- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.13.0383.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de problematische opvoedingssituatie van een minderjarige overeenkomstig artikel 37 Decreet Bijzondere Jeugdbijstand, aanhangig is gemaakt en de jeugdrechter in dat kader reeds beschermingsmaatregelen heeft genomen, blijft de zaak van de minderjarige bij de jeugdrechter regelmatig aanhangig; de jeugdrechter is dan bevoegd om een in artikel 38, §1, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand genomen maatregel overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van datzelfde decreet te vervangen door een andere maatregel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0383.N

1. D P,

voormalige pleegouder,

2. M V,

voormalige pleegouder,

eisers,

met als raadsman mr. Caroline Curtis, advocaat bij de balie te Hasselt,

in aanwezigheid van

1. G S,

minderjarige,

2. G S,

moeder van de minderjarige,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, jeugdkamer, van 24 januari 2013.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. In zoverre het arrest de beslissing over de kosten aanhoudt is het geen eind-beslissing, noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mits-dien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 780, 3°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 52ter, derde lid, Jeugdbeschermingswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest antwoordt niet op het middel dat de procedure in eerste aanleg niet correct aan-hangig werd gemaakt bij dagvaarding namens het openbaar ministerie, dat elke tussenkomst van het openbaar ministerie ontbreekt dat geen advies had verleend; er werd evenmin geantwoord op het argument betreffende de hechting van de minderjarige aan de eisers; door het bestaan van "twijfel" over de draagkracht van de eisers niet concreet te motiveren wordt plaats gemaakt voor willekeur; de ap-pelrechter kiest bovendien voor een bepaalde maatregel, zonder die te rechtvaar-digen.

3. De eisers hebben in appelconclusie aangevoerd dat de herziening van de be-slissing van de jeugdrechter enkel op verzoek van de minderjarige, zijn wettelijk vertegenwoordiger, de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand of het open-baar ministerie mogelijk is, dat het openbaar ministerie de minderjarige en zijn ouders moet dagvaarden en dat het openbaar ministerie niet aanwezig was of ge-hoord werd voorafgaandelijk aan de beslissing van 3 december 2012, zodat er geen advies werd verstrekt. Zij hebben hieruit evenwel geen gevolgen in rechte getrokken met betrekking tot de te nemen beschermingsmaatregel noch met de re-gelmatigheid van de beroepen beslissing. Bijgevolg diende het arrest dat doelloos verweer niet te beantwoorden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. Het arrest (p. 3) oordeelt: "Er blijven twijfels bestaan over de draagkracht van de oorspronkelijke pleegouders. In geval van pleegplaatsing mogen er evenwel geen twijfels bestaan. Het enige criterium bij de beoordeling van deze zaak is het belang van G.

Uit de stukken waarover het hof [van beroep] beschikt blijkt dat zij het ondertussen prima doet in het nieuw pleeggezin."

5. Met die redenen beantwoordt het arrest het overige in het middel vermeld verweer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 36, 45, 46 en 60 Jeugdbe-schermingswet en de artikelen 37, 41 en 43 van het Vlaams Decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand (hierna: Decreet Bijzondere Jeugdbijstand): de beslissing van de jeugdrechter is onwettig ambtshalve genomen en zonder dat de zaak is ingeleid met dagvaarding door het openbaar ministerie; de minderjarige en haar ouders werden niet gedagvaard.

7. Krachtens artikel 41, eerste lid, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand, kunnen de maatregelen vermeld in artikel 38, § 1, zowel tijdens de voorbereidende rechts-pleging als tijdens en na de rechtspleging over de grond van de zaak worden ge-nomen. Ze kunnen te allen tijde worden ingetrokken of op verzoek van de min-derjarige, zijn wettelijke vertegenwoordiger, de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand of het openbaar ministerie worden vervangen door een andere maat-regel die in dat artikel is bepaald.

8. Anders dan het middel ervan uitgaat, werd de zaak niet aanhangig gemaakt op eigen initiatief van de jeugdrechtbank, maar ingevolge de verzoeknota van de consulent van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank te Hasselt, neergelegd op 7 november 2002, waarbij wordt verzocht om G S toe te vertrouwen aan een ander te bepalen pleeggezin, onder begeleiding van een andere te bepalen pleeggezin-nendienst.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

9. Wanneer, zoals hier, de problematische opvoedingssituatie van een minder-jarige overeenkomstig artikel 37 Decreet Bijzondere Jeugdbijstand, aanhangig is gemaakt en de jeugdrechter in dat kader reeds beschermingsmaatregelen heeft ge-nomen, blijft de zaak van de minderjarige bij de jeugdrechter regelmatig aanhan-gig. De jeugdrechter is dan bevoegd om een in artikel 38, § 1, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand genomen maatregel overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van dat-zelfde decreet te vervangen door een andere maatregel.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van de artikelen 138, tweede (lees: eerste) lid, 780, 1° en 4°, 764 en 765 Gerechtelijk Wetboek en artikel 8 Jeugdbescher-mingswet: het openbaar ministerie was niet aanwezig op de rechtszitting van de jeugdrechtbank en werd niet voorafgaandelijk gehoord over de herplaatsing van het kind, noch heeft het advies verleend; het arrest hecht hier geen gevolgen aan.

11. De beroepen beschikking is een kabinetsbeschikking van de jeugdrechter.

12. Geen enkele wetsbepaling vereist dat voor dergelijke beschikking, die geen uitspraak is als bedoeld in artikel 765 Gerechtelijk Wetboek, het openbaar minis-terie voorafgaandelijk wordt gehoord of advies uitbrengt.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 11 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Vrije woorden

  • Problematische opvoedingssituatie van een minderjarige

  • Beschermingsmaatregelen

  • Bevoegdheid van de jeugdrechter