- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.13.0118.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het openbaar ministerie kan een parlementslid alleen vervolgen op grond van ontdekking op heterdaad wanneer het misdrijf nog actueel is; dit houdt in dat de akte van vervolging enkel van het misdrijf en de eventueel terstond daarop uitgevoerde onderzoekshandelingen mag gescheiden zijn door de tijd die materieel noodzakelijk is om tot de vervolging over te gaan; een vervolging die is ingesteld na een onderbreking die niet materieel noodzakelijk is om tot haar uitvoering over te gaan, heeft geen betrekking op een actueel misdrijf en is zonder het verlof van de parlementaire vergadering waarvan het parlementslid deel uitmaakt, niet ontvankelijk; de rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of op het ogenblik van de vervolging, het misdrijf dat het voorwerp van de heterdaad uitmaakt, nog actueel is in de zin zoals hiervoor bepaald; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0118.N

J P K V,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Mark De Zutter, advocaat bij de balie te Hasselt, en mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Hasselt van 13 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Op 24 mei 2013 heeft plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef zijn schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 11 juni 2013 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitge-bracht en heeft de voormelde plaatsvervangend advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 59 Grondwet en artikel 41 Wet-boek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de straf-vordering die is ingesteld tegen de eiser die parlementaire onschendbaarheid ge-niet, zonder verlof van de Kamer waarvan hij deel uitmaakt, ontvankelijk is we-gens ontdekking op heterdaad; een misdrijf wordt op heterdaad ontdekt indien het ontdekt wordt terwijl het gepleegd wordt of terstond nadat het gepleegd is; dit laatste is enkel het geval wanneer het misdrijf nog actueel is en de tijd die verlopen is tussen het plegen ervan en de daden van onderzoek en vervolging, beperkt is tot de tijd die materieel noodzakelijk is om tot die daden over te gaan; het bevel tot rechtstreekse dagvaarding werd gegeven op 13 oktober 2011, terwijl het bestreden vonnis vaststelt dat de laatste onderzoeksdaad werd verricht op 3 juli 2011; die vaststelling is onverenigbaar met het oordeel van het bestreden vonnis dat het openbaar ministerie "onverwijld" is overgegaan tot dagvaarding.

2. Artikel 59 Grondwet bepaalt: "Behalve bij ontdekking op heterdaad kan geen lid van een van beide Kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of wor-den aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan een lid deel uitmaakt."

Uit het bestreden vonnis blijkt dat artikel 120 Grondwet van toepassing is op de eiser in zijn hoedanigheid van Vlaams parlementslid.

3. Krachtens de vermelde bepalingen kan het openbaar ministerie een parle-mentslid alleen vervolgen op grond van ontdekking op heterdaad wanneer het misdrijf nog actueel is. Dit houdt in dat de akte van vervolging enkel van het mis-drijf en de eventueel terstond daarop uitgevoerde onderzoekshandelingen mag ge-scheiden zijn door de tijd die materieel noodzakelijk is om tot de vervolging over te gaan. Een vervolging die is ingesteld na een onderbreking die niet materieel noodzakelijk is om tot haar uitvoering over te gaan, heeft geen betrekking op een actueel misdrijf en is zonder het verlof van de parlementaire vergadering waarvan het parlementslid deel uitmaakt, niet ontvankelijk.

4. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of op het ogenblik van de ver-volging, het misdrijf dat het voorwerp van de heterdaad uitmaakt, nog actueel is in de zin zoals hiervoor bepaald. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

5. Het bestreden vonnis oordeelt dat:

- een politieambtenaar op 3 juli 2011 omstreeks 2.45 uur heeft vastgesteld dat de eiser een verkeersbord en een verkeerskegel heeft aangereden en vervolgens is verder gereden;

- de politie die vervolgens door die politieambtenaar werd verwittigd, diezelfde nacht ononderbroken een aantal onderzoekshandelingen heeft gesteld, waaron-der verhoren van de eiser omstreeks 6.05 uur en 6.24 uur;

- het openbaar ministerie onverwijld is overgegaan tot dagvaarding.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt verder dat:

- het bestreden vonnis na de vermelde verhoren op 3 juli 2011, omstreeks 6.05 uur en 6.24 uur, geen andere onderzoekshandelingen meer vermeldt;

- het openbaar ministerie het bevel tot dagvaarding van de eiser heeft gegeven op 13 oktober 2011, hetzij meer dan drie maanden na de vermelde verhoren.

7. De aldus verstreken termijn van meer dan drie maanden tussen de laatste door het bestreden vonnis vastgestelde onderzoekshandeling die terstond na de ontdekking van het misdrijf werd verricht en de rechtstreekse dagvaarding is niet verenigbaar met het vereiste dat op het moment van de vervolging, het misdrijf dat het voorwerp van de heterdaad uitmaakt, nog actueel moet zijn. Evenmin ver-mag het bestreden vonnis uit de feiten die het vaststelt, af te leiden dat het open-baar ministerie onverwijld tot dagvaarding van de eiser is overgegaan.

8. Bijgevolg verantwoordt het bestreden vonnis dat zonder het verlof van het Parlement waarvan de eiser deel uitmaakt, de strafvordering lastens hem ontvan-kelijk verklaart wegens ontdekking op heterdaad van het hem ten laste gelegde misdrijf, de beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank te Tongeren, zitting houdend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 157,47 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 11 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Vrije woorden

  • Vervolging van een parlementslid

  • Ontdekking op heterdaad