- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - P.13.0416.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ingevolge het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008 vermocht de strafrechter in afwachting van een optreden van de wetgever, de geldboete waarin artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de feiten, voorzag, nog uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelijke straf met zich mee te brengen, of eventueel een minder zware geldboete uit te spreken, ofwel wegens de overschrijding van de redelijke termijn, ofwel wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM (1). (1) Cass. 7 mei 2013, AR P.12.0275.N, AC 2013, nr. … met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

P.13.0416.N

I

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de dou-ane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G M D L,

beklaagde,

met als raadsman mr. Tom Decaigny, advocaat bij de balie te Antwerpen,

2. R R V D K,

beklaagde,

3. Etablissementen STUKO bvba, met zetel te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem), Poortakkerstraat 1,

beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

verweerders.

II

R R V D K, reeds vermeld,

beklaagde,

eiser,

tegen

BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,

vervolgende partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 31 januari 2013.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert geen middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Tweede onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, artikel 39 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor ac-cijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna Accijnswet 1997), zoals gewijzigd door artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, de artikelen 26, 37 en 43 van de voormelde wet van 21 december 2009, artikel 45 van de wet van 22 de-cember 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (Accijnswet 2009) en de artikelen 220 en 221 AWDA: het arrest oordeelt ten onrechte dat aan de verweerders 1 en 2 geen geldboete kon worden opgelegd voor de bewezen ver-klaarde misdrijven; uit de gedeeltelijke vernietiging van artikel 39, eerste lid, Ac-cijnswet 1997 vloeit volgens het Grondwettelijk Hof met het arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 immers voort dat in afwachting van het optreden van de wetgever, de rechter vermag voor op 27 februari 2009 gepleegde feiten een geld-boete uit te spreken indien hij oordeelt dat de feiten voldoende ernstig zijn om een dergelijke straf met zich mee te brengen dan wel een minder zware geldboete uit te spreken, hetzij wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden hetzij met toepassing van het in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM vervatte even-redigheidsbeginsel.

2. Artikel 39, eerste en tweede lid, Accijnswet 1997, zoals van toepassing vóór het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof nr. 140/2008 van 30 oktober 2008, bepaalde:

"Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 EUR.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn be-stemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aan-gifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen."

3. Bij arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Grondwettelijk Hof het voormelde artikel 39, eerste lid, vernietigd "in zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te matigen en in zoverre het, door niet te voorzien in een maximum- en minimumgeldboete, (...) onevenredige gevolgen kan hebben."

4. Artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, na de vervanging door artikel 43 van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, bepaalt vanaf 10 januari 2010: "Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250 euro."

Artikel 37 van dezelfde wet van 21 december 2009 voegt artikel 281-2 AWDA in dat bepaalt: "De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbe-grip van artikel 85 doch met uitzondering van artikel 68, zijn van toepassing op de misdrijven strafbaar gesteld bij deze wet en de bijzondere wetten inzake douane en accijnzen."

5. Artikel 39 Accijnswet 1997, zoals gewijzigd, werd met ingang van 1 april 2010 vervangen door artikel 45, eerste en tweede lid, Accijnswet 2009, dat be-paalt:

"Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een minimum van 250 euro.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsgoederen die worden geleverd of zijn be-stemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aan-gifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de inbreuk wordt gepleegd in bende van ten minste drie personen."

6. Indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt krachtens artikel 2, tweede lid, Strafwetboek de minst zware straf toegepast.

7. Om te bepalen wat de te dezen toepasselijke, minst zware wet is, rijst de vraag naar de gevolgen van het arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008 van het Grondwettelijk Hof dat artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, heeft vernietigd "in zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandighe-den bestaan, de in die bepaling voorgeschreven geldboete te matigen en in zoverre het (...) niet (...) [voorziet] in een maximum- en minimumgeldboete".

8. In zijn arrest nr. 26/2013 van 28 februari 2013 heeft het Grondwettelijk Hof zelf de gevolgen van de gedeeltelijke vernietiging van voormeld artikel 39, eerste lid, door voornoemd arrest nr. 140/2008 als volgt omschreven:

"B.15. Uit de gedeeltelijke vernietiging van het voormelde artikel 39 vloeit voort dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de rechter de geldboete waarin die bepaling voorziet nog vermocht uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelijke straf met zich mee te brengen, of dat hij een minder zware geldboete vermocht uit te spreken, ofwel wegens het be-staan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredig-heidsbeginsel vervat in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Euro-pees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.16. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter te dezen te bepalen of de op het ogenblik van het vonnis vastgestelde geldboete al dan niet een minder zware straf is in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek dan die welke de gedeeltelijk door het [Grondwettelijk] Hof vernietigde wetsbepaling toeliet uit te spreken."

9. Aldus vermocht de rechter in afwachting van een optreden van de wetgever, de geldboete waarin artikel 39, eerste lid, Accijnswet 1997, voorzag, nog uit te spreken indien hij meende dat de feiten voldoende ernstig waren om een dergelij-ke straf met zich mee te brengen, of eventueel een minder zware geldboete uit te spreken, ofwel wegens de overschrijding van de redelijke termijn, ofwel wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, ofwel met toepassing van het evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

10. Het arrest dat anders oordeelt, verantwoordt die beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord.

Omvang van de cassatie

12. De onwettigheid van de beslissing over het niet-opleggen van een geldboete aan de verweerders I.1 en I.2 leidt tot de vernietiging van de beslissing tot het op-leggen van een hoofdgevangenisstraf en tot hun veroordeling tot de kosten, even-als van de beslissing waarbij de verweerster I.3 overeenkomstig artikel 265 AWDA burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk werd verklaard voor de betaling van de kosten uitgesproken lastens de verweerder I.2. Ze laat de beslissing over de schuld van de verweerders I.1 en I.2 en het bevelen van de bijzondere verbeurd-verklaring wat hen betreft onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre het oordeelt dat aan de verweerders I.1 en I.2 geen geldboete kan worden opgelegd en hen veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf en tot de kosten, evenals van de beslissing waarbij de verweerster I.3 overeen-komstig artikel 265 AWDA burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk werd verklaard voor de betaling van de kosten uitgesproken lastens de verweerder I.2.

Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen.

Laat de kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep.

Verwijst de aldus de beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 997,17 euro, waarvan de eiser I 162,86 euro verschuldigd is en de eiser II 204,16 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 11 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Douane en accijnzen

  • Accijnswet 1997

  • Geldboete bepaald in artikel 39, eerste lid

  • Vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof