- Arrest van 13 juni 2013

13/06/2013 - C.10.0064.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bevoegdheid van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas, 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0064.F

COMITÉ DE REMEMBREMENT DE BLEID,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

L. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de Raad van State, afdeling be-stuursrechtspraak, van 22 december 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet;

- de artikelen 591, 11°, en 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 14, 28, 33 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 12 januari 1973;

- artikel 33 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

- de artikelen 26, § 2, en 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- de artikelen 1, 4, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 26, 28, 29, 31, inzonderheid derde, vijfde en zesde lid, 34, 36, 39, 40, 41, 43 en 53, eerste lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van onbevoegdheid die de eiser tegen verweerders beroep tot nietigverklaring had opgeworpen, verklaart dat beroep ontvankelijk en gegrond en vernietigt bijgevolg de "beslissing op grond waarvan (de eiser) in augustus 2006 het herverkavelingsplan en de lijsten, opgemaakt overeenkomstig de artikelen 26 en 34, eerste, tweede en derde lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, heeft vastgesteld", en veroordeelt de eiser in de kosten, om de volgende redenen:

"Artikel 1 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bepaalt wat volgt [...]. Luidens de artikelen 4 en volgende van die wet bepaalt de procedure voor het opmaken van een wettelijk ruilverkavelingsplan dat een ad hoc ruilverkavelingscomité een kavelplan met de vroegere kavels en een ruilverkavelingsplan met de nieuwe kavels opmaakt, alsook verschillende lijsten waarop vermeld wordt wat de gevolgen zijn van de ruilverkaveling voor de eigenaars en de gebruikers; [...] wat betreft de opmaak van die plannen wordt bepaald dat de personen die bij een ruilverkavelingsplan betrokken zijn, hun opmerkingen hierover kenbaar kunnen maken, dat een ad hoc adviescommissie een advies zal uitbrengen over het ontwerp van ruilverkaveling en over de opmerkingen die in het kader van het openbaar onderzoek zijn gemaakt en dat het ad hoc ruilverkavelingscomité bevoegd is om hierover een beslissing te nemen.

[...] Krachtens artikel 591, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek ‘neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen'; [...] artikel 43 van de wet van 22 juli 1970 [...] bepaalt de bevoegdheid van de vrederechter in deze bewoordingen [...].

[...] De Raad van State heeft bij arrest nr. 28.925 van 27 november 1987 als volgt geoordeeld: ‘l'article 43 de la loi du 22 juillet 1970, interprété à la lumière du rapprochement des lois successives et des travaux préparatoires d'où il ressort qu'une illégalité ou une injustice, si elles peuvent être sanctionnées, ne peuvent plus l'être par une remise en cause du lotissement établi par le comité, exclut formellement la compétence du Conseil d'État pour connaître du recours en annulation dirigé contre la décision finale du comité de remembrement ou, à plus forte raison, contre l'acte de remembrement par lequel cette décision est exécutée'; [...] de Raad van State heeft in zijn arrest 30.549 van 30 juni 1988 daarenboven als volgt geoordeeld: ‘la loi du 22 juillet 1970 sur le remembrement légal de biens ruraux, qui remplace la loi du 25 juin 1956, a supprimé la possibilité, pour les intéressés, de contester l'attribution des lots devant le juge de paix en cas d'illégalité ou d'injustice évidente ; qu'elle a instauré une procédure spéciale de rectification qui exclut la compétence du Conseil d'État'".

Op basis van het arrest van 11 juni 2003 van het Grondwettelijk Hof, en meer bepaald van een overweging in zijn redenen, beslist het bestreden arrest vervolgens evenwel "dat het Arbitragehof in dat arrest (B.9.4 ‘de eindbeslissingen van het ruilverkavelingscomité, in zoverre het administratieve rechtshandelingen betreft, kunnen met een beroep voor de Raad van State worden bestreden'), heeft geoordeeld dat artikel 43 van de wet van 22 juli 1970 bestaanbaar is met de Grondwet, met name omdat de belanghebbenden voor de Raad van State een beroep kunnen instellen tegen de beslissing op grond waarvan het ruilverkavelingscomité een ruilverkavelingsplan opmaakt; [...] de beslissing van het ruilverkavelingscomité is een grievende administratieve akte waarvan de Raad van State in beginsel kan kennisnemen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; [...] het werkelijke voorwerp van het geschil blijkt geen betwisting te zijn die, luidens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, tot de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken zou behoren",

en vooral dat "de bevoegdheid van de Raad van State alleen maar zou kunnen worden uitgesloten indien de belanghebbenden een rechtsvordering voor een gewone rechtbank [konden] instellen die hetzelfde resultaat kon opleveren als dat welk zij met een beroep wegens bevoegdheidsoverschrijding konden bereiken; [...] wat dat betreft moet erop gewezen worden dat de wet van 25 juni 1956 weliswaar de mogelijkheid bood om de toewijzing zelf van de percelen te betwisten voor de gewone rechter, maar dat de wet van 22 juli 1970 die mogelijkheid heeft geschrapt. De belanghebbende kan het bedrag van de opleg of van de vergoeding niet meer betwisten, [...] de rechter [kan] de ruilverkaveling zelf niet meer in vraag stellen",

en voorts dat "het [Grondwettelijk Hof] dus terecht [...] heeft geoordeeld dat die rechterlijke bescherming niet volledig was, omdat de Raad van State bevoegd was om in voorkomend geval de beslissingen van het ruilverkavelingscomité te vernietigen; [...] het standpunt van het [Grondwettelijk] Hof volgens welke ‘de eindbeslissingen van het ruilverkavelingscomité administratieve akten zijn waartegen beroep kan worden ingesteld voor de Raad van State, is een noodzakelijke toevoeging waaruit kan worden besloten dat de in artikel 43, § 1, bepaalde jurisdictionele waarborgen volstaan; [...] er moet immers worden herhaald dat de voorgestelde prejudiciële vragen kritiek uitoefenden op het feit dat de vrederechter geen wijzigingen kon aanbrengen in de door het comité opgemaakte ruilverkaveling en dat er geen waarborg voor een extern of intern wettigheidstoezicht werd geboden",

en, ten slotte, dat "artikel 26, § 2, van de wet op het Arbitragehof [...] bepaalt [...]; te dezen volgt uit de verwoording van de twee prejudiciële vragen van [de eiser] dat die vragen hetzelfde voorwerp hebben als dat van, enerzijds, de tweede prejudiciële vraag en, anderzijds, de derde prejudiciële vraag, met dien verstande dat het Grondwettelijk Hof zou worden gevraagd om ervan uit te gaan dat de Raad van State niet bevoegd zou zijn; [...] zoals hierboven is uiteengezet, heeft het Hof die vragen reeds beantwoord in het voormelde arrest 83/2003; [...] de redengeving van het arrest van het Grondwettelijk Hof [...] is in dat opzicht voldoende duidelijk en ondubbelzinnig, zodat er geen grond bestaat om de door [de eiser] voorgestelde prejudiciële vragen te stellen [...]."

Grieven

Krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet kan de Raad van State niet kennisnemen van vorderingen waarvan het werkelijke voorwerp strekt tot erkenning van een burgerlijk recht of, meer algemeen, van een subjectief recht. De geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken. Hetzelfde geldt voor geschillen over politieke rechten, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen.

Luidens artikel 7 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij die wetten en de bijzondere wetten. Krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak daarenboven uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Volgens artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bevestigd bij artikel 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen bij het Hof van Cassatie aanhangig worden gemaakt, de arresten waarbij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist van de eis niet te kunnen kennisnemen, op grond dat die kennisneming binnen de bevoegdheid van de rechterlijke overheden valt, alsmede de arresten waarbij de afdeling afwijzend beschikt op een declinatoire exceptie gesteund op de grond dat de eis tot de bevoegdheid van die overheden behoort.

Krachtens de artikelen 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en 33 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 moeten de arresten van de afdeling bestuursrechtspraak bovendien regelmatig met redenen omkleed zijn, op de middelen van de partijen antwoorden en het Hof van Cassatie in staat stellen zijn wettigheidstoezicht te houden.

Hoewel de bevoegdheid van de Raad van State bepaald wordt door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het bij hem aanhangig gemaakte beroep, zodat de vorderingen tot nietigverklaring van administratieve akten in de regel tot die be-voegdheid behoren, kan de wet de mogelijkheid om de nietigverklaring te vorderen van een administratieve akte of van een categorie van akten van de overheid impliciet of expliciet opheffen, de bevoegdheid van de Raad van State uitsluiten en bepalen dat enkel de gewone gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van alle mogelijke geschillen over die akte(n).

Eerste onderdeel

Artikel 1 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bepaalt wat volgt:

"Teneinde in het algemeen belang tot een betere economische exploitatie van de landeigendommen te komen, kan, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, overgegaan worden tot ruilverkaveling van versnipperde en verspreid liggende gronden.

Ruilverkaveling beoogt het vormen van aaneensluitende en regelmatige kavels die zo dicht mogelijk bij de bedrijfszetel zijn gelegen en een eigen uitweg hebben.

Ruilverkaveling kan gepaard gaan met aanleg en verbetering van wegen en afwateringen en met grondverbeteringswerken, zoals drooglegging, bevloeiing, effening en ontginning, evenals met werken van landschapszorg en met werken voor water- en elektriciteitsvoorziening.

Met de instemming van de belanghebbende eigenaars, vruchtgebruikers en pachters kan de ruilverkaveling ook gepaard gaan met andere verbeteringen noodzakelijk gemaakt door de wijzigingen in de landinrichting of door de heroriëntering van de produktie, zoals sloping, optrekking, vergroting, verbetering en aansluiting op het elektriciteits- en waterleidingsnet van hoevegebouwen, woonvertrekken inbegrepen, alsmede water- en elektriciteitsvoorziening in weiden en graslanden".

Uit de samenhang van artikel 4 en de volgende, in de aanhef van het middel vermelde artikelen van die wet, kan worden afgeleid dat de verschillende handelingen die in de loop van de procedure tot opmaak van een wettelijke ruilverkaveling van landeigendommen zijn verricht, niet met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kunnen worden bestreden. Krachtens artikel 591, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek behoren alle geschillen inzake ruilverkaveling immers bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken en, meer bepaald, van de vrederechter. Artikel 43 van de wet van 22 juli 1970 begrenst die bevoegdheid overigens als volgt:

"§ 1. Ieder belanghebbende kan de oppervlakten betwisten van de nieuwe kavels die hem in elke waardezone worden toegewezen, de berekening van de globale waarden en van de opleg die er uit voortspruit, het bedrag van de vergoedingen wegens meer- of minderwaarden evenals de vergoeding voor gebruiksverlies.

Kan eveneens door ieder belanghebbende worden betwist het aandeel in de kosten dat hem overeenkomstig de bepalingen van artikel 40, eerste en tweede lid, ten laste wordt gelegd.

Op straffe van verval richt de betrokkene of zijn advocaat aan de rechter een verzoekschrift tot benoeming van een deskundige, binnen dertig dagen na de verzending van de bij artikel 35, vijfde lid, bepaalde kennisgeving, indien het gaat om een beroep dat steunt op het eerste lid van deze paragraaf, of binnen dertig dagen na de verzending van de bij artikel 42, vijfde lid, bepaalde kennisgeving, indien het gaat om een beroep dat steunt op het tweede lid van deze paragraaf.

De door de post afgestempelde lijst van de aangetekende brieven of afgiftebewijzen die getuigen van de onderscheidenlijk in artikel 35, vijfde lid, en in artikel 42, vijfde lid, bedoelde kennisgevingen, worden door het comité ter griffie neergelegd uiterlijk de dag waarop de termijn voor de indiening van de verzoekschriften verstrijkt.

De bepalingen van artikel 23, leden drie, vier en zes tot twaalf, zijn van toepassing op de hiervoren bedoelde rechtsvorderingen.

Oordeelt de rechter de bezwaren gegrond, dan verbetert hij, naargelang van het geval, de opleg, de vergoeding wegens meer- of minderwaarde, de vergoeding wegens gebruiksverlies of het bedrag van de ten laste van de betrokkene gelegde kosten; het verschil maakt deel uit van de uitvoeringskosten van de ruilverkaveling.

Wanneer het vonnis meer dan dertig dagen vóór de dag vastgesteld voor het verlijden van de ruilverkavelingsakte, is uitgesproken, brengt het comité aan de lijsten bepaald in artikel 34, 1°, 2° en 3°, de verbeteringen aan die uit het vonnis voortvloeien. In het tegenovergestelde geval brengt hij die verbeteringen aan, aan de lijsten bepaald in artikel 41, 1° en 2°, evenals aan de dokumenten opgemaakt op grond van artikel 44.

§ 2. Ieder belanghebbende kan de overdracht van de zakelijke rechten, zoals die werden bepaald overeenkomstig artikel 36, vierde lid, betwisten.

Om de rechtsvordering in te stellen, moet een dagvaarding om voor de rechter te verschijnen, op straffe van verval aan het comité worden betekend binnen dertig dagen na verzending van het in artikel 36, vijfde lid, bepaalde bericht. De dagvaarding, op straffe van niet-ontvankelijkheid, vermeldt het onderwerp van de rechtsvordering en bevat een bondige uiteenzetting van de middelen.

Op straffe van verval wordt die dagvaarding ten minste vijftien dagen vooraf betekend.

De bepalingen van artikel 23, leden elf en twaalf, evenals die van hetzelfde artikel, leden zeven tot tien, ingeval de rechter één of meer deskundigen aanstelt, zijn toepasselijk op die rechtsvorderingen.

De rechter bepaalt, in voorkomend geval, de nieuwe kavels of delen hiervan, waarop de zakelijke rechten worden overgedragen; hij kan aan de eisende partij bevelen ieder belanghebbende persoon die hij aanduidt, bij de zaak te roepen.

Wanneer het vonnis ten minste dertig dagen vóór de dag vastgesteld voor het verlijden van de ruilverkavelingsakte, is uitgesproken, brengt het comité op de plannen en lijsten bepaald in artikel 34, 4° en 5°, de verbeteringen aan die uit het vonnis voortvloeien. In het tegenovergestelde geval wordt het vonnis op verzoek van de meest gerede partij op de hypotheekbewaring overgeschreven of ingeschreven".

De ruilverkaveling en de herverkaveling kunnen dus op zich niet betwist worden; wijzigingen kunnen enkel worden aangebracht aan de toegekende vergoedingen of aan de kosten die de belanghebbenden ten laste worden gelegd; het staat vast dat de wetgever alle mogelijke geschillen over de wettelijke ruilverkaveling van landeigendommen een strikt burgerlijk karakter heeft willen verlenen, waarbij de eindbeslissing van het ruilverkavelingscomité niet met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden, aangezien laatstgenoemde niet van een dergelijk beroep kan kennisnemen, en kan evenmin, in het licht van artikel 159 van de Grondwet, voor de gewone rechter worden betwist.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat het tegengestelde beslist, de exceptie van onbevoegdheid verwerpt en de betwiste beslissing vernietigt, niet naar recht verantwoord is en alle in het middel bedoelde bepalingen schendt, met uitzondering van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 26 en 28 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof.

Tweede onderdeel

De arresten die het Grondwettelijk Hof op prejudiciële vragen wijst, hebben slechts een relatief gezag van gewijsde, waarbij de oplossing van het Hof enkel geldt voor de rechter naar wie de zaak wordt verwezen en voor de rechtscolleges die in dezelfde zaak uitspraak doen.

Uit de samenhang van artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, en 28 van de wet van 6 januari 1989 volgt weliswaar dat elk gerecht dat uitspraak moet doen over hetzelfde onderwerp als dat waarop het antwoord over de ongrondwettelijkheid betrekking heeft, de prejudiciële vraag niet hoeft te herhalen en die niet opnieuw aan het Hof hoeft voor te leggen, voor zover het gerecht zich naar dat antwoord voegt; het is dus vereist dat de regel waarvan de grondwettelijkheid in vraag wordt gesteld, dezelfde is als die waarop het voorgaande toezicht heeft plaatsgevonden en, vooral, dat tegen de rechtsnorm en tegen de regel precies dezelfde verwijten worden gericht.

De wijziging van artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, door de wet van 9 maart 2003, volgens welke het onderwerp identiek moet zijn en niet louter gelijkaardig, heeft tot gevolg dat elke uitlegging bij analogie verboden is; indien het onderwerp niet volkomen identiek is, moet een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof worden gesteld.

Dat was ook hier het geval. De tweede en de derde prejudiciële vraag die aan het Grondwettelijk Hof zijn gesteld in de zaak die geleid heeft tot het arrest 83/2003 van 11 juni 2003, luidden als volgt:

"Schendt artikel 43, § 1, van de Ruilverkavelingswet van 22 juli 1970 artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet, nu er een vorm van onteigening plaatsvindt buiten de gevallen door de wet bepaald en op een door de wet niet toegelaten wijze, gezien de onmogelijkheid van controle van de externe en interne wettelijkheid van de gevraagde onteigening ?

Schenden de artikelen 20 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 20 maart 1952, ondertekend te Parijs en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 doordat de minwaarde die het gevolg is van de toewijzing van gronden in het kader van de ruilverkaveling, niet zou worden vergoed omdat deze gronden geen cultuur- of bedrijfswaarde zouden hebben, in zoverre het aldus een discriminatie in het leven roept ten aanzien van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling die, in het gemeen recht, aan de andere onteigenden wordt toegekend?"

Die twee vragen verwijten de bepalingen van de wet van 22 juli 1970, en met name artikel 43, niet dat ze ongrondwettelijk zijn, omdat de ruilverkavelingsakte en de eindbeslissing al dan niet met een eventueel beroep voor de Raad van State kunnen worden bestreden.

Het maakt niet uit dat het prejudicieel arrest, dat enkel voor recht heeft gezegd dat "artikel 20 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en dat de artikelen 23, 29, tweede lid, en 43, § 1, van dezelfde wet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 16, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden", in zijn redenen incidenteel erop gewezen heeft dat "de eindbeslissingen van het ruilverkavelingscomité, in zoverre het administratieve rechtshandelingen betreft, met een beroep voor de Raad van State kunnen worden bestreden".

Het bestreden arrest, dat enkel om die reden beslist dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van verweerders beroep tot nietigverklaring, dat de door de eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid moet worden verworpen en dat er aan het Grondwettelijk Hof geen vraag hoeft te worden gesteld over de grondwettelijkheid van artikel 43 van de wet van 22 juli 1970, omdat voornoemd artikel uitsluit dat er voor de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van de ruilverkavelingsakte kan worden ingesteld, schendt bijgevolg alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen.

Het arrest is op zijn minst niet regelmatig met redenen omkleed en antwoordt niet op de memorie van antwoord waarin de eiser inzonderheid aanvoerde dat de prejudiciële vragen die geleid hebben tot het arrest van het Grondwettelijk Hof, niet hetzelfde onderwerp hadden als de vraag of de bepalingen van de wet van 22 juli 1970, en inzonderheid artikel 43 van die wet, conform waren met de Grondwet, in zoverre zij uitsloten dat de door de eiser opgemaakte ruilverkavelingsakte met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kon worden bestreden (schending van artikel 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 33 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring.

Het bestreden arrest stelt vast dat het beroep van de verweerder strekt tot "vernie-tiging van de ongedagtekende beslissing van het ruilverkavelingscomité Bleid tot vaststelling van het herverkavelingsplan en van de lijsten die zijn opgemaakt overeenkomstig de artikelen 26 en 34, 1°, 2° en 3°, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet".

Hoewel de vrederechter luidens artikel 591, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek kennisneemt van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen, onge-acht het bedrag van de vordering, is die bepaling enkel van toepassing op de ge-schillen die uitdrukkelijk worden opgesomd in de wet van 22 juli 1970.

Noch artikel 43 van die wet, die de voormelde opsomming bevat, noch enige an-dere bepaling bepaalt dat de rechterlijke macht bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die betrekking hebben op de ruilverkavelingsakte zelf, of sluit uit dat de administratieve akte die deze beslissing bevat met een beroep tot nietigver-klaring voor de Raad van State kan worden bestreden.

2. De eiser, die deze uitlegging betwist, verzoekt aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen te stellen.

De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt: "schendt artikel 43, § 1, van de Ruil-verkavelingswet van 22 juli 1970 artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet, nu er een vorm van onteigening plaatsvindt buiten de gevallen door de wet bepaald en op een door de wet niet toegelaten wijze, gezien de onmogelijkheid van contro-le van de externe en interne wettelijkheid van de gevraagde onteigening, in de uit-legging volgens welke de ruilverkavelingsakte niet met een beroep tot nietigver-klaring voor de Raad van State kan worden bestreden en in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte wel met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden"?

Het onderdeel kan enkel tot cassatie leiden als het Grondwettelijk Hof zou beslis-sen dat het bestaan van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State de Grondwet zou schenden.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest 83/2003 van 11 juni 2003 beslist dat artikel 43, § 1, van de wet van 22 juli 1970 de artikelen 10 en 11, al dan niet gele-zen in samenhang met artikel 16, van de Grondwet niet schendt, op grond dat "[die] wet [...] - inzonderheid in de artikelen 23 en 43 - in een aantal waarborgen voorziet die de belanghebbenden toestaan bepaalde beslissingen inzake de vaststelling van bepaalde waarden en vergoedingen te betwisten" en dat "de eind-beslissingen van het ruilverkavelingscomité bovendien met een beroep voor de Raad van State kunnen worden bestreden".

Aangezien de tweede vraag van de vrederechter van het kanton Dendermonde-Hamme, waarover dat arrest uitspraak doet, het Grondwettelijk Hof had gevraagd of "het [voormelde] artikel 43, § 1, artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet schendt, nu er een vorm van onteigening plaatsvindt buiten de gevallen door de wet bepaald en op een door de wet niet-toegelaten wijze, gezien de onmogelijkheid van controle van de externe en interne wettelijkheid van de gevraagde onteigening", bestaat er overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof geen grond om een nieuwe vraag te stellen, maar moet ervan worden uitgegaan dat het Grondwettelijk Hof het bestaan van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State niet als strijdig met de Grondwet zou kunnen beschouwen.

De tweede prejudiciële vraag van de eiser luidt als volgt: "schenden de artikelen 20 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, sa-men gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 20 maart 1952, ondertekend te Parijs en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, doordat de minwaarde die het gevolg is van de toewijzing van gronden in het kader van de ruilverkaveling, niet zou worden vergoed omdat deze gronden geen cultuur- of bedrijfswaarde zouden hebben, in zoverre het aldus een discriminatie in het leven roept ten aanzien van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling die, in het gemeen recht, aan de andere onteigenden wordt toegekend, in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte niet met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden en in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte wel met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden?"

De bepaling van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, krach-tens welke het Hof gehouden is het Grondwettelijk Hof te verzoeken uitspraak te doen over een voor hem opgeworpen vraag, zelfs wanneer het oordeelt dat het antwoord op de vraag niet vereist is om zijn beslissing te wijzen, moet binnen de grenzen van het bij het Hof aanhangig gemaakte middel worden uitgelegd.

De prejudiciële vraag houdt geen verband met het onderdeel.

3. Het bestreden arrest, dat herinnert aan het onderwerp van het beroep tot nie-tigverklaring, oordeelt vervolgens "dat de beslissing van het ruilverkavelingscomité een grievende administratieve akte is waarvan de Raad van State in beginsel kan kennisnemen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het werkelijke voorwerp van het geschil, gelet op de middelen van het verzoekschrift [tot nietigverklaring], geen betwisting blijkt te zijn die, luidens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, tot de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken zou behoren", en "dat de bevoegdheid van de Raad van State alleen maar zou kunnen worden uitgesloten indien de belanghebbenden een rechtsvordering voor een gewone rechtbank konden instellen die hetzelfde resultaat kon opleveren als dat welk zij met een beroep wegens bevoegdheidsoverschrijding konden bereiken", wat het arrest uitsluit door te herhalen "dat de vrederechter [...] de ruilverkaveling zelf niet in vraag kan stellen", en verantwoordt aldus naar recht zijn beslissing om de door de eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid te verwerpen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het bestreden arrest, dat oordeelt dat "uit de verwoording van de twee prejudiciële vragen van [de eiser] volgt dat die vragen hetzelfde voorwerp hebben als dat van, enerzijds, de tweede prejudiciële vraag en, anderzijds, de derde prejudiciële vraag, met dit verschil dat het Grondwettelijk Hof zou worden gevraagd om ervan uit te gaan dat de Raad van State niet bevoegd zou zijn; dat [...] het Hof die vragen reeds heeft beantwoord in het voormelde arrest 83/2003 en dat de redengeving van [dat] arrest [...] in dat opzicht voldoende duidelijk en ondubbelzinnig is, zodat er geen grond bestaat om de door [de eiser] voorgestelde prejudiciële vragen te stellen", antwoordt op eisers memorie van antwoord, waarin hij van het tegenge-stelde uitging, en verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt voor het overige dat het onderdeel, dat het bestreden arrest enkel verwijt het Grondwettelijk Hof niet te willen verzoeken uitspraak te doen over de prejudiciële vragen die voor de Raad van State zijn opgeworpen en die voor het Hof worden herhaald, in zoverre zonder belang en derhalve niet ontvankelijk is

Dictum

Het Hof,

uitspraak doende in verenigde kamers,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door eerste voorzitter Etienne Goethals, voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, raadsheer Didier Batselé, de afdelingsvoorzitters Eric Stassijns en Albert Fettweis, de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 13 juni 2013 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

De hoofdgriffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Afdeling bestuursrechtspraak

  • Bevoegdheid

  • Beroep tot nietigverklaring

  • Handeling van een administratieve overheid