heidsbeginsel vervat in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Euro-pees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.16. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter te dezen te bepalen of de op het ogenblik van het vonnis vastgestelde geldboete al dan niet een minder zware straf is in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek dan die welke de gedeeltelijk door het [Grondwettelijk] Hof vernietigde wetsbepaling toeliet uit te spreken."

28. Aldus vermocht de rechter in afwachting van een optreden van de wetgever, de geldboete waarin artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, zoals het van toepas-sing was op het ogenblik van de feiten, voorzag, nog uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelijke straf met zich mee te brengen, of eventueel een minder zware geldboete uit te spreken, ofwel wegens de overschrijding van de redelijke termijn, ofwel wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredigheidsbe-ginsel vervat in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

29. De appelrechters verklaren de eiser schuldig "aan het onwettig voorhanden hebben van 2.344.320 stuks sigaretten van het merk Sovereign, verpakt in 117.216 pakjes van elk 20 sigaretten, die alle onttrokken werden aan de voorgeschreven inlastneming ter verzekering van de inning van de accijns en de bijzondere accijns, die alle niet voorzien waren van Belgische fiscale bandjes en die bestemd waren voor commerciële doeleinden."

Zij stellen vast dat de redelijke termijn werd overschreden en dat een passend rechtsherstel wordt bewerkstelligd door geen gevangenisstraffen meer op te leg-gen, maar deze gevangenisstraffen te vervangen door de hierna bepaalde geldboe-te.

Zij veroordelen hem vervolgens uit dien hoofde tot "een geldboete, gelijk aan tweemaal de ontdoken rechten, hetzij (325.971,60 euro x 2 =) 651.943,20 euro."

30. Aldus is de uitgesproken straf die meetbaar lichter is dan deze welke de ap-pelrechters hadden kunnen uitspreken als de zaak zonder miskenning van de rede-lijke termijn was berecht, naar recht verantwoord zowel op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, Accijnswet 1997 zoals vernietigd door het Grondwettelijk Hof, als op grond van artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, zoals vervangen bij artikel 43 van de wet van 21 december 2009 voornoemd en aangevuld door artikel 37 van dezelfde wet, als op grond van artikel 39 Accijnswet 1997, zoals vervan-gen door artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet van 22 december 2009 voor-meld.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

31. In zijn voormeld arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 heeft het Grond-wettelijk Hof geoordeeld:

"B.11. Aangezien het [Grondwettelijk] Hof ertoe is gemachtigd wetsbepalingen geheel of gedeeltelijk te vernietigen bij wege van arresten die in beginsel een te-rugwerkende kracht erga omnes hebben, beschikt het over de bevoegdheid de toe-stand van het recht te wijzigen, met inbegrip van de wet waarnaar de artikelen 12 en 14 van de Grondwet verwijzen.

B.12. De geldboete waarin artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 voorziet, vormt een straf. Het [Grondwettelijk] Hof heeft die bepaling vernietigd in zoverre zij de strafrechter niet toeliet de geldboete te matigen wanneer er ver-zachtende omstandigheden bestaan en in zoverre zij daarvoor niet voorzag in een minimum- en maximumbedrag.

B.13. In beginsel komt het aan de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil, en die normen te inter-preteren. Wanneer evenwel, zoals te dezen, de prejudiciële vraag verband houdt met de gevolgen van een vernietigingsarrest, dient het [Grondwettelijk] Hof te onderzoeken of de gevolgtrekking waarop de vraag is gesteund, juist is.

B.14.1. Daar artikel 39 slechts gedeeltelijk is vernietigd, is die bepaling, als gevolg van het arrest nr. 140/2008 slechts gedeeltelijk uit de rechtsorde verdwenen."

Aldus heeft het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld dat het opleggen van een geldboete na de gedeeltelijke vernietiging van artikel 39 Accijnswet 1997 bij arrest nr. 140/2008 niet strijdig is met het legaliteitsbeginsel, ook al voorzag dat artikel niet in een minimum- en maximumbedrag.

De prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 172,43 euro waarvan de eiser I 86,22 euro ver-schuldigd is en de eiser II 86,21 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Overschrijding van de redelijke termijn